De fanfare speelt niet meer voor de Nederlandse film

Honderd jaar cinema! Ook het vijftiende Nederlandse Filmfestival (van 20 tot en met 29 september) besteedt er veel aandacht aan. Met name 'De gouden eeuw' van de moderne Nederlandse speelfilm zal in Utrecht wel weer geregeld over de tong gaan. Temeer daar 'Aletta Jacobs - het hoogste streven', de nieuwe film van Nouchka van Brakel, die dit jaar door het festival in het zonnetje gezet wordt, nostalgische verlangens naar die bloeiperiode oproept.

De aanzet voor de moderne Nederlandse speelfilm werd in 1958 gegeven door twee selfmade-regisseurs. Bert Haanstra maakte de komedie 'Fanfare', die met 2.635.185 bezoekers na Paul Verhoevens 'Turks fruit' (3.334.044 belangstellenden) de tweede plaats inneemt op de ranglijst van de twintig best bezochte Nederlandse speelfilms van na de Tweede Wereldoorlog.

In datzelfde jaar maakte Fons Rademakers zijn debuut 'Dorp aan de rivier', naar de roman van Anton Coolen. Ook deze film was een succes, zij het op een andere manier dan 'Fanfare'. In de toptien-lijsten komt Rademakers' eersteling niet meer voor. Wel verwierf 'Dorp aan de rivier' een nominatie voor de Oscar voor de beste buitenlandse film.

Haanstra en Rademakers verrichtten bijna veertig jaar geleden waar pionierswerk. Uitzonderingen als 'Ciske de Rat' uit 1955 (regie: Wolfgang Staudte) daargelaten, werden er in het naoorlogse Nederland nauwelijks (en al helemaal geen goede) goede speelfilms gemaakt.

Bovendien ontbeerde ons land al sinds het ontstaan van de film een continue speelfilmproduktie en overheids-instituten die de nationale cinema begunstigden.

Haanstra en Rademakers hadden in eigen land dus niets om op terugvallen en keken de (film)kunst daarom maar af van buitenlanders. Zo liet Haanstra zich voor het scenario van 'Fanfare' adviseren door de Engelse regisseur Alexander Mackendrick. Rademakers pakte de zaken nog grondiger aan.

In de jaren vijftig schoolde hij zich in Rome, Londen, Parijs en Stockholm in de praktische facetten van het filmmaken. Onder meer Federico Fellini, Vitterio De Sica, David Lean, Jacques Becker en Ingmar Bergman stonden aan de wieg van zijn filmcarrière en die van de moderne Nederlandse speelfilm.

Bij gebrek aan een eigen cinema staken Haanstra en Rademakers in hun eerste speelfilms Nederlandse onderwerpen in de visuele vorm die overal in Europa gesproken en verstaan werd. Op die weg gingen zij voort: Haanstra in onder meer 'De zaak M.P.' en 'Vroeger kon je lachen'; Rademakers in bijvoorbeeld 'Als twee druppels water' en 'De aanslag', waarmee hij zo'n dertig jaar na zijn debuut alsnog een Oscar in de wacht sleepte.

De internationale benadering van deze pioniers werd toonaangevend voor de moderne Nederlandse speelfilm. Zo oriënteerden de filmers van 'de eerste golf' - de eerste afgestudeerden van de in 1960 opgerichte Nederlandse Filmakademie - zich bijna blindelings op de Franse Nouvelle Vague. Deze filmers bepaalden het aanzien van de speelfilm in de tweede helft van de jaren zestig.

Frans Weisz ('Het gangstermeisje'), Wim Verstappen ('De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katus naar het land van Rembrandt'), Adriaan Ditvoorst ('Paranoia') en al die andere 'eerste- golvers' probeerden allemaal hetzelfde: Nederland een meerwaarde, een internationale allure, geven door films te maken volgens de laatste Parijse filmmode.

Ook Nouchka van Brakel behoort tot de 'eerste golf', al speelde ze er met haar korte speelfilms 'Sabotage' en 'Baby in de boom' een heel bescheiden rol in. Bij het publiek vond deze poging Nederland via zijn speelfilms internationaal wat op te waarderen geen enkele weerklank. De films van 'de eerste golf' trokken - vermoedelijk doordat het Nouvelle Vague-idioom te experimenteel was - nauwelijks bezoekers. De verrassing was daarom groot toen begin jaren zeventig het tij opeens keerde. In 1971 trok 'Wat zien ik' van Paul Verhoeven maar liefst 2.358.946 bezoekers. In hetzelfde jaar verlieten ook nog eens 2.334.942 mensen hun huis om 'Blue movie' van Wim Verstappen te gaan bekijken.

'De Gouden eeuw' van de Nederlandse film, die overigens maar tot begin jaren tachtig zou duren, was aangebroken. Paul Verhoeven werd dè regisseur van dat tijdperk. Alle films die hij in deze periode maakte, staan nog steeds in de top-twintig van de best bezochte Nederlandse speelfilms sinds 1945.

Naast 'Turks fruit' (1972) op plaats 1 en 'Wat zien ik' op plaats 4 (1971), zijn dat 'Keetje Tippel (1.829.068 bezoekers) uit 1975 op plaats 7, 'Soldaat van Oranje'(1.546.498 bezoekers) uit 1977 op plaats 10 en 'Spetters' (1.124. 123 bezoekers) uit 1980 op plaats vijftien.

Een belangrijke rol bij het succes van de Nederlandse speelfilm in de jaren zeventig speelde een verandering in de filmtaal. De regisseurs mikten bewust op het grote publiek en begonnen daarom de wereldwijd populaire Hollywood-cinema te imiteren. Ook sloten ze weer aan bij Rademakers' en Haanstra's oriëntatie op de Europese publieksfilm.

Minstens zo belangrijk echter waren buiten-filmische oorzaken. Nederland had in de jaren zestig enorme veranderingen (de ontzuiling, de seksuele revolutie, de tweede feministische golf, de opkomst van de jongerencultuur, etc.) doorgemaakt. De speelfilms haakten daarop in.

Ze bevatten bijvoorbeeld veel bloot en seks en boden de in verwarring geraakte Nederlanders zo de mogelijkheid in het reine te komen met de vrijere seksuele normen. Ook de films van Paul Verhoeven kunnen in dit ideologische licht bekeken worden. Zowel door hun inhoud als stijl hielden zij het publiek voor dat Nederlanders lieden van de koude grond zijn en blijven en dat ze hun kracht al eeuwen ontlenen aan het credo 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg'.

In de gouden jaren zeventig konden zich naast Verhoeven nog veel meer (redelijk) succesvolle filmauteurs aandienen. Onder meer Wim Verstappen en Pim de la Parra, George Sluizer, Frans Weisz, Erik van Zuylen, Jos Stelling en Ate de Jong kregen de kans aan een film-oeuvre te beginnen.

Ook Nouchka van Brakel timmerde aan de weg: eerst met 'Een winkelier keert niet weerom', een bijdrage aan de episode-film 'Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming' en later met lange speelfilms waarin ze vrouwenzaken aansneed: 'Het debuut' (1977), 'Een vrouw als Eva' (1979) en 'Van de koele meren des doods' (1982).

Wanneer die laatste film in première gaat, zijn de hoogtijdagen van de Nederlandse speelfilm al weer voorbij. Nederland heeft een nieuw evenwicht gevonden en geen behoefte meer aan speelfilms die het door woelige tijden loodst. Het publiek blijft steeds vaker thuis en midden jaren negentig komt er bijna geen hond meer naar een vaderlandse speelfilm kijken.

De speelfilm wordt een zorgenkindje. Filmmakers wijken en masse, zoals Verhoeven, uit naar Hollywood of, zoals Guido Pieters, naar de televisie. Jaar in jaar uit wordt er tot vervelens toe gedebatteerd over de crisis in de speelfilm.

Moet er in Nederlands speelfilms nu Nederlands of Engels gesproken worden? Zijn we de kunst van het scenario-schrijven wel machtig? Stopt de overheid wel genoeg geld in de film? Ligt onze toekomst in kleine artistieke films als 'Abel', of in de wat groot-schaliger Europese co-produkties als de door het Haagse bedrijf Allarts geproduceerde films van Peter Greenaway? Is er in Nederland nog wel een markt voor de grote commerciële publieksfilm?

Dat die markt steeds verder inkrimpt, blijkt wel uit de bezoekersaantallen van de films van Dick Maas, veruit de succesvolste regisseur van de jaren tachtig en negentig. 'Flodder 1' (1986) neemt met 2.313.733 bezoekers de zesde plaats in op de lijst van de na de oorlog best bezochte Nederlandse speelfilms, Flodder 2' (1992) met 1.470.378 bezoekers de twaalfde plaats en 'Amsterdamned (1988) is met 971.059 bezoekers negentiende. Maas' eerste film 'De lift' haalde deze lijst niet eens en ook zijn laatste, 'Flodder 3' (nog geen half miljoen bezoekers) zal er wel niet op terechtkomen.

De (permanente) crisis in de Nederlandse speelfilm ging ook niet ongemerkt voorbij aan Nouchka van Brakel. Ze moest van haar komedie 'Een maand later' (1987) tegelijkertijd een Nederlands- en Engelstalige versie draaien. Haar ambitieuze project 'Engelen van de hel' kreeg ze niet van de grond. Om maar aan het werk te blijven, regisseerde ze in 1992 de tv-serie 'Iris'.

En nu presenteert Van Brakel in Utrecht haar nieuwe, slechts 65 minuten durende, tv-film 'Aletta Jacobs - het hoogste streven'. Het is een rommelige mengeling van kostuum-film, documentaire en feministische getuigenisfilm waarvan de brokstukken door de regisseuse zelf aan elkaar gepraat worden.

Van Brakels 'Aletta Jacobs'-film roept alleen maar nostalgische gevoelens op. Door de schitterende speelfilm-gedeelten zie je als vanzelf de prachtige lange film die de regisseuse in de gouden eeuw van de Nederlandse speelfilm waarschijnlijk wel over haar idool had kunnen maken. De verwrongen vorm die de film nu kreeg, maakt helaas alleen maar duidelijk dat die gouden jaren weleens voorgoed voorbij konden zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden