DE ETIQUETTE VAN INDONESIE

"Het gaat om de boodschap en de boodschapper. De toon, stijl en presentatie van de boodschap doen zeer ter zake." Zo klonk de kritiek van de CDAwoordvoerder in de Tweede Kamer op minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking. De strijd tussen het geweten en de nuchtere praktijk wordt in Nederland heftig gevoerd, maar heeft Indonesie ook een geweten? "Deze grootscheepse ontwikkeling in Indonesie kan alleen tot stand komen onder een leiderschap dat geen last heeft van zijn geweten."

WIM BOEVINK

Vroeg in de ochtend is het al druk bij Si Romo. Van ver zijn de mensen gekomen, arm en rijk door elkaar heen, dat zie je aan de kleren, de tassen en het meegebrachte eten. De rij begint bij de poort aan de straat en eindigt bij de slangekoppen. Door de ramen naar binnen kijken is moeilijk, daar hangt kanten vitrage. In de zijkamer, dat weet iedereen, staat de Fiat 500 op zijn vier sokkels. Je ruikt er de zoete wierook, er branden waxinelichtjes onder de assen, een kring van anjers rondom. Het is de Fiat waarmee Si Romo jaren geleden van Bali naar Java reed. Over zee wel te verstaan.

Wie bij binnenkomst de hal van het huis betreedt wacht een verrassing. Aan de muren hangen oude teksten en Javaanse maskers met uitpuilende ogen en uitgestoken tongen.

En daartussen in staat hij: Soekarno, eerste president van de Republiek Indonesia, levensgroot in een vitrine. Si Romo, de geeerde dukun wiens raad zovelen trachten in te winnen, spreekt hem nog regelmatig, op zijn eigen mystieke wijze. Waarover hij dan spreekt? 'Over de veranderingen die komen gaan'.

Hij heeft nog steeds zijn aanhang, wijlen Soekarno, al vind je die opmerkelijk vaak in kringen van Javaanse mystici. Misschien zijn zij nog de dragers van de cultuur die met Soekarno ten onder dreigde te gaan. Mensen als Si Romo, die vind je nergens anders dan op Java.

De in Indonesie verboden auteur Pramoedhya Ananta Toer schreef onlangs: "Nog tijdens de Revolutie van 1945 wees Soekarno een aanbod van Ford van de hand om een grote weg dwars door Java en Sumatra aan te leggen in ruil voor een monopolie op de verkoop van auto's. In deze fase van nationale onafhankelijkheid heeft Soekarno de twee toen beschikbare alternatieven ter zijde geschoven: hij wilde zich noch aan het kapitalistische noch aan het communistische blok aanpassen."

Soekarno, zegt Pramoedhya, stelde de eigenheid van Indonesie boven alles. Na drie eeuwen Nederlandse overheersing moest de Indonesische dorpscultuur van zijn omklemming bevrijd worden. 'Zij die erin slagen zich te bevrijden uit die omklemming, worden de volkeren die de wereld beheersen.'

Soekarno heeft het waarachtig geprobeerd. Nog getuigen de monumenten ervan die hij in Jakarta liet oprichten, het grootste natuurlijk dat van de 137 meter hoge gedenknaald met de gouden vlam, midden op het oude Koningsplein. Het moet er duizend jaar blijven staan. Soekarno hield van monumenten, van grote, onontkoombare tekens. Hij hield van gespierde taal. You can go to hell with your aid, riep hij ooit de Amerikanen toe. Gespierd waren ook zijn monumenten: mannen die ketens verbreken, die met veel pathos de richting van de vrijheid wijzen, die zich losscheuren uit hun gevangenschap. Ze staan op hoge sokkels op de verkeerspleinen van Jakarta.

Later werd hem grootheidswaan verweten. Na de staatsgreep van 1965 werd hij beschimpt als de vrouwenverslinder, de god-koning, de oppersultan, alles wat hem eerder tot idool hadden gemaakt. En toch had Soekarno zijn leiderschap willen kleuren volgens de mystieke voorstellingen van de ideale Javaanse vorst.

In die voorstellingen was de vorst de schakel, de balans tussen de kosmische en de natuurlijke wereld. Hij was het grootste mystieke element op aarde. De ideale vorst had een onbeperkte, van God verkregen macht. Zijn hoogste vermogen was het geven van leven, het stichten van dynastieen. Het hele land kon hij met zijn macht bevruchten en de oogsten zouden overvloedig zijn.

Onder zijn leiding braken tijden van rust en orde aan, maar als chaos en wanorde heersten, als vulkanen uitbarstten en rivieren overstroomden, als hongersnoden en ziekten uitbraken - dan stond vast dat de vorst zijn goddelijke macht kwijt was en zijn positie misbruikte voor zelfverrijking en eigen belang. Zijn ondergang was nabij.

Soekarno wilde stralen. Hij hield van de openbaarheid, van de vervoering die hij met zijn toespraken opriep. Zijn hof verspreidde gretig de geruchten over de mooie vrouwen met wie hij zich omringde, over zijn vruchtbaarheid kon geen twijfel bestaan. Hij was het schitterende middelpunt van zijn uitdijende rijk, in hem vloeide alles samen, werd alles een. Nationalisten, moslims en communisten bracht hij in een politiek concept bij elkaar.

Op het hoogtepunt van zijn macht liet hij zich uitroepen tot president voor het leven. Dat zijn land een economische ineenstorting nabij was, zag hij niet. In 1964 liet hij zijn das en een armband van zijn derde vrouw veilen voor 26 miljoen roepia, 'als onderdeel van de miljoenenhulp in de strijd tegen de onderdrukking in Noord-Borneo'. Dat was in de dagen van zijn confrontatie met Maleisie, toen Indonesie de wereld wilde gaan beheersen. Wat Soekarno zich niet realiseerde was dat zijn 26 miljoen na jaren van devaluatie niet meer dan duizend gulden waard was. De dagen van Soekarno waren geteld. De staatsgreep volgde en een onbeschrijfelijk bloedbad dat aan honderdduizenden het leven kostte.

Indonesie viel terug in zijn dorpscultuur. Een nieuw leiderschap en een nieuwe omklemming diende zich aan. De tijd van de gespierde woorden en monumenten was voorbij. Nu rolden de spierbundels van de soldaten. De oppositie werd met harde hand uitgeroeid. Na het Go to hell with your aid van Soekarno liet generaal Soeharto het land vollopen met westerse en Japanse investeringen. De economische malaise werd afgewend, de schittering van het staatshoofd maakte plaats voor die van het kapitaal.

Fonkelende kantoortorens, buitenlandse banken en vijfsterrenhotels verrezen langs brede autobanen en futuristische flyovers. Waar het kapitaal heerste werden de krotbewoner, de straatventer, de betjahrijder uit het straatbeeld geveegd. Achter het kapitaal stond de soldaat, die steeds hoger opklom in het bestuur van het land. Door zijn handen ging de geldstroom en hij wist zich te verrijken: Soeharto's zonen schiepen hun eigen handelsmonopolies.

Soekarno toonde het volk zijn rijkdom als een attribuut van zijn macht, als symbool voor de rijkdom van zijn volk. Hij gaf spectaculaire feesten, liet buitenverblijven bouwen voor hem en zijn vrouwen, huurde tijdens staatsbezoeken volledige hotelverdiepingen af, waar hij zich, zoals in Parijs, liet fotograferen bij een soupertje met Claudia Cardinale.

De soldaat is anders. Zijn rijkdom onttrekt zich aan de openbaarheid, in naamloze vennootschappen, in kongsi's, in geheime aandelen en effecten. Soekarno bewoonde de classicistische koloniale paleizen, de nagelaten verblijven van de gouverneurs-generaal; de soldaat heeft zich teruggetrokken in een zijstraatje van een woonwijk.

De macht van Soeharto is achter de schermen opgebouwd. Soeharto wil niet stralen, weigert elk aangeboden eredoctoraat, en laat zich niet tot president voor het leven uitroepen. Hij stelt zich telkens opnieuw verkiesbaar, maar tegenkandidaten zullen altijd ontbreken. Toch is ook zijn leiderschap niet vrij van mystieke ondertonen. Soeharto's macht ligt in het onzichtbare. Hoe passiever zijn optreden, hoe groter zijn macht.

Bij de oud-Javaanse hindoe-vorsten, die zich zagen als de incarnatie van een godheid, was een blik voldoende om de wereld te doen beven. Soeharto is de onbewogen Albeweger: de regelmaat waarmee hij op de golfbaan is te vinden bewijst zijn suprematie. Hij staat ver boven het alledaagse politieke gewoel. Soeharto is soldaat en Soeharto is Javaan en in het verborgene speelt hij zijn mystieke stratego. Afstand kenmerkt zijn leiderschap, zijn zegeningen dalen op het volk neer als inpres, de afkorting voor 'instructie van de president'. Het zijn zijn ministers die de boodschap komen brengen. Hoog en onbereikbaar zetelt de Almacht op zijn verborgen troon, geschraagd door leger en handelskapitaal.

In het dagelijkse nieuws ziet men ambtenaren en bestuurders, het hofapparaat van Soeharto. Ze zijn altijd in vergadering bijeen. Ze houden altijd dezelfde toespraken, behangen elkaar met dezelfde lintjes en oorkondes. Steeds praten ze over de opbouw van het land in telkens terugkerende frasen, ze praten maar en praten maar en er is niemand meer die luistert. Macht, zegt de Amerikaanse schrijver Saul Bellow in zijn roman Humboldts Gift, is het vermogen om verveling op te leggen. De dorpscultuur heerst. Ook Soeharto heeft nu zijn eigen Go to hell with your aid uitgeroepen. Alleen niet tegen Amerika. Dat is het verschil.

Jan Pronk, onze minister van afgebroken ontwikkelingssamenwerking, liet tijdens zijn bezoek aan Oost-Java in april 1990 het programma omgooien om Soekarno's graf te kunnen bezoeken. Ver van het centrum van de politieke macht ligt hij daar sinds 1970 begraven, in Blitar. Wie hem wil vereren moet van ver komen. Jan Pronk nam de moeite. In een Indonesische krant stond de volgende dag dat Pronk een traan wegpinkte bij het graf.

Het was ironisch bedoeld. Wat moest Pronk bij dat graf, was dat niet een van zijn provocerende uitdagingen aan de Indonesische elite? Want is de geest van Soekarno niet vaardig geworden over delen van de oppositie? Pronk, de 'inspecteur-generaal', die nu in Indonesie nog geen toeristenvisum in zijn paspoort zou krijgen, is toch geen Soekarnost?

Pronk heeft zich niet netjes gedragen in het Indonesische dorp. Een trein stopzetten om een kampong met een bezoek te overvallen, een woning binnenstappen en er de wc inspecteren, zichzelf met dissidenten op de foto laten zetten en teenslippers en strohoeden dragen als ultieme manifestatie van democratisch comfort, het is de Javaan een gruwel. En dan nog al die kritiek op de Almacht.

In 1990 bevroor Pronk de extra-betalingsbalanssteun omdat zes oud-communisten die sinds 1965 in de gevangenis zitten met executie werden bedreigd; vorig jaar bevroor hij de bijdrage aan het succesvolle programma van geboortebeperking (dat president Soeharto nota bene een VN-prijs had opgeleverd, de enige die hij persoonlijk in Rome is gaan halen) toen er gedocumenteerde gevallen bleken te zijn van gedwongen sterilisatie en onlangs dreigde hij de hulp te bevriezen als er geen internationaal, onafhankelijk onderzoek kwam naar het bloedbad in Oost-Timor.

Het vriesvak Pronk had een cursus omgangsvormen moeten volgen aan het Koninklijk Instituut van de Tropen, zegt een Nederlander die sinds vijftien jaar in Indonesie werkt en de weg in het JakartaHilton heel goed kent.

De belangen van het Nederlands bedrijfsleven mogen niet aangetast, maar ach, wat stelt het bedrijfsleven voor? Onlangs hielden ze in Jakarta een businesslunch. Veertig man was er, en dan hadden sommige bedrijven ook nog eens hun tweede man meegestuurd. Tegen W. L. Brugsma in de Haagse Post zei de Indonesische minister van veiligheid en politieke zaken Soedomo in augustus 1989: "Jullie zakenlui blijven nog steeds weg, ook nu Indonesie wijd openstaat voor investeringen. Behalve een miljardenproject van Shell zien we ze nauwelijks. Jullie waren kruideniers, misschien zijn jullie het nog. En pas op, de generatie Indonesiers die nog Nederlands kan spreken en denken, sterft uit."

Zo'n opmerking treft zeker menig oudNederlands-Indische ziel in het verlangen iets van het verleden vast te mogen houden. De schrijver V. S. Naipaul kon een paar jaar geleden in Nederland nog heftige reacties oproepen met de bewering dat ruim drie eeuwen Nederlandse aanwezigheid in Indonesie nauwelijks sporen in de taal had achtergelaten. (Naipaul had overigens ongelijk: een recent, nog niet gepubliceerd onderzoek heeft uitgewezen dat van de ongeveer honderdduizend woorden in het Bahasa Indonesia er zo'n tienduizend tot het Nederlands te herleiden zijn.)

Een deel van de Nederlandse kritiek op Pronk is gekleurd door die oude emotionele banden die er met Insulinde bestaan. Het betreft vooral de 'etiquettekritiek': Pronks vergrijp tegen de normen van de Javaanse cultuur. Pronks rechtlijnige calvinisme met zijn afkeer van protocol en in vermoeiende nota's uitgespelde goed/fout analyses staat lijnrecht tegenover de stijlgevoelige Javaanse omgangsregels waarin schaamte het leitmotiv is. De boodschap (wie maalt er eigenlijk nog om de boodschap?) had tactvoller verpakt moeten worden, vermoedelijk zoals bij zijn voorganger Piet Bukman bij wie je het woord mensenrechten helemaal niet hoorde.

Maar welke cultuur respecteren we eigenlijk? Welke schaamtegevoelens heeft Pronk gekwetst? Laten we de ex-politieke gevangene Joesoef Isak, de uitgever van Pramoedya's werk, even aan het woord: "De spectaculaire groei van de Indonesische economie kan alleen tot stand komen doordat het land onder leiding staat van een Soeharto. Een Soekarno, Hatta of Sjahrir zou onmogelijk kunnen presteren wat Soeharto met groot succes wel is gelukt. Ze zijn daarvoor veel te intellectueel, ze zijn gevormd in de westerse cultuur en beschaving."

"Deze grootscheepse ontwikkeling in Indonesie nu, kan alleen tot stand komen onder een leiderschap dat geen last heeft van zijn geweten. Het kan alleen onder iemand die het lef heeft de grootste slachtoffers te maken in naam van de opbouw. Die in staat is zijn eigen burgers te liquideren en in gevangenissen op te sluiten en in staat is het gedrag van de Indonesische parvenu te tolereren alsof dit land particulier eigendom is van zijn grootmoeder. Er is helemaal geen gewetenswroeging."

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden