De essentie van democratie is dat we naar elkaar luisteren. Waarom doen we dat niet meer?

Beeld Johan Kleinjan

In ruim een week tijd laat een Egyptische feministe weten dat ze niet wil deelnemen aan een debat in Nederland, terwijl een Amerikaanse prediker niet mág meedoen. Luisteren we nog naar een andere mening?

Een vrolijke foto zorgde deze week voor de zoveelste storm van verontwaardiging op Twitter. Zihni Özdil kijkt samen met Sid Lukkassen lachend naar de camera. Ze slaan ook nog eens gebroederlijk de armen om elkaar heen. Dus vanwaar die commotie?

Die is ontstaan doordat beide heren er een totaal andere mening op nahouden. Zihni Özdil is namelijk Tweede Kamerlid voor GroenLinks. Sid Lukkassen wordt een ‘rechts-revolutionaire’ filosoof genoemd die zich thuisvoelt bij Thierry Baudet. Hij was op het Binnenhof om tijdens een commissie-vergadering zijn opinie over het gebrek aan politieke pluriformiteit in het onderwijs toe te lichten. Vrij vertaald: dat is volgens hem veel te links. Özdil en Lukkassen waren het, geheel volgens verwachting overigens, totaal oneens, maar bedankten elkaar na afloop voor het verhelderende debat. Door te luisteren naar de ander, wisten ze nog beter dat zij gelijk hadden, ieder voor zich wel te verstaan. Maar de volgers op sociale media snapten er niets van, vooral niet van de opstelling van Özdil. Hoe kan hij nou op de foto gaan met iemand die zulke abjecte ideeën uitvent?

John Bijl, de directeur van het Periklesinstituut, dat politici en bestuurders traint bij de verbetering van debat, moet bij dit voorbeeld terugdenken aan zijn eigen politieke jaren in de deelraad van het Rotterdamse Delfshaven. “Toen ben ik ook eens aangesproken omdat ik na een verhit debat met een bestuurder diezelfde avond in het café een biertje met hem stond te drinken.” Bijl kreeg de gelegenheid uit te leggen dat je in een discussie tegenover elkaar kunt staan, maar dat je om dat debat goed te kunnen voeren daarbuiten op goede voet met elkaar moet staan. “Maar Zihni en Lukkassen hadden in het huidige tijdsgewricht geen kans. Twitter ging helemaal los.”

Toch vreemd, zegt Bijl. Want als je het debat terugkijkt, is dat best goed. “Vandaar die vrolijke foto. Die toont de essentie van wat democratie zou moeten zijn. Want laten we eerlijk zijn, als we niet zo vaak met elkaar van mening zouden verschillen, dan hadden we zoiets als democratie ook helemaal niet nodig.”

Beeld Johan Kleinjan

Voor Bijl is er werk aan de winkel. Het debat is in Nederland niet alleen sterk gepolariseerd, maar in toenemende mate lamgeslagen door uitsluiting van de opponent. Vanuit diep uitgegraven schuttersputjes worden karikaturen afgeschoten en verdachtmakingen gelanceerd. Voor een tegenargument lijkt er amper interesse. Met wie ‘fout’ is, is geen debat meer mogelijk. Die gedachte leeft bij zowel links als rechts. Terwijl de essentie van democratie is dat je naar elkaar luistert, zegt Bijl.

“Het argument om níet met iemand in gesprek te gaan, is vaak dat je dan abjecte standpunten legitimeert.” Dat zie je op gebied van religie en huidskleur (Zwarte Piet), maar ook in de klimaatdiscussie. Ga niet met ‘klimaatoptimist’ (zoals hij zichzelf noemt) Marcel Crok in debat want dan legitimeer je de onzin die hij verkoopt, zo klinkt het. En toen de Amsterdamse PvdA-lijsttrekker Marjolein Moorman in een kroeg in debat ging met Annabel Nanninga (Forum voor Democratie) was dat voor velen een schok. Waarom zou je Forum een platform geven? Bijl: “Het antwoord is simpel. Juist om het gesprek aan te gaan en het debat te verrijken. Als je vindt dat iemand onzin verkoopt, moet je die blootleggen.”

Mona Eltahawy

Dat hád de Egyptisch-Amerikaanse feministe Mona Eltahawy kunnen doen. Afgelopen week zou ze in de Balie in Amsterdam deelnemen aan een debat over mondiale vrouwenonderdrukking. Ze trok zich op het laatste moment terug omdat ze van ‘Nederlandse vrienden’ had gehoord dat dit debatcentrum niet deugt. Vooral het feit dat er twee jaar geleden een debat was gevoerd waarin de deportatie van moslims was besproken, was voor haar reden om de ‘foute’ Balie in de ban te doen.

Beeld Johan Kleinjan

Bijl zegt dat het er, afgaande op Eltahawy’s verklaring op Twitter, op lijkt dat ze onvoldoende te horen heeft gekregen wat zich destijds werkelijk heeft afgespeeld. Iets met klok en klepel. “En dat is nou precies wat er op sociale media te vaak gebeurt. Er wordt een citaat gedeeld, of een samengesteld videofragmentje, en vervolgens moet je daar direct een reactie op geven.” In Eltahawys geval: uitsluiting. “Als dit mij was overkomen, was ik naar de bron gegaan, en had ik me in alle rust laten informeren over wat er destijds in dat debat over moslims is gezegd.”

Ironie

Dan had ze waarschijnlijk een heel ander verhaal gehoord, zegt Bijl. Hij heeft de opnames van dat debat van twee jaar geleden bekeken en kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ‘deportatie van moslims’ een parodie was. “Ik denk dat er op een nogal ruwe, haast Britse manier, koud en zakelijk, door rechtsfilosoof Paul Cliteur (nu Forum, red) werd uitgelegd dat deportatie kán. Want enige vorm van ironie is Cliteur niet vreemd. Je hóórt die spot ook in de reactie van het publiek. Hij maakt gebruik van de methode die Dries van Agt in de jaren zeventig gebruikte om de abortuspraktijk aan de kaak te stellen.” Die beschreef toen op een zeer koude manier de zogenaamde ‘kraakmethode’, waarbij het hoofdje van foetussen van ouder dan zestien weken met een tang kapot werd geknepen. “Iedereen sprak er schande van, toch was zijn punt gemaakt.”

Maar voor overdrijving, parodie, ironie en ook humor als element in het debat is geen plaats meer, zegt Bijl, als er slechts rationele fragmenten worden uitgeknipt en via Twitter gedeeld. “Neem de opmerking van schrijver Tommy Wieringa op het VNG-congres over de aanslag op het Telegraaf-gebouw de dag ervoor. ‘Ja hèhè, eindelijk’, verzuchtte hij. Dat was een grapje, misschien misplaatst, maar hij werd binnen een paar seconden op sociale media met lansen doorboord.”

Context

Het komt er volgens Bijl op neer dat je, als je iemand wilt begrijpen, niet alleen naar zijn woorden moet luisteren, maar naar de hele context. In communicatie is de ratio maar één laag. “Stel, mijn vrouw komt ’s avonds thuis, na een lange dag werken, en ik zit op de bank ‘Star Trek’ te kijken. Ze kijkt naar de keuken en zegt: de afwas staat er nog. Dan is dat geen zakelijk mededeling. Daar zit veel achter. Die zegt iets over de relatie die wij hebben, over haar gemoedstoestand, en ook over wat ze van mij verlangt. Maar nadrukkelijk in samenhang. Als ik naar de afwas kijk en zakelijk antwoord met ‘dat klopt’, dan is dat geen goede reactie.”

Beeld Johan Kleinjan

Precies hetzelfde geldt voor het maatschappelijke debat. “Het lijkt alsof we alleen nog maar op de afwas reageren, en niet meer het vermogen hebben om te zien met welke intentie, in welke gemoedstoestand en met welke context opmerkingen worden gemaakt.”

Geldt dit ook voor die andere debater met een mening, die naar Nederland wilde komen, maar die staatssecretaris Harbers (justitie en veiligheid) tegenhield: Steven Anderson uit de VS die homo’s dood wenst? “Daar zit ik dubbel in”, zegt Bijl. “Voor een democratie is het helemaal niet slecht als er radicale standpunten worden genoemd. Een white supremacist die wil vertellen hoe fantastisch het blanke ras is, is wat mij betreft welkom. Daar moet een democratie tegen bestand zijn. De anti-homoseksuele Nashville-verklaring was ook een verwerpelijk document, maar ik ben blij dat Nederland daarover heel inhoudelijk heeft kunnen discussiëren.” Er is niet alleen met afkeuring, maar met argumenten gereageerd, zegt hij.

“Maar deze man gaat verder. Zijn betoog dat homo’s geëxecuteerd moeten worden, is zo opruiend dat hij aankondigt strafbare feiten te willen plegen.” Wat dat betreft is hij volgens Bijl te vergelijken met Rogier Meijerink die vorig jaar op 4 mei een lawaaidemonstratie wilde organiseren tijdens de Dodenherdenking, onder het motto ‘4 mei is niet voor mij’. “Dat zou absoluut tot verstoring van de openbare orde hebben geleid én tot een strafbaar feit. Om hem en de samenleving te beschermen heeft Meijerink toen een gebiedsverbod opgelegd gekregen. Voor de haatprediker geldt in feite hetzelfde.”

Verzuiling

Hoe Nederland verzeild is geraakt in deze ingegraven debatcultuur, weet Bijl wel te verklaren. De belangrijkste reden is het einde van de verzuiling, die ooit politieke leiders voortbracht die automatisch het beste met hun kiezers voorhadden. Die natuurlijke autoriteit gaf een zekere rust. Daarvoor in de plaats kwam politieke versnippering. Maar in de ‘paarse’ jaren negentig is het politieke debat vervolgens van idealen ontdaan. Bestuurskundigen namen de politiek over en alles moest vooral efficiënt. En als democratie nou iets níet in zich heeft, vindt Bijl, dan is het doelmatigheid. Daarvoor vraagt die eenvoudigweg te veel tijd.

Daar kwam de ontwikkeling van de sociale media nog eens over heen. Bijdragen zijn daar kort, reacties worden verstuurd zonder een uurtje na te denken, en een geheel nieuwe groep praat mee. Een deel van de zwijgende massa van weleer laat zich op alle fora gelden en heeft niet door, meent Bijl, dat een mening hebben niet de opgave van het debat is, een mening vormen wel.

Beeld Johan Kleinjan

Discussie op twitterniveau vindt in toenemende mate de weg naar het Binnenhof, ziet Bijl. Vooral in de spoeddebatten, waarin politici zich, onder het oog van de camera, gek laten maken door de oneliners van de ander. Net als tweet en retweet.

Maar, zo stelt Bijl gerust, het Binnenhof heeft daar meer onder te lijden dan al die andere mooie plekken waar de democratie wordt bedreven: in de raads- en de Statenzalen. Daar gaat het goed. “Een goed politiek debat duurt daar namelijk geen minuten, maar soms maanden. In zo’n geval is er sprake van een proces van politieke besluitvorming. Mensen worden gedwongen er de tijd voor te nemen, naar elkaar te luisteren, en eens goed na te denken over wat een ander heeft betoogd. De Kamer zou gebaat zijn bij extra instroom van door de wol geverfde raadsleden en Provinciale Statenleden.”

Bijl heeft meer relativerende opmerkingen. Zo denken we vaak dat Nederland tot op het bot verdeeld is, nationalistisch, anti-Europees. Maar wat toonde onderzoek van I&O Research deze week aan? Een meerderheid van de Nederlanders staat achter de Europese Unie als het gaat om de aanpak van grote problemen, zoals immigratie en klimaat. “De aandacht gaat steeds uit naar de schreeuwers. Toch moet een goede gespreksleider met zijn microfoon juist blijven staan bij iemand die zegt: ‘Ja uhh, ik weet het niet’. Die zich, op afstand van die loopgraven en schuttersputjes, in open landschap een mening vormt, doorgaans heel redelijk”, zegt Bijl. Samen vormen die mensen een meerderheid.

Wie was Perikles?

Perikles was van ca. 461 tot 429 de onbetwiste leider van de stadsstaat Athene. Onder zijn bewind groeide en bloeide cultuur, kunst, onderwijs, filosofie en de democratie. Door Perikles’ charismatische optreden en verbale daadkracht wordt de bloeitijd van Athene ook wel ‘de Gouden Eeuw van Perikles’ genoemd.

Lees ook:

Met cultuur-marxisme kun je alle kanten op

Wordt het debat beheerst door een linkse elite? Volgens cultuur-marxisme-kenner Arthur Weststeijn valt dat mee. Als er in Nederland al sprake is van een culturele overheersing, dan eerder van een progressief-liberale. 

Minister weert extremistische Amerikaanse christen 

Van COC tot SGP: over Steve Anderson is iedereen eens: voor deze haatprediker is geen plaats in Nederland. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden