De erfenis van George W. Bush

Juni 2007: Tijdens zijn bezoek aan Albanië wordt Bush¿ polshorloge gerold. (FOTO AP)Beeld AP

Nu de 43ste president van Amerika bijna is afgetreden, maken historici de balans op van het Bush-tijdperk. Die valt zeer ongunstig uit, schrijft Peter van Nuijsenburg. Irak, New Orleans, Guantánamo: Bush stapelde fout op fout en laat het land achter in een diepe economische crisis. Bovendien raakten de VS sterker verdeeld dan ooit.

Het is een gezelschapsspel dat de afgelopen paar jaar in de Verenigde Staten vermoedelijk door miljoenen met overgave is gespeeld: maak lijstjes van de beste en de slechtste presidenten die het land ooit gediend hebben. In de linkerkolom, de eredivisie, verschijnen vrijwel altijd dezelfde oude vertrouwde namen.

George Washington, de eerste president, was de held van de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Britten.

Abraham Lincoln schafte de slavernij af en herstelde de eenheid van het land in een verwoestende burgeroorlog.

Franklin Delano Roosevelt redde tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig de economie en ontpopte zich vervolgens tot een inspirerend oorlogsleider.

En, niet onomstreden, maar toch, Ronald Reagan, de grote communicator, die in de jaren tachtig het gekneusde nationale zelfvertrouwen weer wist op te vijzelen.

Afgezien van Reagan zijn het ook letterlijk historische figuren. Roosevelt, de enige president die drie keer werd herkozen, in 1936, ’40 en ’44, is van deze coryfeeën de meest recente. Dat zegt impliciet ook iets over het kaliber van de mannen die na hem kwamen.

In het rechterrijtje duiken meestal ook dezelfde namen op. Ik zal u niet vermoeien met namen die hooguit interessant zijn voor historici – en sommige alleen voor specialisten – en volsta met James Buchanan, de voorganger van Lincoln die het land in de burgeroorlog stortte en Richard Nixon, de president die in 1974 aftrad wegens het Watergate-schandaal.

Deze club zal nu volgens de meeste spelers versterkt worden met de 43ste president. George W. Bush staat volgens een onlangs in de Engelse Times gepubliceerde lijst van deskundigen op de voorlaatste plaats, nog net voor Buchanan.

Zo’n waardering is soms onderhevig aan de politieke mode. Wie ooit met desastreuze cijfers in het rechterrijtje werd weggemoffeld, kan later toch teruggevonden worden in de kolom met de grote namen. Dat geluk viel Roosevelts opvolger, Harry Truman, ten deel. Truman werd bij zijn vertrek in 1954 afgeschreven als een jammerlijke mislukking en geldt nu als een toonbeeld van onkreukbaarheid en no nonsense-politiek.

Je kunt natuurlijk nooit voorspellen wat toekomstige generaties aan talenten ontdekken die voor zijn tijdgenoten verborgen zijn gebleven, maar ik geloof niet dat Bush mag rekenen op een Truman-achtige rehabilitatie.

Twee oorlogen, waarvan een – tegen de Taliban in Afghanistan – hem werd opgedrongen, en de ander – in Irak – het resultaat was van een ideologische kruistocht; een recessie die zich kan verdiepen tot de grootste economische crisis sinds de Grote Depressie van 75 jaar geleden; het debacle rond de overstroming van New Orleans; de schande van Guantánamo; het is een selectie van de grootste blunders van de man die zijn aanhangers graag Dubya noemden.

De lijst kan naar believen worden aangevuld met een serie flaters van minder allooi, maar de bovenstaande zullen het presidentschap van Bush voor het nageslacht ongetwijfeld definiëren. Soms kan een beeld de essentie van een tijd of een gebeurtenis uitdrukken. De foto van een Iraakse gevangene in de Aboe Ghraib-gevangenis, staande op een kist met een zwarte kap over zijn hoofd is, zeker in de moslimwereld, zo’n symbool geworden.

Dit zijn de feiten die onmiddellijk, reflexmatig, naar boven komen. Maar misschien is het meest deprimerende aspect van zijn presidentschap de verdeeldheid in de VS die nu groter en dieper dan ooit lijkt te zijn.

We zijn geneigd het door de opluchting, in veel gevallen euforie, na de verkiezing van Obama te verdringen, maar de bevolking van de VS heeft zich nog altijd verschanst in twee onverzoenlijke kampen. Rechts mag nu zijn wonden likken en links mocht op 4 november juichend door de straten dansen, omdat in het land van de kennelijk toch onbegrensde mogelijkheden een zwarte Amerikaan president heeft kunnen worden, maar de kloof is niet gedicht.

Wie dat denkt, zou even naar de druk bekeken nieuwszender Fox-tv moeten kijken. Ook daar wordt Bush niet langer bewierookt, maar in Sarah Palin, de oer-conservatieve gouverneur van Alaska, heeft rechts Amerika een nieuwe heldin. Obama wil de president van alle Amerikanen zijn, maar als we Fox mogen geloven is een aanzienlijk deel van de bevolking niet van plan hem als zíjn president te verwelkomen.

Het waarschijnlijk interessantste en origineelste boek over de recente Amerikaanse politiek dat de afgelopen jaren is verschenen, is ’Nixonland’ van Rick Perlstein. Het beschrijft de opkomst van Richard Nixon en ’de versplintering van Amerika’.

Nixon was een pionier. Hij maakte in de jaren zestig van de Republikeinse Partij, ooit een bolwerk van het verlichte conservatisme, een beweging die gedreven werd door de angsten, vooroordelen en ressentimenten van wat hij ’de zwijgende meerderheid’ noemde. Deze kiezers hadden genoeg van de ’terreur van links’, het studentenprotest tegen de oorlog in Vietnam, de opkomst van de zwarte burgerrechtenbeweging, de drugs, de seksuele revolutie, popmuziek, de verloedering kortom van normen en waarden die hun dierbaar waren. Ze vormden een leger dat Nixon voor zijn doeleinden wist te mobiliseren. Het was een opstand, niet meer en niet minder, die Nixon in 1968 in het Witte Huis bracht.

En het bleek geen kortstondig fenomeen dat na Nixons val in 1974 met de staart tussen de benen van het toneel verdween, zoals verwacht mocht worden. Integendeel. De Democraat Jimmy Carter kreeg na de excessen van Nixon de kans het beter te doen. Het werd een kort en treurig intermezzo. Carter droeg het land zo mogelijk nog gedemoraliseerder over aan zijn opvolger Ronald Reagan. Reagan was een Republikein en, vooral, een onwankelbare optimist. Met zijn ’It is morning in America’ slaagde hij erin het land te verlossen van zijn collectieve depressie en verdiende daarmee voor veel Amerikanen zijn plaats in de linkerkolom. Maar dat was niet alles. Dankzij Reagan kreeg Nixonland op de politieke landkaart zijn definitieve contouren. Het werd de uitvalsbasis van elke conservatieve politicus, als hij tenminste enig kans op succes wilde maken. Ook van John McCain, die zo demonstratief lak had aan de meer geborneerde standpunten van zijn partij. Tijdens de laatste presidentscampagne zag de zelfverklaarde recht-voor-zijn-raap politicus zich gedwongen de jas van Nixon aan te trekken. Hij moest eerst Sarah Palin tot running mate kiezen, voor de basis bereid was hem met iets meer dan plichtmatig enthousiasme te steunen. De prijs daarvoor was hoog. Hij moest zichzelf verloochenen en John McNixon worden, schreef het weekblad The Economist, ooit een fan, teleurgesteld.

Het is een misvatting te denken dat Nixonland met de overwinning van Obama van de kaart is geveegd. Het is er nog altijd, weliswaar gekrompen na de verliezen van vier november, maar de harde kern is nu des te harder en heeft Sarah Palin ontdekt als nieuwe vaandeldrager. De slotzinnen van Perlsteins boek luiden niet voor niets: „Hoe Nixonland eindigde? Het is nog niet geëindigd”.

George W. Bush is de, voorlopig, laatste president uit Nixonland. Terugblikkend kunnen we ons afvragen hoe het mogelijk was dat iemand zo manifest ongeschikt voor de ’moeilijkste baan ter wereld’ niet alleen gekozen, maar vier jaar later ook nog eens herkozen kon worden. Hij had nooit blijk gegeven van enig talent, of het moest zijn dat hij in zijn studententijd als geen ander the Alligator kon dansen. Zwart schaap, feestnummer, half mislukt zakenman, alcoholist die na de kater God ontdekte.

Het is de formule voor een loopbaan van twaalf ambachten en dertien ongelukken, maar die in zijn geval via de gouverneurswoning in Austin, Texas, eindigde in het Witte Huis. Nergens maakte hij grote indruk. Als gouverneur viel hij vooral op door het gemak waarmee bij doodvonnissen bekrachtigde. Het was zijn belangrijkste wapenfeit. Verder bracht hij zijn tijd voornamelijk door met hout hakken op zijn ranch in Crawford.

Zonder Karl Rove was het waarschijnlijk nooit wat geworden met Dubya. Rove was zijn belangrijkste adviseur, de kwade genius, zeggen zijn vele vijanden, die Nixonland op zijn duimpje kende. Rove smeedde de coalitie van religieuze fundamentalisten, aanhangers van minimale overheidsbemoeienis en vrije markt-fetisjisten waarvan Bush het boegbeeld werd.

Toen hij na alle verwikkelingen rond al dan niet getelde stemmen in Florida en dankzij de uitspraak van het Hooggerechtshof ten slotte president mocht worden, hielden ook vips in zijn eigen partij, met zijn vader, ex-president G.H.W. Bush, vermoedelijk voorop, hun hart vast. Nauwelijks binnenlandse en geen internationale ervaring, op andere terreinen geen staat van dienst die veel vertrouwen wekte. Het was een gok. En als dat niet openlijk werd gezegd, werd het in elk geval gedacht.

Voor veel waarnemers was het een geruststelling dat junior op vitale posten werd omringd door gerespecteerde veteranen als Dick Cheney, de vicepresident, Donald Rumsfeld als minister van defensie en Colin Powell op buitenlandse zaken. Zij zouden ongetwijfeld een oogje in het zeil houden.

Het mocht, zoals bekend, niet zo zijn. Cheney en Rumsfeld weerhielden de president niet van desastreuze avonturen, zij deden vol overtuiging mee. Powell was niet opgewassen tegen deze kongsi en verdween zodra hij de kans kreeg, na de eerste ambtsperiode van Bush. Hij zou dit jaar subtiel wraak nemen door de kandidatuur van Obama te steunen.

Over de Witte Huisjaren van Bush is inmiddels meer geschreven dan in een E-book kan worden opgeslagen. Die eindeloze reeks boeken, artikelen en commentaren vormen bij elkaar een inventarisatie van een desastreus presidentschap.

In zijn ’Zwarte Mis’, beschrijft de Britse filosoof John Gray de gevaren van utopistisch denken. Als rationele analyse plaats moet maken voor wensdenken is dat onherroepelijk een recept voor rampspoed. De oorlog in Irak was, aldus Gray, een schoolvoorbeeld van een door utopistische waanideeën gevoed avontuur. De neoconservatieve ideologen aan het hof van Bush wilden Irak niet alleen bevrijden van een tiran, maar ook ’democratie brengen’. Niet gehinderd door enige kennis van de geschiedenis en cultuur van het land en de regio stuurden ze troepen die mochten sneuvelen in de straten van Falloedja, alles om hun hersenschim te realiseren.

Het kon niet goed gaan en het ging niet goed. Irak is uiteindelijk het Waterloo van Bush’ reputatie geworden.

De oorlog in Irak is emblematisch geworden voor zijn presidentschap. Daar komen alle elementen samen die zijn tijd in het Witte Huis kenmerken. De hoogmoed, het gebrek aan realiteitszin, de ideologische verblinding, de minachting voor mensenrechten, nergens komt het zo geprononceerd tot uitdrukking als in dit voorbeeld.

Akkoord, het laatste jaar zijn er dankzij het sturen van extra troepen, de surge genoemd, successen geboekt. Irak lijkt niet meer zo’n hopeloos geval als twee, drie jaar geleden, maar om de situatie stabiel te noemen, gaat toch te ver. Er is niet zo gek veel tegenwind nodig om het hele kaartenhuis weer overhoop te blazen.

Irak is nog maar een deel van de erfenis die Barack Obama heeft aangetroffen. De opgeleefde taliban in Afghanistan dreigen alle ’vooruitgang’ in Irak weer teniet te doen. Het met kernwapens uitgeruste Pakistan balanceert al jaren op de rand van de afgrond en wordt als thuishaven van moslimterroristen een steeds grotere bedreiging voor zijn buren – en als het even tegenzit ook voor de rest van de wereld. En dan hebben we het nog niet over Rusland met zijn aspiraties weer een grootmacht te worden en China dat zijn economische macht ook graag zal vertalen in politieke macht.

Dit speelt zich af tegen de achtergrond van een economische recessie die de ernstigste crisis dreigt te worden sinds de Grote Depressie.

Er is in de naoorlogse geschiedenis geen vers gekozen president die onmiddellijk voor zo’n grote opgave is gesteld. Het is onmogelijk te voorspellen of en hoe goed Obama dit pakket uitdagingen het hoofd gaat bieden. En dan moet hij ook nog ’het onverwachte verwachten’ zoals Bush het onlangs voor zijn doen opmerkelijk trefzeker formuleerde.

Tot nog toe maakt Obama niet de indruk erg geïmponeerd te zijn door de taak die hem te wachten staat. Hij heeft een team samengesteld dat op alle fronten –- economie, buitenlandse beleid, defensie – de vereiste expertise en ervaring in huis lijkt te hebben. Maar het zijn vooral de rust en zelfverzekerdheid die hij, ’No Drama Obama’, uitstraalt, die ook sceptische waarnemers vertrouwen geven.

Hij zal het vrijwel zeker beter doen dan zijn voorganger, niet overdreven moeilijk inderdaad, en misschien zelfs zo goed dat ook bewoners van Nixonland zich uiteindelijk gewonnen zullen geven en zijn naam in de linkerkolom zal prijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden