de eeuw van Sartre

'Elk revolutionair regime moet zich ontdoen van een aantal individuen die het bedreigen en ik zie daartoe geen ander middel dan de dood. Uit de gevangenis kun je altijd ontsnappen. De revolutionairen van 1793 hebben waarschijnlijk niet genoeg gedood.' Geen denker heeft in boeken, artikelen, manifesten en petities de politieke gebeurtenissen van de twintigste eeuw zo uitvoerig van kritisch commentaar voorzien als de Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre. Geen denker ook heeft zoveel politiek-maatschappelijke invloed gehad. Maar met zijn verheerlijking van revolutionair geweld was hij volgens Hans Achterhuis maatgevend voor de gewelddadige twintigste eeuw. 'Willen we de vorige eeuw begrijpen en willen we van de fouten ervan leren, dan moeten we Sartres werk bestuderen.'

Bij het begin van de twintigste eeuw voorspelde Lenin dat het een eeuw van oorlogen en revoluties, dus van geweld zou worden. Lenin kreeg gelijk, al hielp hij daar zelf een flink handje aan mee. De terugblikken aan het eind van de eeuw logen er niet om: we sloten de bloedigste en meest gewelddadige eeuw van de wereldgeschiedenis af, een eeuw die gemarkeerd werd door twee wereldoorlogen, een aantal genocides, verschillende desastreus verlopen maatschappelijk-politieke experimenten, waaraan onder meer de namen van Stalin, Mao en Pol Pot verbonden zijn, en talloze anti-koloniale oorlogen en revoluties.

Het was ook een korte eeuw, zoals de Engelse historicus Hobsbawn heeft geconstateerd. De gewelddadige geschiedenis van de twintigste eeuw speelt zich af tussen het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 en de ondergang van het communisme, gesymboliseerd door de val van de Muur, in 1989. Volgens Fukuyama beleefden we in 1989 zelfs 'het einde van de geschiedenis'1, een these die hij later sterk nuanceerde.2 Dat 1989 het einde van een eeuw van bloedige ideologische strijd markeerde, lijdt echter geen twijfel. Net zoals de eerste jaren van de twintigste eeuw als een voortzetting van de negentiende eeuw kunnen worden beschouwd, kan het laatste decennium van de twintigste eeuw als het voorspel worden gezien van de eenentwintigste.

Tenslotte was het ook 'de eeuw van Sartre', zoals Bernard Henri Lévy betoogt in zijn gelijknamige boek3, waarin hij tracht de mede door zijn toedoen na diens dood in 1980 van zijn voetstuk gevallen filosoof deels te rehabiliteren. Geen denker heeft in boeken, artikelen, manifesten en petities de politieke gebeurtenissen van de twintigste eeuw zo uitvoerig van kritisch commentaar voorzien als Sartre. Geen denker ook heeft zoveel politiek-maatschappelijke invloed gehad. Juist als het over de gewelddadige kant van de eeuw gaat, is Sartres politieke engagement voor zeer velen maatgevend geweest. Linkse intellectuelen over de hele wereld, de derdewereldbeweging in het Westen en de anti-kolonialistische strijders zelf, fellow-travellers van het communisme en de (deels terroristische) nazaten van de revolte van de jaren zestig, zij allen hebben zich door Sartre laten inspireren in hun houding tegenover geweld.

Sartres visie op geweld, die vaak uitdraaide op een legitimatie, ja zelfs een verheerlijking van het geweld dat van de volgens hem 'goede' kant kwam, wordt door bijna niemand meer gedeeld. Daarvoor bleek hij zich vooral achteraf te vaak in 'goed' en 'verkeerd' te hebben vergist. Maar dat is juist een belangrijke reden om Sartre te kiezen voor een wijsgerige belichting van de twintigste eeuw. Juist zijn fouten en misvattingen horen bij het tijdperk. Andere denkers hadden misschien een juister en afgewogener oordeel over de politieke ontwikkelingen van hun tijd, maar hun stemmen werden niet of nauwelijks gehoord. Een voorbeeld is Hannah Arendts boekje On Violence4 dat expliciet was gericht tegen Sartres visie op geweld, maar geen aandacht kreeg. Terwijl Sartres voorwoord bij Fanons 'De verworpenen der aarde', met zijn verheerlijking van bevrijdend geweld, voor de derdewereldbeweging een soort bijbel was - het ging toen in gestencilde vorm in dikke stapels over de toonbanken van de kraampjes van de derdewereldmarkten - lag Arendts tekst in tweedehands boekwinkels te verstoffen. Dat Arendts boek nu weer aandacht krijgt, terwijl Sartres tekst toch vooral vanuit historisch oogpunt wordt bestudeerd, zegt iets over de preoccupaties van onze tijd. Maar willen we de vorige eeuw begrijpen en willen we van de fouten ervan leren, dan moeten we Sartres werk bestuderen.

Hier ga ik vooral in op Sartres denken over geweld, waarbij ik Raymond Aron en Albert Camus, twee van Sartres vrienden die juist door hun politieke oordelen tot een breuk met hem kwamen, zal opvoeren als tegenstemmen. Al snel na de Tweede Wereldoorlog ontpopte Aron zich als de consequente liberale tegenstander van Sartres filosofie. In zijn studie Deux intellectuels dans le siècle5 heeft Sirinelli de politieke gebeurtenissen van de eeuw fraai belicht aan de hand van de tegengestelde oordelen van de twee voormalige vrienden. Albert Camus heeft zich door zijn ontijdige dood in 1961 niet tot een volwaardige commentator van de eeuw kunnen ontwikkelen, maar de polemiek met Sartre over zijn boek l'Homme revolté is exemplarisch geworden. Zoals Ronald Aronson6 terecht betoogt, draaide de discussie tussen Camus en Sartre vooral om de rol van het geweld in de politieke strijd, een kwestie die ook nu nog relevant is voor het denken over hedendaags terrorisme en de bestrijding ervan.

De wereldoorlogen en de tijd ertussen

Zoals bekend, trokken in 1914 alle partijen met groot enthousiasme ten oorlog. Er heerste zelfs een soort opluchting, het leek of de lange periode van vrede alleen maar verveling, decadentie en slapheid had gebaard. De ontlading van een korte 'frische, fröhliche Krieg' zou hier een eind aan maken. Algemeen rekende men erop dat de soldaten met kerstmis weer thuis zouden zijn. Niets bleek minder waar. Er volgde een slijtageslag van vier jaar in de modder van Noord-Frankrijk waar honderdduizenden soms in luttele weken sneuvelden teneinde enkele honderden meters terreinwinst te boeken.

Deze nieuwe vorm van oorlog had een immense invloed op het Europese bewustzijn, die wel wordt vergeleken met die van de pestepidemie die ons continent in het midden van de veertiende eeuw trof. Zoals de pest de opmaat vormde voor de godsdiensttwisten die Europa eeuwenlang zouden verscheuren, zo leidde de Eerste Wereldoorlog tot een eeuw van ideologisch geladen sociale en politieke strijd. De communistische revolutie in Rusland kwam er direct uit voort, evenals het nationalisme dat na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk vooral de Balkan in zijn greep kreeg. En de harde vrede van Versailles leidde in Duitsland tot revanchegevoelens, waardoor de kiemen voor het nazisme en de Tweede Wereldoorlog werden gezaaid. In Engeland, Frankrijk en de VS leidden de verschrikkingen van WO I tot een zeker pacifisme: 'dit nooit meer'.

Sartre is, evenals Aron, in 1905 geboren. Hun generatie is beslissend gevormd door 'De Groote Oorlog', zoals de Vlamingen het zo fraai uitdrukken. Ze beleefden de oorlog, en zeker de naweeën ervan, bewust. Maar ze vormden ook, zoals Sirinelli het noemt, 'een gespaarde generatie'. De generaties boven hen waren grotendeels door de oorlog weggevaagd.

Tijdens zijn studieverblijf in Berlijn in 1932/'34, de jaren waarin het nazisme zich beslissend manifesteerde, toonde Sartre vreemd genoeg geen enkele politieke betrokkenheid. Hij was in Berlijn voorafgegaan door Aron die hem ook als opvolger had aanbevolen. Terwijl de laatste duidelijk gepolitiseerd terugkwam uit Duitsland, werd Sartre op geen enkele wijze politiek geraakt door wat er in zijn directe omgeving gebeurde. Hij las Husserl en Heidegger en legde de grondslagen voor zijn eigen versie van de existentiefilosofie. Beroemd is de anekdote over een diner waarbij Sartre naast de Franse ambassadeur in Berlijn zat. Hij had geen maatschappelijke gespreksstof en zweeg de hele avond als het graf.

Zo gezien, is het geen wonder dat de Tweede Wereldoorlog Sartre totaal overvalt. Als hij uit zijn krijgsgevangenschap terugkeert naar zijn levenslange partner Simone de Beauvoir, ontwikkelen zij in het bezette Parijs heel langzaam een maatschappelijke houding. Maar dit gaat moeizaam. Terwijl Aron al direct naar Engeland was uitgeweken en daar het vrije Frankrijk journalistiek ondersteunt, en Camus een vooraanstaande rol speelt in de verzetsgroep 'Combat', publiceert Sartre filosofie en toneelstukken onder de Duitse bezetting en houdt Simone de Beauvoir een lezingencyclus over 'de oorsprongen van de Music Hall' voor Radio Vichy, waarop tegelijkertijd de meest abjecte antisemitische propaganda wordt uitgezonden.

Na de bevrijding van Frankrijk in 1944 hebben Sartre en De Beauvoir beiden een verzetsverleden geconstrueerd. Met name De Beauvoir maakt hier in het tweede deel van haar autobiografie veel werk van.7 Helaas blijkt uit gedegen historisch onderzoek dat haar geheugen haar vaak in de steek laat, juist als het om haar eigen rol en die van Sartre gaat.8 Niet alleen uit deze directe terugblikken blijkt de preoccupatie van Sartre en De Beauvoir met de in Frankrijk steeds mythischer proporties aannemende Résistance. Ook veel van Sartres latere engagement kan in verband worden gebracht met zijn grotendeels gemiste aansluiting bij het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij wilde niet opnieuw verrast worden door de geschiedenis en projecteerde daarom de tegenstellingen uit WO II op latere situaties. Zo signaleerde hij in de Verenigde Staten al in de jaren vijftig de opkomst van 'een nieuw fascisme', reden waarom dit land op alle fronten moest worden bestreden.

Deze persoonlijke achtergrond van veel van Sartres latere politieke keuzes, verklaart ook de weerklank van zijn denken bij de generatie van de jaren zestig. Deze zag haar eigen engagement ook vaak als een soort herhaling van het verzet uit de Tweede Wereldoorlog, waarin hun ouders niet de heldhaftige rol hadden gespeeld die hun wel was toegedicht. De publieke verwerking van de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog begint pas in de jaren zestig en zeventig. Het sartriaanse radicale engagement leek een jongere generatie de mogelijkheid te bieden hun 'foute' ouders door hun eigen 'goede' verzet te corrigeren.

Camus kon niet nalaten te schamperen over Sartre die met de bevrijding in 1944 zijn leunstoel comfortabel in de richting van de geschiedenis had gedraaid. In 1944 en 1945 ontwikkelde Sartre een complete theorie over het politieke engagement, die literair tot uitdrukking komt in 'Le Sursis', het tweede deel van de romantrilogie Les Chemins de la Liberté.9 Tot in de compositie en de stijl maakt Sartre duidelijk dat het leven van zijn romanpersonages voortdurend beïnvloed wordt door de geschiedenis, door de politieke handelingen die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog overal in Europa plaatsvinden. Als mensen zich hiervan niet bewust zijn, laten ze volgens Sartre hun leven 'stelen' door de geschiedenis. Dat heeft hij zelf ook laten gebeuren, maar voortaan wil hij als geëngageerd filosoof de geschiedenis mede richting geven.

Filosofisch drukt Sartre dit engagement uit in de beroemde tekst 'Het existentialisme is een humanisme' uit 1945. (Zie kader.)

vervolg op pagina 36

vervolg van pagina 35

De individualistische vrijheid uit Sartres filosofische hoofdwerk L'Être et le Néant wordt hierin ingeruild voor een humanistische moraal van de verantwoordelijkheid. Sartre stelt met nadruk dat de individuele daad van vrijheid de hele mensheid engageert. Met mijn keuzes 'ben ik verantwoordelijk voor mijzelf en voor iedereen en schep ik een bepaald beeld van de mens waarvoor ik kies: door mijzelf te kiezen, kies ik de mens'. Sartre beseft dat het hier slechts om een zeer summier uitgewerkte ethiek gaat. De 'echte' ethiek is er ondanks alle beloftes nooit gekomen. Wij beschikken slechts over aantekeningen die na Sartres dood werden gepubliceerd.

De breuk met Camus

In zijn veelgeprezen studie Politicide besteedt Luuk van Middelaar aandacht aan de botsing tussen Camus en Sartre, waarbij hij en passant de vloer aanveegt met een opmerking van mij over het belang van deze controverse.10 Volgens Van Middelaar kunnen we hier niets uit leren voor de vraag naar de rol van geweld in de politiek. Tegenover elkaar stonden volgens hem 'een politiek van geweld' versus 'een moraal van geweldloosheid'. 'Deze extreme tegenstelling' bevestigde volgens hem 'de politieke zwakte van het existentialisme'. Volgens mij bevestigt deze lezing hoogstens de zeer oppervlakkige kennis van Van Middelaar van beide posities. Wie een expliciet tegen het existentialisme gericht boek als L'homme revolté van Camus als existentialistisch afficheert en als 'een pleidooi voor totale geweldloosheid', terwijl dit boek handelt over de grenzen van geweldgebruik, verspeelt elk recht een oordeel te vellen over deze beroemde polemiek.

De twee recente studies van Lévy en Aronson zijn meer verhelderend. Lévy suggereert dat in de 'affaire Camus' de veelvuldige politiek-filosofische botsingen van Sartre zich samenballen. Misschien was Camus de enige echte vriend die de 'vrouwenman' Sartre ooit had. Jaren na de dood van Camus, in een zelfportret op zijn zeventigste verjaardag, erkende Sartre dat ook: 'Camus is waarschijnlijk de laatste die een goede vriend is geweest.'

De breuk tussen beiden kan alleen verklaard worden uit het inhoudelijke belang van beider posities. Vandaar dat Sartre in zijn artikel tegen Camus tot de bodem gaat en dat vroegere en latere breuken, met Aron en Merleau-Ponty, hier sterk doorklinken. Vandaar ook dat Sartre zijn hele leven geobsedeerd bleef door de positie en argumenten van Camus. Lévy heeft gelijk dat Sartre, toen hij in zijn laatste levensjaar op het Elysée pleitte voor steun aan de Vietnamese bootvluchtelingen en Aron tegen het lijf liep, die de blinde en zieke Sartre opving, hij eerder 'de geestesverschijning van Camus' dan de levende Aron naast zich zal hebben gevoeld.

De posities van Sartre en Camus gaan ons nog steeds aan. Daarom een beknopte samenvatting. Allereerst de context. Na de bevrijding van de nazi's raakt de wereld steeds meer verdeeld in een Amerikaans kamp en een Sovjet-blok. Aan beide kanten klinkt de bekende leus dat wie niet voor ons is, als tegenstander wordt beschouwd. Er moet gekozen worden. Goed staat tegenover kwaad, neutraliteit en distantie lijken onmogelijk. In deze situatie schuift Sartre steeds meer op naar het communisme dat in Frankrijk een grote arbeidersaanhang heeft. Het doel van een communistische heilstaat vormt voor hem een beslissend verschil met de kapitalistische hel met zijn uitbuiting en onderdrukking. Dit doel wordt voor hem nauwelijks aangetast als steeds meer bekend wordt over het bestaan van concentratiekampen in de Sovjet-Unie. Kan men nog van communisme spreken als 'één op de twintig burgers in een kamp is opgesloten'? Het uiteindelijke antwoord van Sartre is 'ja'. Het beoogde einddoel heiligt de middelen. Sartre is expliciet in zijn zwart-wit keuze: 'Iedere anti-communist is een hond' schrijft hij in zijn artikel 'Les communistes et la paix' uit 1952.

Ook Camus kan zich niet aan de Koude Oorlog onttrekken. Maar anders dan Sartre blijft hij wanhopig naar een derde weg zoeken, probeert hij een eigen positie te creëren. Hij situeert zich daarbij aan de linkerzijde van het politieke spectrum en legt verbindingen met het niet-communistische socialisme. En in lijnrechte tegenstelling tot Sartre evolueert hij naar een sterk anti-communisme. Camus blijft in opstand komen tegen onrecht, maar hij zoekt in deze revolte voortdurend naar de grenzen, de maat van het geweld. Een imaginair en ver verwijderd einddoel kan voor hem het gebruik van totalitair en terroristisch geweld op geen enkele wijze rechtvaardigen.

Alles draait hier om de rol van het geweld. Zijn er helemaal geen grenzen aan het gebruik van revolutionair, bevrijdend geweld, zoals Sartre vaak suggereert? De volgende uitspraak is typerend voor hem: 'Elk revolutionair regime moet zich ontdoen van een aantal individuen die het bedreigen en ik zie daartoe geen ander middel dan de dood. Uit de gevangenis kun je altijd ontsnappen. De revolutionairen van 1793 hebben waarschijnlijk niet genoeg gedood.'11 Voor alle andere mislukte revoluties geldt dit volgens Sartre ongetwijfeld ook. De terreur had sterker en massaler moeten zijn om het hoge einddoel te kunnen bereiken.

Het is voor elke serieuze beschouwer niet moeilijk om Camus achteraf gelijk te geven in deze polemiek. In de context van de Koude Oorlog was dit echter allerminst het geval. Sartre werd veelal als de overwinnaar in het debat gezien, zijn standpunt werd nagevolgd in ideologieën en theologieën van de revolutie. Camus stond zeker niet volstrekt alleen, maar hij bekleedde wel een ongemakkelijke positie binnen de linkse intelligentsia. Dat had ook te maken met nieuwe politieke ontwikkelingen waartegenover Sartre zijn houding overtuigender bepaalde en waarbij een zwakheid van Camus' stellingname aan het licht trad.

De vrijheidsstrijd van de derde wereld

Na de Tweede Wereldoorlog begon de afbraak van het Europese kolonialisme. In de tweede helft van de jaren vijftig lag het brandpunt van de anti-kolonialistische strijd in Algerije. Hier hadden zich meer dan een miljoen Franse kolonisten gevestigd, waardoor het minder gemakkelijk kon worden opgegeven door Frankrijk dan de buurlanden Marokko en Tunesië. In de krachtmeting tussen het Algerijnse Bevrijdingsfront en het Franse koloniale bewind, die tot in de jaren zestig duurde, werd door beide zijden uiterst gewelddadig opgetreden. Terreuraanslagen op willekeurige plekken, in bussen en op markten, stonden tegenover grootscheepse met martelingen gepaard gaande militaire zuiveringsoperaties. In de laatste fase kwamen daar de terreuraanslagen van de OAS (Organisation de l'Armée Secrète), waarin het rechtse Franse verzet tegen de regering in Parijs gestalte kreeg, nog bij. Ook Parijs kreeg toen het aanzien van een belegerde stad. Pas na een mislukte aanslag op De Gaulle ebde het geweld in Frankrijk langzaam weg. In Algerije zelf vernielden de Fransen systematisch alle infrastructuur voordat er een massale repatriatie plaatsvond.

Camus was uit Algerije afkomstig. Zijn moeder en familie woonden er nog en hij voelde zich nauw met het land verbonden. Als journalist had hij zich al vroeg tegen de uitwassen van het Franse kolonialisme verzet. Toen de strijd in Algerije losbarstte, probeerde hij zich aanvankelijk tussen beide partijen op te stellen. Hij pleitte voor een rechtvaardige oplossing, die voor hem gestalte kreeg in de opname van Algerije als overzees departement in de Franse natie. Daarnaast trachtte hij de dialoog tussen Fransen en Algerijnen levend te houden.

Net als in de Koude Oorlog werd dit hem ook in de gepolariseerde situatie van een anti-kolonialistische bevrijdingsstrijd niet in dank afgenomen. Zijn bemiddelingspogingen mislukten, hij verklaarde verder zijn mond te houden over de Algerijnse kwestie. Dit zwijgen doorbrak hij alleen in 1957, toen hij tijdens zijn rede bij de uitreiking van de Nobelprijs door een Algerijn voortdurend werd geïnterrumpeerd. Zijn antwoord: 'Ik heb altijd alle terreur veroordeeld. Ik veroordeel daarom nu ook het blinde terrorisme dat in de straten van Algiers plaatsvindt en dat bijvoorbeeld mijn moeder of familie zou kunnen treffen. Ik geloof in rechtvaardigheid, maar ik zal mijn moeder verdedigen vóór de rechtvaardigheid.'

Deze uitspraak is beroemd door Camus' consequente afwijzing van elke terreurdaad en berucht door wat Camus weigerde te zeggen. Hij veroordeelde de uitwassen van het koloniale bewind, maar heeft de fundamentele onrechtvaardigheid van het systeem zelf nooit aan de kaak gesteld. Wat hij voor de Sovjet-Unie en het communisme deed, weigerde hij voor Algerije en het kolonialisme te doen. Sartre deed dit wel. In een aantal beroemde artikelen analyseerde hij de uitbuiting en onderdrukking die het koloniale systeem met zich meebracht.12 Het begrip 'structureel' of 'institutioneel' geweld doortrekt deze artikelen. Onafhankelijk van al dan niet goede bedoelingen creëerde het kolonialisme systemen die de getroffenen alleen als onrechtvaardig en vaak onmenselijk konden ervaren. Verzet ertegen was daarom volgens Sartre een vereiste.

Met deze stellingname stond Sartre, net als Camus eerder, vrij alleen. Hier was hij een voortrekker wiens stem pas later, bijvoorbeeld in het verzet tegen de Vietnam-oorlog, breed gehoord werd. Hier stak hij ook zijn nek uit in plaats van vanuit een intellectuele leunstoel de wereldpolitiek te beoordelen. De OAS pleegde verschillende aanslagen op hem, waarbij ironisch genoeg zijn moeder die in zijn appartement woonde, ternauwernood aan de dood ontsnapte.

Als bij Sartres positie toch veel vraagtekens moeten worden gezet, dan niet door zijn fundamentele keuze, maar door de manier waarop hij er gestalte aan gaf en die later veel navolging vond. In het voorwoord bij Fanons 'De verworpenen der aarde' schetst Sartre het geweld van de bevrijdingsstrijd niet alleen maar als instrumenteel. Hij tekent het als een noodzakelijk emancipatoir element, verheerlijkt het uitbundig. Het meest sprekende citaat is bekend: 'Een blanke neerschieten betekent twee vliegen in één klap slaan. Het is tegelijkertijd een eind maken aan het bestaan van een onderdrukker en een onderdrukte. Over blijven een dode en een vrij mens.'

Ook maatgevend voor de linkse beweging werd Sartres inschatting van de nieuwe naties die zich na de bevrijding van het kolonialisme vormden. Nadat de beloften van een gerealiseerd socialisme in Oost-Europa, vooral na de Russische inval in Praag in 1968, meer en meer verwaterden, werd de heilsstaat vooral in derdewereldsamenlevingen gezocht. Cuba, China, Vietnam en Cambodja werden de nieuwe utopieën voor de linkse beweging. Sartre ging hierin voor met lofzangen op Castro en Guevara, verheerlijking van het maoïsme, ook in de Europese context, en odes aan de communistische vrijheidsvechters van Vietnam. Elke kritiek op de verschrikkelijke praktijken waarmee deze socialistische revoluties gepaard gingen, werd afgewezen. Ook hier ging het weer om een absolute keuze, vóór of tegen. Wie aan de kritische vragen van dissidenten gehoor gaf, speelde de tegenstander in de kaart.

Naar het einde van de eeuw

In het laatste kwart van de twintigste eeuw werd het echter steeds moeilijker de ogen te sluiten voor het grove onrecht en de genociden die in de communistische heilstaten plaatsvonden. Sartre brak met Castro, toen in Cuba kritische schrijvers op grond van absurde beschuldigingen achter de tralies verdwenen, wat in ons land door Harry Mulisch met Sartriaans klinkende argumenten nog verdedigd werd.13

De tegenspraak tussen de gedroomde socialistische heilstaat en de harde werkelijkheid van de onleefbaarheid, kwam scherp aan het licht bij de Vietnamese bootvluchtelingen. Na het vertrek van de Amerikanen uit Zuid-Vietnam, namen de Noord-Vietnamezen hier de macht over. Kort daarna begon een massale uittocht. Op wrakke bootjes waagden velen hun leven om aan de socialistische dictatuur te ontsnappen. Het Westen bekommerde zich aanvankelijk nauwelijks om hun lot. Pas na krachtige humanitaire protesten werd aan een aantal van hen asiel verleend. Op dit punt vond in 1979 één van de laatste publieke manifestaties van Sartre plaats, waar ik al naar verwees. Als hij een petitie afgeeft op het Elysée, staat hij daar plotseling naast zijn oude studievriend Raymond Aron. De foto gaat de hele wereld over. Ze werd symbolisch voor het ongelijk van al Sartres vroegere standpunten en voor het gelijk dat de liberale Aron nu kreeg en eigenlijk altijd al gehad zou hebben. De alternatieven die Sartre steeds voor het kapitalisme en de parlementaire democratie had gezocht, bleken alle gefaald te hebben. De korte twintigste eeuw begon ten einde te lopen.

Het afscheid van die eeuw is vooral voltrokken door Fukuyama's The End of History. De these van deze bestseller uit de jaren negentig wordt vaak nog nauwelijks verstaan. Fukuyama suggereert nergens dat de geschiedenis met zijn oorlogen en machtstegenstellingen is afgelopen. Wel meent hij dat aan de ideologische strijd van ideeën over de organisatie van staat en economie een definitief einde is gekomen. De parlementaire democratie en de kapitalistische marktordening hebben gezegevierd, het communisme heeft, na het nazisme, als geloofwaardig alternatief afgedaan.

Dat deze overwinning voor iedereen overtuigend is, valt overigens nog te bezien. Het einde van de geschiedenis blijkt vooral het einde van de geschiedenis van het Westen te zijn, de korte twintigste eeuw blijkt getekend door een felle strijd tussen westers geïnspireerde ideologieën. Zeven jaar na Fukuyama's studie verscheen een andere bestseller, The Clash of Civilizations van Samuel Huntington, waarvan de Nederlandse ondertitel veelzeggend is: 'Cultuur en conflict in de 21ste eeuw'.14 Huntingtons these luidt dat tegenover de westerse beschaving zich andere grote Aziatische en islamitische culturele blokken bevinden, die andere antwoorden op de fundamentele maatschappelijke vragen van politieke en economische ordening geven. Ook Huntington is vaak misverstaan. Hij zou ons een wereldorde schilderen waarin conflicten tussen beschavingen zo goed als onvermijdelijk zijn. Dit doet geen recht aan zijn positie. Net als Fukuyama schetst hij het einde van de door het Westen bepaalde twintigste eeuw. Hij opent ons bovendien het uitzicht op de eenentwintigste eeuw als een tijdperk waarvan we niet zonder meer mogen aannemen dat het westerse antwoord op de grote politieke en economische ordeningsvragen het laatste woord zal zijn.

Sartre en het geweld: de waanzin van de eeuw

Het derde deel van Lévy's monumentale studie, 'De waanzin van een tijdperk', is een poging om de politiek-filosofische posities van de Sartre van na 1945 te begrijpen en daardoor ook deels te rechtvaardigen. Hoe verklaart Lévy dat een libertaire, antifascistische en pessimistische filosoof verandert in een totalitaire, communistische en optimistische denker die gelooft in historische wetmatigheden die ons naar een betere wereld zullen leiden?

Voordat ik zijn argumentatie de revue laat passeren, wil ik eerst een fundamentele zwakte in het geheel ervan aanwijzen. Lévy maakt vaak een absoluut onderscheid tussen twee Sartres, de 'eerste en de 'tweede', die hij soms als de 'goede' en de 'slechte' Sartre opvoert. Tussen beide Sartres bestaat volgens hem geen brug, er is sprake van een volstrekte breuk. Deze tweedeling valt voor een belangrijk deel samen met die tussen de jonge en de oude Sartre. Ze leidt tot vreemde tekstinterpretaties. Zo zingt Lévy in het begin van zijn boek de lof van de tekst Qu'est-ce que la littérature?15, waarin het begrip 'engagement' nog niet de moralistische lading van politieke correctheid zou hebben, die het later voor Sartre en de linkse beweging kreeg. De verwijzingen die Lévy geeft, lijken overtuigend. Maar uit andere verwijzingen blijkt dat 'de slechte Sartre' toch ook al in deze tekst aanwezig is. De oproep aan schrijvers om zich politiek te engageren, doortrekt delen van de tekst. Wat zegt dit over het aanvankelijke loflied van Lévy? Berust die niet op een welbewuste eenzijdige tekstlezing? Kan men in teksten zo simpel goed en slecht scheiden en elk afzonderlijk bespreken? Gaat Lévy met teksten van Sartre niet net zo om als met zijn biografie door de eerste en de tweede Sartre steeds zonder enige verbinding te schetsen? Kan men zo een tekst begrijpen, laat staan een leven?

Maar als we even met Lévy's constructie meegaan, wat zijn dan zijn antwoorden op de vraag naar het falen van de tweede Sartre, dat ook het falen van links in de tweede eeuwhelft symboliseert? Van de vier antwoorden die Lévy geeft, kunnen er twee snel worden afgedaan. Het eerste draait om het excuus van 'de situatie', de politieke context van bijvoorbeeld de Koude Oorlog en de Algerijnse bevrijdingsstrijd. Latere generaties zouden zich niet meer in deze gepolariseerde tijden kunnen verplaatsen met hun harde oordelen over Sartres foute politieke keuzen. Lévy vergeet hierbij dat Sartre niet passief in deze 'situatie' was, maar dat hij die juist actief vorm gaf, er als voorganger van velen stelling in nam. Bovendien zagen andere intellectuelen - Camus, Aron, Orwell - de gevaren van het totalitarisme beter in dan Sartre. Situatie en tijdgeest vormen dus geen verklaring, laat staan een excuus.

Het tweede antwoord van Lévy is psychologisch-biografisch van aard. Sartre zou in zijn gevangenschap in de Tweede Wereldoorlog getroffen zijn door de saamhorigheid met zijn kampgenoten. Dit zou een radicale bekering van zijn individualisme hebben ingehouden, die een zoektocht inleidde naar nieuwe vormen van solidariteit en collectivisme. Hoe waar ze ook mag zijn, deze psychologische verklaring geeft ons geen enkel antwoord op de vraag waarom zijn tijdgenoten Sartres posities zo snel omarmden, waarom hij vaak zoals Lévy het uitdrukt 'samenviel met zijn eeuw'. De eerder genoemde psychologische verklaring over Sartres grotendeels gemiste relatie tot het Franse verzet, lijkt mij adequater. Ze spoort in elk geval met motieven die volop in de tijdgeest aanwezig waren. Lévy heeft echter in een eerder hoofdstuk deze verklaring van tafel geveegd door Sartre als verzetsstrijder te rehabiliteren, wat niet overtuigt, omdat hij niet alle feiten bespreekt.

De derde en vierde verklaring van Lévy zijn van filosofische aard. De derde verklaring sluit verrassend aan bij Fukuyama's these. Sartre zou uiteindelijk gezwicht zijn voor het standpunt dat de geschiedenis van de filosofie was beëindigd door de overwinning van de ideeën van het communisme. Sartre schreef na de Critique de la raison dialectique16, die vreemde filosofische verdediging van het ongerichte geweld van de 'groep in wording' waarin het individu zich totaal verliest, geen enkele filosofische tekst meer. Hij stortte zich totaal in de politiek. Het denken was ten einde, de daad was overgebleven. De filosoof veranderde in een activist die, zoals Lévy laat zien, met zijn omhelzing van totalitaire experimenten op pijnlijke wijze meestal de verkeerde politieke keuzen maakte.

De vierde verklaring sluit hierbij aan, maar is nog intrigerender. Ze berust op een fascinerende interpretatie van Sartres autobiografie Les mots17 als een aanklacht tegen en een afscheid van de literatuur. Die zou de wereld op machteloze wijze alleen maar verdubbelen en verfraaien. Sartre zou hebben ingezien dat zijn jeugddroom om via de literatuur greep te krijgen op de werkelijkheid, een illusie was. Hij zou de literatuur hebben willen begraven om eindelijk in 'het volle leven' te participeren. Dat laatste was de politieke strijd. Ook deze verklaring is plausibel. Na Les mots heeft Sartre geen literaire fictie meer geschreven.

Hoe aannemelijk ook, de laatste twee verklaringen van Lévy zeggen weinig over de inhoud van Sartres stellingname die Lévy zelf als 'een échec' omschrijft. Hoe deze te begrijpen? Ik waag tot slot een korte voorzet. Elke aannemelijke verklaring zal de hele Sartre als uitgangspunt moeten nemen, zal een brug moeten slaan tussen het denken van de eerste en de tweede Sartre, tussen de filosoof van de absolute vrijheid en die van de onderworpenheid aan de collectiviteit. Het is meer dan toevallig dat Sartre zijn 'ethiek' niet kon schrijven. Zijn existentialistische vrijheidsfilosofie maakte een morele opstelling, waarin de ander niet alleen als een bedreiging van mijn vrijheid verschijnt, zo goed als onmogelijk. Moest de druk van deze immense verantwoordelijkheid van het eenzame individu, die Sartre onder andere in Het existentialisme is een humanisme schetst, niet de verleiding oproepen om ervoor te vluchten in de collectiviteit?

Hier ligt in elk geval de verklaring die Camus geeft. Elke nieuwe studie over Sartre zou er goed aan doen de verborgen dialoog tussen Camus en Sartre, die Aronson schetst, te hernemen om Sartres positie te begrijpen. Met name het volgens Sartre 'mooiste maar meest onbegrepen werk' van Camus, De val, zou hiervoor veel materiaal kunnen leveren. De hoofdpersoon, Jean Baptiste Clamence, biedt een vlijmscherp psychologisch portret van de linkse intellectueel uit de vorige eeuw, waarvoor Sartre grotendeels (maar ook Camus zelf) model heeft gestaan: 'Vroeger betekende vrijheid voor mij niets anders dan een woord dat ik te pas en te onpas in de mond nam. Bij het ontbij

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden