De eerste letters

De 45ste Kinderboekenweek (tot 16 oktober), staat in het teken van verhalen over school. 'Van @penstaartje tot apenkooi' luidt het motto. Net als bij ieder ander kind begon bij de Vlaamse jeugdboekenschrijver Bart Moeyaert (9 juni 1964) het lezen op school bij de letter a. Meester Hugo deed het voor: 'Aaaahahaap. Aap'. Hij groeide op in een gezin van zeven kinderen - allemaal jongens. Als kind tekende, las en schreef hij graag, maar net zo graag bouwde hij hutten, waarin hij dan weer ging zitten om te tekenen, te lezen of te schrijven. Op zijn veertiende begon hij aan zijn eerste jeugdroman, 'Duet met valse noten', het boek waarmee hij in 1983 debuteerde. Tien jaar later heeft hij van het schrijven zijn beroep gemaakt. Bart Moeyaerts roman 'Blote handen' werd bekroond met de Boekenleeuw en een Zilveren Griffel, en kreeg vorig jaar de Vlaamse Cultuurprijs voor Jeugdliteratuur en de Duitse Jugendliteraturpreis. Zijn boeken zijn in twaalf talen vertaald. De laatste boektitels van Moeyaert luiden 'Wespennest', 'Grote oma's' en 'Het is de liefde die wij niet begrijpen', dat vorige week verscheen.

Mijn meester Hugo kwam met een zak appels naar school. Hij pakte één appel, en zei: 'Dit is een appel,' en toen pakte hij nog een appel, en zei: 'Dit is nog een appel.' Eerst dacht ik nog dat hij een grap maakte, omdat zijn ogen zo glansden, maar hij barstte niet in lachen uit, ook niet toen hij de twee appels omhoogstak en zei: 'En dit zijn twee appels.'

Meester Hugo was gek op rekenen, maar ik had er vanaf het begin een hekel aan. Een appel plus een appel bleven altijd twee appels, het werden er nooit eens twee en een half om het spannend te maken, ze werden nooit eens opgegeten door iets hongerigs, ze verdwenen niet in een pot appelmoes, kortom, van één plus één droogde mijn fantasie in twee tellen op.

Helemaal anders ging het, als meester Hugo met taal begon. Daar deed hij stukken minder vrolijk over - blijkbaar vond hij dat niet zo'n prettig vak - maar ik vond het juist prachtig, want dan kreeg je een eigen schrift. In het schrift stonden tekeningen, gedrukt met paarse inkt die stonk. Ik vond dat de inkt lekker stonk. Als je een bladzijde opensloeg, dan zag je een vijver vol eenden. Een boom vol uilen. Een zee vol boten. Alleen moest elke tekening nog afgemaakt worden. Dan zei meester Hugo: 'Geef ogen aan die eenden. Geef veren aan die uilen. Teken golven onder die boten.'

Prachtig vond ik dat. Ik mocht in de klas zitten tekenen, zoals ik als kleuter altijd had zitten tekenen in de keuken van mijn moeder. 'Dit is geen tekenen', zei meester Hugo. 'Dit is schrijven', en toen het hele schrift was volgetekend - nee - volgeschreven, klapte meester Hugo het zijne dicht, gooide het opzij, liep naar zijn bord, schoof het op zijn plek, en tekende een heel groot oog van een heel grote eend.

Hij gaf het oog een staart, en zei: 'Dit is een a. Die lees je ook zo: a. Doe eens na.' Dat deed de klas. 'Goed', zei hij, en daarna tekende hij nog een oog van een eend, gaf dat weer een staart en zei: 'Dit is nog een a. Dat kun je zien. Ze zijn precies hetzelfde. A. Doe eens na.' Dat deden we. 'Goed,' zei meester Hugo, en toen maakte hij de twee a's aan elkaar vast en zei: 'Dit is een lange a. Dat is logisch, want er staan er twee. Die lees je dubbel zo lang. Die lees je ongeveer als: aaahahaa. Doe eens na.' Ook dat deden we als papegaaien. 'Goed,' zei hij, en daarna tekende hij een grote stok met een wimpel eraan vast en hij zei: 'Dit is een p, en daar staat nu toevallig wel een woord. Aaaahahaap. Aap.'

Aap!

Ik vond het een wonder. Je maakte een tekening die helemaal niet op een aap leek, je las het woord - aap - en je zag een aap, en je mocht zelf kiezen wat voor aap je zag. Een chimpansee. Een gorilla. Meester Hugo.

Met een aap is het begonnen, goed begonnen, met een tekening die niet eens een tekening was. Na de letter a en de letter p leerde ik de rest van het alfabet, waardoor ik hele boeken kon gaan lezen, die bij ons in een kist op zolder lagen. Het maakte me niet uit dat het oude boeken waren. Ik dacht zelfs niet over het niveau van dat leesvoer na. Pietje Puk, Pietje Bell, de Kameleon, de Cherry's, het waren boeken van mijn zes oudere broers, en dat was de enige en overbodige informatie die ik had. Ik was met woorden bezig, ik ontleedde letter voor letter wat er op de pagina stond, onderstreepte elk woord dat ik wist te ontcijferen. Zo heb ik nog altijd het illuster onbekende Pietertje Broms Jeugdjaren in de kast zitten, waarvan ik de eerste volgestreepte bladzijde kan laten zien, maar ook de tekeningen, die bij mij heel heldere herinneringen oproepen.

Een tijdje heb ik boeken als een soort van papieren school aangezien, denk ik, want veel tekeningen uit Pietertje Broms Jeugdjaren heb ik in het echt nagespeeld, alsof ze voor mij een spiegel van de wereld waren. Als Pietertje op een tekening boven een sloot hing en kikkers ving, dan deed ik dat een uur later na, in het echt, al ving ik niks. In de tijd dat ik stapels boeken verslond, en Pippi Langkous mijn extra juf was, ging ik met plezier naar school. Tot mijn twaalfde stond niets mijn gedagdroom in de weg. Een kind met fantasie werd leuk gevonden, en dus leerde ik goed.

Op de middelbare school ging het fout, en wel vanaf de eerste dag. Om te beginnen was je kindertijd voorbij, zoveel was duidelijk, en fantasie werd ineens alleen tijdens de les 'Esthetica' als een kwaliteit gezien. Ik zat op een streng college, waar ik voor Grieks en Latijn had gekozen omdat het - hoera! - talen waren, maar ik kwijnde weg als een slak waar je zout op legt.

Mijn afkeer van één appel plus één appel kwam me duur te staan. Ik bakte niks van de vakken wiskunde en scheikunde, kreeg een hekel aan het dwingende puntensysteem op school, en had op den duur ook het gevoel dat taal alleen voor doetjes was. Wie kon tellen, die was pas een man. Mijn rapport werd zienderogen slechter, mijn faalangst groeide evenredig. Ik stortte me op de schoolkrant en het schooltoneel, en was daardoor misschien minder vaak alleen, maar daarom niet minder eenzaam.

Uit het boek Faalangst van Peter Langedijk heb ik later onthouden dat wie last heeft van faalangst, in een neerwaartse spiraal terechtkomt van steeds meer faalangst en een steeds groter gevoel van eenzaamheid. In mijn geval was dat niet anders. Aan mijn buitenkant kon je zien dat ik aan de binnenkant een ongelukkige puber was, en dan had je nog maar een vermoeden van mijn innerlijke chaos en ellende.

Ik trok me als veertienjarige vaak in mezelf terug, of op mijn kamer, en begon meer dan vroeger te lezen, dan voelde ik me minder alleen. Als je al een beetje het schrijven in je bloed hebt, is dat een goede zaak. Door veel te lezen, begon ik het onderscheid te zien tussen Nina Bawden en Enid Blyton, Els Pelgrom of Jan Terlouw.

Omdat er een grote verscheidenheid aan boeken door mijn handen ging, kwam ik ook bij een triviaal boek terecht dat ik nooit meer heb teruggevonden. Ik herinner me alleen dat ook dat boek weer een les voor mijn leven was: in een avonturenverhaal hield een jongen een logboek bij op het schip waarmee hij om de wereld reisde.

Ik had geen boot, ik kon geen kant op, maar een mooi schrift kopen en een dagboek beginnen lag wel binnen de mogelijkheden. De treurnis en het zelfmedelijden dropen soms van de bladzijden, maar mijn dagboek bood me troost en hield de schrijver in me gaande, want net als vroeger fantaseerde ik over mijn leven: hoe alles er beter kon uitzien dan in het echt.

Het voordeel van ellende is dat je er iets mee kunt doen. Op basis van mijn dagboek en mijn gefantaseerde vriendinnetje uit die tijd is mijn eerste boek ontstaan. Mijn debuut, Duet met valse noten, geschreven tussen mijn veertiende en mijn zestiende, verscheen toen ik negentien was. Ik gloeide van geluk, want ik werd de schrijver die ik altijd had willen zijn. Tegelijk stond ik ook stijf van angst, de faalangst die ik op school had 'geleerd'.

Het boek werd een geluk bij een ongeluk. Terwijl Duet met valse noten aan een lang leven begon en mij in de richting van mijn gedroomde toekomst duwde, ging het op school helemaal scheef, de school die ik eerst nog moest afmaken voor ik aan mijn toekomst mocht beginnen. Na een rapport dat nog nooit zo rood was geweest, werd mijn toekomst nog met een jaartje uitgesteld. Ik moest blijven zitten.

Nu ben ik blij met mijn verleden, laat ik daarover duidelijk zijn. Het voordeel van ellende blijft dat je er iets mee kunt doen. Onlangs, bij het verschijnen van mijn boek 'Het is de liefde die we niet begrijpen', kreeg ik een vraag over het einde van het boek, waarin de oudste zus om zich heen kijkt, de warme avond aanwijst en zegt dat alles erger kan. Ik betrapte mezelf er weer op dat mijn personages vaak dingen zeggen die ik zelf al jaren denk. Alles kan erger, en ellende heeft zijn voordelen. En het fijne is dat het er dan in letters staat, en ik me geen zorgen hoef te maken over cijfers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden