De eerste drinker

Schrijver Stephan Sanders snapt als geen ander dat Noach het na de zondvloed op een drinken zette. „Ik hou er veel van, iets te veel. Het kost mij grote moeite me tot een gezellig glaasje te beperken. Ben ik op dreef, dan wil ik wel een zee van wijn, een zondvloed aan wijn.”

In de bundel ’Het Kampse lied’ van de Vrije Jeugdkampkerken, waar de vrijzinnige jeugd zich bekwaamde en vermaakte, staat een veelzeggende tekst. Het gaat over Noach, de man die een verbond sloot met God, en die de zondvloed overleefde. Noah found grace in the eyes of the Lord and he landed high and dry.

Mazzeltov, zou ik zeggen. Hij had de hele zondvloed over zich heen gehad, maar hij, zijn vrouw, zijn kinderen en de reine dieren, van elk een mannetje en een wijfje, waren uitverkoren om deze kolkende, alles verslinde watermassa te weerstaan. Want Noach vond genade in de ogen van de Here. En hij kwam ook nog hoog en droog op zijn pootjes terecht – high and dry.

Ik moet bekennen dat ik buitengewoon veel ambivalentie voel bij deze man. Het is nogal wat om uitverkoren te worden door de Here, vooral als je beseft hoeveel er niet werd uitverkoren en reddeloos verloren ging: de dieren van het veld, de vogelen der hemelen, de mensen op aarde en bijna de aarde zelf. In deze Noach zie je de eerste aanwijzing van de predestinatie, de calvinistische leer die erop neerkomt dat weinigen zijn uitverkoren, en dat wij stervelingen lekker niet weten wie dat zijn, en waarom.

Ik heb het niet zo op die leer. Ik heb het ook niet zo op de uitverkorenen. Het is niet eerlijk – waarom zij wel, en al die anderen niet?

Ik kan leven met pech, met domme pech, maar ik heb het moeilijk met het idee dat er een plan achter die uitverkiezing zit. Of een bedoeling achter het massale lijden. Dat iemand het zo bewust gewild en geregisseerd heeft.

Daarmee hebben we niet alleen een uitverkorene te pakken maar ook een Dader. Die wordt Adonai genoemd, de Here.

Ik wil u niet de kritiek onthouden van Anton Koolhaas, die in 1970 een toneelstuk schreef over Noach, de zondvloed, de ark en Noachs lijfsbehoud. In die typische jarenzeventigsfeer van Popie Jopie en Jezus is best een toffe peer weet je wel, laat hij Jiska aan het woord, de vrouw van Cham – Noachs jongste zoon die meegaat in de ark. Wat zegt deze vrouw, die zo lijkt weggelopen uit de Amsterdamse afdeling van de Rooie Vrouwen? Cham, ik ga niet als een jarig Jetje op die schuit met Gods elite zitten, terwijl alles en iedereen van wie ik houd verzuipt. Jouw God wil blijkbaar tranen, goed, daar mogen jouw vader Noach en de zijnen dan op drijven. Maar eh.mij niet gezien.” Terzijde: ik denk dat Jiska ook nog in de leer is geweest bij wethouder Jan Schaefer (’In gelul kun je niet wonen’).

Hoe onbeholpen en populair verwoord ook, deze Jiska laat wel zien hoeveel moeite wij hebben met de oudtestamentische, wraakzuchtige God, die in een handomdraai alles en iedereen vernietigt. Alles wat Hij zelve eerst geschapen heeft. Het doet denken aan een peuter die eerst een blokkentoren bouwt en dan, als hij zich verveelt, de hele boel maar eens omdondert. Terwijl deze Adonai geen peuter was, en niet met blokken speelde, maar met het leven zelf: mensen, dieren, vogels.

Niet zo’n erg jofele gast – om het nog maar eens tijdgebonden te formuleren.

En toch heeft deze oudtestamentische God, die humeurig is en grillig en bij tijd en wijle volkomen onuitstaanbaar, ook mijn warme belangstelling. Waarom? Omdat niets menselijks hem vreemd is. Omdat hij nog bezig is de God te worden die wij zo graag in hem willen zien. Omdat hij nog in zijn rol moet groeien, zo in Genesis. Hij plaatst ons daarbij voor zoveel raadselen dat wij geneigd zijn aan ADHD te denken en de ritalin bij de hand willen houden. Deze God van den beginne is nog niet helemaal af. En het onaffe heeft mijn warme belangstelling – al was het maar om mijzelf in bescherming te nemen.

Maar het verhaal van Noach heeft ook een sympathieke kant.

Hij redt zijn hachje – dat snap ik. En als hij dan hoog en droog op die berg is geland, is het eerste wat hij doet een wijngaard aanleggen. Dat snap ik nog beter.

En als de eerste oogst daar is, dan zet Noach het op een zuipen – er is geen ander woord voor. Dat snap ik als de beste. Wijn is in het Hebreeuws jajem, en het is niet verboden zoals in de islam. Er zijn genoeg voorbeelden in het Oude en Nieuwe Testament te vinden waar de wijn rijkelijk vloeit, zonder dat het de toorn des Heren opwekt.

In Genesis staat: „En Noach werd een landman en plantte een wijngaard. Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en hij ontblootte zich in zijn tent.”

Nu ben ik helemaal bij de les. Ik heb weleens geschreven over mijn problematische verhouding met alcohol, en dan vooral met wijn. Ik hou er veel van, iets te veel. Het kost mij grote moeite mij tot een gezellig glaasje te beperken. Ben ik op dreef, dan wil ik wel een zee van wijn, een zondvloed aan wijn. Wijn geeft troost, maar neemt je ook mee naar een andere dimensie – een dimensie die ik ’illusieloos’ zou willen noemen. Je ziet de mensen en de dingen om je heen zonder een waas van troost of conventie. Je ziet ze voor wat ze zijn, jezelf incluis – en het levert geen fraai beeld op.

Er valt veel over alcoholmisbruik te zeggen. Ik denk dat het juist de sensitieven onder ons zijn die gemakkelijk bezwijken voor het teveel, voor het mateloze, tomeloze drinken. Dit is geen zelfrechtvaardiging, en al helemaal geen verkapte zelffelicitatie.

Ik heb in het verleden gulzig gedronken– en ik ben daar niet trots op. Er is veel kapot of bijna kapot gemaakt door de kortstondige roes, die even verlichting leek te bieden. Want verlichting van wat? Verlichting van het bewustzijn, van de eigen keuze, van de eigen verantwoordelijkheid. Van de vrijheid ook, die wezenlijk is, maar die je ook reddeloos en redeloos kan maken.

Nee, ik als alledaagse, redelijk getemde D66-alcoholist, en met mij velen, in het openbaar of in het geniep – wij zijn geen uitverkorenen, eerder verdoemden. Het sterkt me daarom des te meer dat Noach de eerste alcoholist is van het Boek. Althans, dat lijkt erop, bij oppervlakkige lezing.

Dat naakt dansen in die tent – ik zie het mezelf doen, ik voel hoe de wijn naar mijn hoofd stijgt, en de keurige, welbespraakte en ook licht paranoïde en altijd oppassende Stephan mij verlaat. Ik verander in een wild woestijnmens, een nomade, volgeling van Sem en de Semieten. Ik heb mijzelve ook weleens ontkleed in die staat, en wild gedanst – maar ja, zul je net zien, nooit een tent voorhanden, laat staan drie zonen die mij zouden kunnen betrappen.

Sem, Jafet en Cham, dat zijn de drie zonen van Noach. Cham is de jongste, en hij is de eerste die zijn vader ziet, in diens ontredderde staat. Het is goed te weten dat Cham in het Hebreeuws Choem is, en choem ’bruin’ betekent.

Cham staat bekend als de voorvader van de gekleurde volkeren, inclusief de Filistijnen. Zo staat het in Genesis 9: 21-24: „Toen zag Cham, de vader van Kanaün, zijns vaders naaktheid en hij vertelde het aan zijn beide broers buiten. Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die op hun beider schouders, liepen achterwaarts en bedekten hun vaders naaktheid, terwijl hun aangezicht afgewend was, zodat zij hun vaders naaktheid niet zagen.”

Die mantel, dat is de mantel der liefde, waaronder het trouwens ook behoorlijk kan stinken, zoals we inmiddels weten. De belangrijkste les uit dit deel: Chams lot is nu bezegeld, want als Noach uit zijn roes ontwaakt, en het verhaal hoort – hij weet natuurlijk van niks, de eerste black-out ter wereld moet toen hebben plaatsgevonden, ik voeg mij in een lange traditie – dan zegt hij dat zijn oudste zoons Sem en Jafet wijs gehandeld hebben, en vervloekt hij Cham. „Geprezen zij de Here, de God van Sem, maar Kanaün zij hem tot tot knecht.” Tweemaal wordt deze vervloeking uitgesproken.

Cham is stout, Cham is bruin, en al Chams nakomelingen worden hier tot knecht, dienaar en zelfs tot slaaf gemaakt – al zijn nazaten die, zoals wij weten, ook werkelijk in slavernij hebben geleefd. Het zijn de mensen die onder anderen door de Hollanders geplukt werden van de Afrikaanse kusten, om te dienen in Zuid- en Noord-Amerika en in het Caribisch gebied. Het stond zo in de Bijbel, vonden wij in de zeventiende eeuw. Zij waren bedoeld om in knechtschap te leven. Zonen, kleinkinderen van Cham – de dienaar van uw broeder zult u zijn.

De bijbelpassage heeft eeuwenlang de slavernij gelegitimeerd.

Diezelfde Nederlanders haalden gekleurde moslims uit de Oost en lieten hen werken als slaven in de nieuwe kolonie de Kaap – nu Zuid-Afrika. Ik ben er net geweest, twee maanden lang, en ik heb gezien hoe de Kaapse Malei, zoals ze daar heten, nog steeds getekend zijn door de vervloeking van Cham. Hetzelfde geldt voor de Xhosa en de Zoeloes. En ook de kleurlingen, de mixmensen, de bruinmense die vooral in de Kaapprovincie wonen (twee miljoen alleen al in Kaapstad) zijn typisch de kinderen van Cham. Niet echt serieus te nemen, en bovendien: altijd dronken.

In Nederland is tijdens onze anti-apartheidsstrijd nooit veel aandacht geweest voor deze kleurlingen. Zij hadden het toch beter dan de zwarten? Ik denk dat de meeste blanke Nederlanders ze gewoon niet zwart, niet authentiek genoeg vonden naar hun uitgesproken linkse smaak.

Maar waren kleurlingen beter af? Ja, zoals je zegt dat een scharrelkip het beter heeft dan eentje uit de legbatterij. Geslacht en opgegeten worden ze allebei.

Ik ben een Nederlander. Ik kan niet naar Zuid-Afrika kijken zonder er Nederlandse sporen te zien: de Nederduits Gereformeerde Kerk, de Boere, en natuurlijk het prachtige Afrikaans, een taal die op de onze lijkt, maar toch zo verschillend is.

Het Afrikaans is de moedertaal van bijna al die kleurlingen die wij niet zwart genoeg vonden in de jaren zeventig en tachtig.

Ik vind dat onbegrijpelijk. Ik vind dat Nederland hier zijn plicht verzaakt – zijn taalplicht, maar ook zijn morele plicht.

Er is nog een dun lijntje dat mij met Zuid-Afrika verbindt. Mijn biologische vader, die ik niet ken en die niet weet dat ik besta, is een Kaapse kleurling geweest, die in de jaren vijftig de grote sprong maakte, weg uit de Apartheid naar het Vrije Londen, waar hij kort maar krachtig mijn biologische moeder heeft ontmoet. Ik ben daarna geadopteerd, gelukkig en wel, maar mijn moeder, de moeder die mij opvoedde en die later zag hoe ik worstelde met de drank wist het zeker. „Die vader van jou, die heeft zijn genetisch pakketje aan jou doorgegeven.”

En het is waar: de meeste kleurlingen zuipen als een Maleier – om het maar geheel koloniaal uit te drukken. En het is waar: ik voel mij met die mensen verbonden, ik ken ze zonder ze te kennen. Ik kijk naar hun huid, ik luister naar hun tongval, en ik drink hun wijn, en ik ben, nee, niet thuis – ik ben waar ik ook thuis had kunnen zijn, moeten zijn, als ik mijn leven in 1961 was begonnen in een township in Kaapstad, en niet in een kindertehuis te Halfweg.

Nog zo’n alarmerend weetje: de apartheidspolitiek van Malan,Verwoerd en Botha, die wij met z’n allen zo verafschuwden, ik bedoel, wij met z’n allen vanaf de jaren zestig en zeventig, toen zelfs de gereformeerden geen heil meer zagen in hun christenbroeders overzee – die apartheid werd weer gelegitimeerd door de scène van Noach en Cham.

Cham was van een ander soort. Cham was vervloekt.

Zoals D. F. Malan het zei, de eerste echte apartheidspresident, die in 1948 met zijn Afrikaner regering het land zou besturen: „We Afrikaners are not a work of men but a creation of God. It is to us that millions of barbarous blacks and coloureds look up for guidance, justice and the Christian way of life.” Leiding, rechtvaardigheid en een goed christelijke levenswijze. Voor alle zekerheid had Malan die barbaarse zwarten wel eerst beroofd van hun stemrecht. Better safe than sorry. Je weet maar nooit.

Apartheid is het enige Nederlandse woord dat werkelijk de hele wereld kent. De Engelsen hebben Love, de Fransen Oh la la, de Duitsers de Endlösung en wij dus dit. Het kon nog slechter, maar het kon vooral een heel stuk beter.

Nog even over de zondvloed die de Onuitsprekelijke over de wereld liet razen, omdat hij zag dat er boosheid in de mensen was.

Mag ik deze God lichtgeraakt noemen? Mag ik zeggen dat ik geneigd ben hier van een overreactie te spreken?

Lees hoe dat in zijn werk ging, die zondvloed. „Het einde van al wat leeft is door mij besloten. want door hun schuld [de schuld der mensen] is de aarde vol geweldenarij, en zie, ik ga hen met de aarde verdelgen.” „Want zie, ik ga een watervloed over de aarde brengen, om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen.”

„En die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend.” „En de vloed was veertig dagen over de aarde en de wateren wiesen.” „En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.” „Alles, in welks neus de adem van de levensgeest was, alles wat op het droge was, stierf. En de wateren hadden de overhand op de aarde, honderdvijftig dagen lang.”

Dit zijn woeste passages. Dit is, zou mijn oude vriend Peter Schat zeggen, het grote bak- en braadwerk. Mij valt vooral het tomeloze en het mateloze op van de toorn van deze God. Zijn beeldend woordgebruik ook: kolken, wateren, vloed, alle sluizen open. Ik lees dit en ik denk: hier is een drinker aan het werk, een mateloze, tomeloze drinker, die in een half delirium straf uitdeelt aan de wereld.

Dit is zo buitensporig, zo totaal alcoholisch. Deze nog heel jonge God is de eerste Drinker in de Bijbel – en, moeten we vaststellen, hij heeft ook nog eens last van een kwaaie Dronk.

Want hoe gaat dat met een kwaaie dronk: niet alleen jij moet kapot, de hele wereld kan verrekken.

Gelukkig hebben gewone alcoholisten wel last van die almachtsfantasieën, maar beschikken ze niet over de praktische vaardigheden om ze op wereldschaal uit te voeren. En zoals we sinds A. Hitler weten: vegetariërs kunnen er ook wat van.

Ik bedoel dit niet blasfemisch. Ik bedoel dat deze oudtestamentische God, die net aan zijn nieuwe taak was begonnen, nog zó dicht bij de mens stond die hij zelf geschapen had, dat ook hijzelf het menselijke deed, dacht en uitvoerde. Die zondvloed – dat is een grote, boze, lang uitgesponnen braspartij.

En daarna voelde deze God spijt. Hij kreeg berouw.

Elke dronkaard kent dit gevoel, na een woede-uitbarsting die hij zichzelf amper kan herinneren. Het is ook de spijt over de bewusteloosheid, de onredelijkheid, die de wijn heeft aangeboord.

Maar omdat de Onuitsprekelijke de mens schiep naar Zijn beeld, en omdat deze oudtestamentische God wel een zeer sterk ontwikkeld literair gevoel had, moest Noach na de zondvloed zijn voorbeeld volgen. En zich letterlijk bezuipen, zoals God eerder de aarde had laten verzuipen.

Symmetrie, daar gaat het om als je Goeie Verhalen wilt vertellen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden