De eerbied voor Goethe zit Faust in de weg

Na precies tweehonderd jaar is ’Faust’ nog steeds het best bezochte theaterstuk in Duitsland. Waarom toch? In Weimar, de stad waar Goethe zo lang woonde en werkte, kreeg een heel jonge theaterregisseur het stuk in handen en worstelde er danig mee.

Het is niet moeilijk om in de stemming te raken voor de nieuwe ’Faust I’ die deze avond in Weimar in première zal gaan. De kleine provinciestad ademt Goethe, uit alle poriën. In het historische centrum is bijna geen straat of huis te vinden zonder verwijzing naar Johann Wolfgang, die hier tot aan zijn dood in 1832 woonde en werkte. De vele souvenirwinkels bieden van alles en meer met betrekking tot de grote dichter aan. Van kroontjespennen met ganzenveren en zwarte handschoenen – ’Faust I’ (rechts) en ’Faust II’ (links) – tot en met bordjes met de tekst ’Goethe war hier... nie’.

In de Rococozaal, het heiligste heiligdom van de onlangs weer geopende Hertogin Anna Amaliabibliotheek, schuifelen we op reuzensloffen over de houten vloer, met aan het oor een plastic doosje. De audiotour vertelt over de gevolgen van de verwoestende brand uit 2004, waarbij 50.000 bijzondere boeken verloren gingen. En over de bustes van beroemde denkers en dichters die tussen de vergulde boekenkasten staan opgesteld. Onder nummer 208 vinden we de tekst over het reusachtige witte hoofd in een van de zijpaden. „Herkent u hem?”, vraagt een beschaafde vrouwenstem. Ze last een korte denkpauze in. „Het is hem echt: Goethe – misschien wel het indrukwekkendste portret van deze dichter.” Dan volgt een minutieuze lofzang op de natuurgetrouwheid waarmee de tachtigjarige dichter hier ’voor de eeuwigheid’ is geportretteerd: zijn ogen op de verte gericht, de golvende haren die zijn uiterlijk passie en dynamiek geven.

„Als we het expressieve gezicht met het hoge, in rimpels getrokken voorhoofd en de sceptisch samengetrokken wenkbrauwen aankijken”, zo gaat het eerbiedig verder, „kunnen we de geestelijke kracht van de dichter bijna voelen. Hij lijkt wel wat op Doktor Faust zelf, een gedreven mens – misschien ook op Mefisto*”

Je zou verwachten dat in deze stad bijna permanent een ’Faust’ te zien is. De vele Goethe-pelgrims en groepen scholieren die Weimar het hele jaar door bezoeken zouden de voorstellingen moeiteloos vullen. Maar het Deutsche National Theater is wat zuinig met het stuk. De laatste enscenering dateert al weer uit 2001 en ook bij die schaarse uitvoeringen is de schouwburg niet geneigd een knieval te doen voor het brede publiek. Het zoekt in eerste instantie naar vernieuwend theater, zo blijkt uit de keuze in dit jubileumjaar voor de jonge theaterregisseur Tilmann Köhler.

Precies tweehonderd jaar geleden immers, in 1808, voltooide Johann Wolfgang Goethe (1749-1832) het eerste deel van zijn ’tragedie’, het verhaal van de oude, uitgebluste doktor Faust. Op zoek naar echte kennis, maar vooral ook naar het echte leven, verkoopt hij zijn ziel aan de duivel Mefistofeles en stort daarbij de brave Gretchen in schande, ongeluk en uiteindelijk de dood.

’Faust’ groeide uit tot een monument van Duitse dichtkunst. Geen boek heeft de Duitse taal zo beïnvloed en met zoveel begrippen en uitdrukkingen verrijkt. Vraag een Nederlander naar een literair werk van vergelijkbare statuur in zijn moerstaal en hij zal het antwoord schuldig blijven. Maar ook in Duitsland is er geen enkel ander werk dat bijna iedereen kent. Niet alleen de inhoud maar ook flinke delen van de tekst. En elk seizoen weer komen er nieuwe ensceneringen, van kleine theaters in de provincie tot de grote gezelschappen met regisseurs van naam. Nog steeds is ’Faust’, dat Goethe zelf waarschijnlijk heeft leren kennen als populair poppen- en marionettenspel op Duitse jaarmarkten, het best bezochte theaterstuk op de Duitstalige podia.

Een ’Faust’ zien in Weimar, waar Goethe op verzoek van de cultuurminnende aartshertog Carl August in 1775 kwam wonen, wekt inderdaad de verwachting dat je dichter en werk nog kunt aanraken, al was het alleen maar doordat je in de straten van Weimar talloze ’Gretchen’ – jonge, volkse meisjes met kinderwagens – meent te ontwaren. Dat je dan beter kunt verklaren hoe Goethe vanuit dit ’provinciegat’ deze wonderlijke kosmos schiep. En wat dat nu toch is met het ’Faustische’ in de Duitse ziel, dat steeds maar op zoek blijft naar hetgeen deze wereld im innersten zusammenhült, en daarbij jammerlijk faalt. Is ’Faust’ inderdaad vooral dat monumentale werk over de opkomst en ondergang van de westerse beschaving – waarbij de nabijheid van het concentratiekamp Buchenwald en de nog schaars waarneembare rudimenten uit de DDR-tijd een extra lading verschaffen? Of is het meer een virtuoos bewerkte volksvertelling? Is het typisch Duits, of juist universeel? Of proeven we in de jacht van Faust op Gretchen vooral de grote hartstocht die Goethe op latere leeftijd zelf zo verscheurde? Hij verlangde zo naar jeugdige liefde en schoonheid, dat hij op 73-jarige leeftijd de 19-jarige Ulrike von Levetzov een serieus huwelijksaanzoek deed: een gegeven dat Martin Walser in zijn zojuist verschenen roman ’Ein liebender Mann’ zo mooi, mild ironisch uitwerkt, en waaruit hij de avond voor de Faust-première nog in Weimar voorlas, in aanwezigheid van de Duitse bondspresident.

Een hele reeks boeken verscheen de laatste tijd in Duitsland over met name de oudere Goethe, waarin niet zozeer het al bij leven gelauwerde universele genie gevierd wordt, maar die juist belichten hoe hij er zelf alles aan deed om ondanks zijn vele crises en mislukkingen dat beeld van het nimmer falende zondagskind hoog te houden.

En nu is daar ook nog Tilmann Köhler (28), die vorig jaar in Der Spiegel de „heißeste Regisseurhoffnung” in de Duitstalige theaterwereld werd genoemd en die, zoals het een jonge kunstenaar betaamt, zonder veel eerbied met de dichtregels aan de haal gaat. Hij schrapte veel van de evergreens waar het publiek zich zo graag aan laaft – en die het als het even kan in de zaal hardop meespreekt – en benadrukte juist de minder reguliere passages.

De ’Opdracht’ waarmee het stuk begint laat hij slepend traag uitspreken door een oudere actrice die vijftig jaar geleden zelf de rol van Gretchen speelde. Een andere sleutelrol wordt vervuld door een klein geel boekje, een goedkope Reklam-uitgave van ’Faust’, die door de acteurs soms even wordt opgepakt om opzettelijk stukjes uit te ’de-cla-me-ren’, om dan weer te worden weggesmeten, verscheurd, verfrommeld of opgegeten. Köhler doet erg zijn best om Goethe op afstand te zetten.

Wie niet goed in de tekst is ingevoerd, verdwaalt. Hier wordt Faust uitgekleed. Letterlijk ook, want tot aan de verjongingskuur die de oude Faust in de heksenkeuken ondergaat wordt hij vertolkt door een schriele, piepjonge acteur in een merkloze onderbroek, die hij ook nog even op de enkels laat zakken. Een schreeuwende en jammerende hystericus, die op geen enkel moment samen lijkt te vallen met de teksten die hij uitspreekt. Eerder een Jan Klaassen-figuur, zoals Goethe hem op de kermis moet hebben gezien, dan een tragische held.

Ondanks al het schrapwerk nemen de omzwervingen van Faust drieënhalf uur in beslag, met acht, hoofdzakelijk heel jonge acteurs in dubbele rollen en met als enige decorstuk een reusachtige zwarte trap met te grote treden waar de acteurs moeizaam op en af stampen. Het is hard werken, ook voor het publiek.

Na de première ligt het gastenboek van het theater opengeslagen bij enkele haastig neergepende zinnen van een echtpaar uit Lübeck, dat speciaal vanuit het noorden van Duitsland kwam gereisd om de nieuwe ’Faust I’ te zien. Ze zijn in de pauze vertrokken – uit pure teleurstelling. „Welke Faust heeft u hier gespeeld? Goethe zou hem niet herkend hebben!”

Ze zijn niet de enigen. Na de pauze vertoont de zaal al gaten. En ook na afloop klinkt er vanuit het publiek naast applaus ook boegeroep. Uit de kranten blijkt dat ook de meeste recensenten de ’autopsie’ die Köhler hier pleegt niet al te erg kunnen waarderen. Zijn enscenering is een abstract commentaar op de tekst, geen theaterstuk, zo luidt de klacht. De virtuositeit en de humor van Goethe zijn volledig verdwenen. Köhler interesseert zich niet werkelijk voor de figuur Faust.

Dat laatste klopt inderdaad, vertelt Köhler de volgende dag in een café met uitzicht op de Anna Amaliabibliotheek. Gretchen had meer zijn belangstelling. „Ze wordt helemaal niet gek, zoals het altijd wordt voorgesteld, ze is juist heel helder en vastberaden.”

Even daarvoor, bij het verlaten van het theater werd hij nog aangesproken door een medewerkster die voor de deur een sigaretje stond te roken. Ze complimenteerde hem met de première. Dat is het bijzondere van Weimar, zegt Köhler, die hier geboren is. „Het theater zit werkelijk in de hoofden van de mensen, ze houden zich er echt mee bezig, het is geen puur elitaire zaak maar een belangrijk onderdeel van de stad, net zoals ook ’Faust’ deel van het collectieve geheugen van de stad is.”

En dat is tegelijkertijd ook het probleem. Er bestaat niet alleen een collectieve Faust, er bestaat volgens Köhler ook een collectieve ingekorte versie van het stuk: wat geschrapt mag worden en wat moet blijven staan ligt eigenlijk al vast in de hoofden van het publiek. „Het was zeer moeilijk een toegang tot de tekst te vinden. Halverwege wilde ik er ook eigenlijk mee stoppen. Het is als met de Mona Lisa, je bent helemaal niet meer in staat om dat werk als schilderij te bekijken. Het is een grote tros mensen met een schilderij erachter, het heeft niets meer met het schilderij te maken. Dat gevoel had ik met Faust ook.”

Köhler kreeg gaandeweg een hekel aan het ’instituut’ Goethe, zoals het in Weimar aan alle kanten wordt gevoed, maar dat Goethe zelf ook zo graag wilde zijn. „Ik las bijvoorbeeld hoe hij Heinrich von Kleist, die hem vol verwachting zijn treurspel ’Penthesilea’ liet lezen, meedogenloos van tafel veegde. Walgelijk.”

„Waarom het nog steeds zo’n centrale tekst is? Ik heb het antwoord niet gevonden. Alhoewel ik wel iets anders heb ontdekt. Bij mij, en bij vrijwel iedere Duitser, is in mijn schooltijd bepaald hoe ik naar ’Faust’ diende te kijken. Het stuk is in hoge mate geïnstrumentaliseerd, door de politiek gebruikt, door de nazi’s misbruikt. Maar het stuk heeft wel degelijk een grote eigen kracht. Het kan iets anders, je kunt elke scène omdraaien en de figuren een andere status geven. Dat is bijzonder, dat kan niet elk stuk.”

Direct na deze slopende ’Faust’ gaat Köhler nu ’Hamlet’ doen in Berlijn. Hamlet? Is dat niet zo mogelijk een nog groter icoon? „Ja, misschien wel, maar ik vind Hamlet toch veel beter te benaderen. Shakespeare is echt, puur theater, veel dichter bij de mensen geschreven. Goethe niet. Goethe is vooral literatuur. Dat maakt dat Shakespeare zo veel makkelijker een internationaal publiek vindt, en ’Faust’ toch vooral een Duitse aangelegenheid blijft. Of wordt het veel gespeeld in Nederland?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden