De eer van mijn moeder

De wilgen hangen bijna in het water, weelderig en treurig. Het plantsoen ruikt naar natte bladeren, de herfst komt stil dichterbij. Aya heeft er geen oog voor, er zijn teveel tranen.

Terwijl het geen vrouw is die makkelijk huilt. Een jaar of zeven eerder wel, en veel, boven de wieg van mijn broer Jim, in de zomer van 1956. Enerzijds betreurt ze dat, anderzijds zou hij niet hebben bestaan zonder de oorzaak van die tranen: de kerkscheuring die zich in 1966 binnen Nederland voltrok binnen de vrijgemaakt gereformeerden maar jaren daarvoor begon. Ook en vooral tussen mijn ouders.

Al in Utrecht, waar mijn vader predikant was en tegen de zin van mijn moeder en vele gemeenteleden in steeds maar preekte over de enige ware (vrijgemaakte) kerk. “Dominee, wij zijn de kerk, u moet ons het evangelie preken”, kwam men hem op maandag vertellen. Aya: “Dan luisterde hij aandachtig en zei niet veel omdat het zo’n beschaafd mens was – maar de volgende zondag was het weer precies hetzelfde”.

Voor haar was het een verademing toen we in Kampen kwamen wonen, waar hij hoogleraar werd, en zij vier dominees aantrof die wél het evangelie preekten. Mijn vader was er minder gelukkig mee. De spanning nam toe.

Zelf werd ik afgeleid door verliefdheden op jongens van een valse kerk, en bijbehorende angsten. Ik schreef dagboeken en gedichten aan de IJssel of in het plantsoen. Droomde en vreesde, met bomen, water en eenden als soms troostend gezelschap. Aan dat park heb ik veel herinneringen, goede en slechte. Het beukennootjes zoeken in de herfst, van die dikke driehoekige, die leuk waren om uit te pellen en zo lekker smaakten. Glimmende kastanjes. Maar ook een val op het ijs, waarna iemand over vier van mijn vingers reed – einde schaatsen. En een andere smak, met een door mijn broers gemaakte kar, op een paadje van de Ebbingestraat naar beneden, het park in. Gat in mijn kop waardoor ik koorts kreeg en niet kon slapen. Mijn vader gaf me een eierdopje port, dat smerig was maar roezig maakte. De bron van mijn latere verslavingen? Nee, dat is te simpel.

De kerkelijke spanning tussen mijn ouders was van meer invloed. Ook omdat het me verscheurde. Inhoudelijk stond ik aan haar kant, qua persoon lijk ik meer op hem: sensitief en kwetsbaar. Aya wist niet wat depressies zijn, wij wel. Ooit nam ik haar dat kwalijk, ze begreep me niet. Inmiddels ben ik blij met haar lakonieke stevigheid – als ze meer op ons had geleken was het hele Schildergezin kopje onder gegaan.

En onder die stevigheid bleek ze wel degelijk kwetsbaar.

In 1955 werden twee door haar zeer geliefde hoogleraren, Jager en Veenhof, vooral door mijn vader uit de redactie van het vrijgemaakte blad ‘De Reformatie’ gezet. Na het eerste echte conflict tussen Herman en Aya, dat daarop volgde, kreeg ze een miskraam. Vóór Jim, die er anders dus niet was geweest – hetgeen een gemis voor de wereld zou zijn.

Na het Reformatie-gebeuren ging ze naar Veenhof, die met een voorspelling reageerde. “Oh Aya, wat doet ie, wat doet ie – dit levert over tien jaar een kerkscheuring op. Zoals wij in Kampen met elkaar omgaan, zo gaat het dan in de kerk.” Mijn vader bezwoer haar dat dit niet zou gebeuren, het bleef bij de blad-affaire. “Dat had hij helemaal niet in de hand natuurlijk – de geest was uit de fles gelaten.”

Niet bepaald de Heilige Geest. De spanning liep verder op, ook op persoonlijk vlak. Mijn ouders waren bevriend met hoogleraar Kamphuis, zijn dochter en ik werden hartsvriendinnen. Op zondagavond ging ik vaak bij haar eten en kraakte hij de preken af. Wat ik mijn moeder vertelde.

Toen daar het volgende bij kwam was voor haar de maat vol. Aan het begin van het nieuwe studiejaar hadden we de (Theologische Hoge)Schooldag, waar half vrijgemaakt Nederland op afkwam. Ons huis zat dan bomvol, en ik maar broodjes smeren. De avond ervoor was er een bidstond. Aya: “In september ’63 was Jager heel ziek. Er werd indringend voor hem gebeden. De volgende morgen sprak ook een andere dominee met betrokkenheid over hem. ’s Middags ging ik naar Kamphuis luisteren in de Stadsgehoorzaal. Die zei niets over Jager, maar wel aldoor: ‘We hebben zín om te beginnen, we hebben zín om te beginnen’. Een tijd later ben ik naar hem toegegaan, met een breiwerk om het gewoon te laten lijken. Het was spekglad, ik moest lopen.” Ze sprak hem op beide dingen aan, het afkraken van de preken en hoe hij zo’n zin kon hebben om te beginnen terwijl zijn collega ernstig ziek was. Ze kreeg de wind van voren en gaf het op. “Ik ben maar weer gegaan. Vergat nog een kluwen wol, die heeft hij me nagedragen. Ik heb in het plantsoen staan janken en wist: dit gaat helemaal fout. Je vader was op blijven zitten, met angstogen. Die zag het allemaal toch wel aankomen.”

En het kwam eraan, in Kampen in de zomer van 1967.

De kerk scheurde, zoals onlangs weer is gebeurd.

Mijn moeder koos een andere kant dan mijn vader, aanvankelijk buiten verband geheten, later Nederlands Gereformeerd.

Een zeer pijnlijke geschiedenis. Maar ze konden niet anders. Bij mijn moeder speelde nog een bijzondere persoonlijke factor mee. Als vijftienjarig meisje had ze Veenhof horen preken en het was alsof de hemel voor haar openging. Een spirituele ervaring, zouden we nu zeggen. Ze is daardoor ook gereformeerd geworden – anders had ze Herman nooit ontmoet en waren wij er niet geweest. Voor haar kwam het geloof in de eerste plaats. “Dát zou God mij in dank afnemen: als ik de man liet vallen door wie ik Hem had leren kennen.”

Ik ben haar zeer dankbaar, voor haar stevigheid, haar eerlijkheid en haar tranen.

Dichtbij dat Kamper plantsoen is ze in 2000 overleden en begraven. Met ons tienen hebben we het lichaam gedragen van de vrouw die ons ooit droeg.

Afsluiting van de eeuw van mijn moeder.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden