De echte maniërist schilderde alle apostels

'De Kruisiging', olieverf/doek uit 1610-1614. Collectie Museo de Santa Cruz in Toledo, bruikleen San Nicola in Bari. (Trouw)

Exposities rond schilder El Greco komen zelden voor. Het Brusselse Bozar reconstrueert een tijd waarin zijn werk snel populair werd.

Onder de uitgekiende belichting in een speciale galerij valt de heftigheid waarmee ze werden uitgebeeld nog eens extra op. Twaalf apostelen, getormenteerde oudemannenkoppen, vormen een prachtige portrettenreeks in het Paleis voor Schone Kunsten, ofwel Bozar, in Brussel.

Ze hangen met nog dertig andere doeken – alle voorstellingen van religieuze figuren – op een tentoonstelling die een zeldzame terugblik op het oeuvre van El Greco biedt. Tegenwoordig wordt de van Kreta afkomstige kunstenaar beschouwd als een van de grootste renaissance-schilders. Niet alleen in Spanje, waar zijn meeste werken worden bewaard, maar ook in Italië, waar hij eveneens een rijke productie kende.

El Greco leefde van 1541 tot 1614 en schiep in relatief korte tijd een oeuvre dat kon wedijveren met dat van Michelangelo, Veronese en zelfs met Titiaan. Misschien, zo wordt wel eens gespeculeerd, was hij wel een leerling van Titiaan die zijn meester spoedig naar de kroon zou steken. De samenstellers in het Bozar wijzen dat echter met kracht van de hand.

In Spanje, waar hij vanaf 1576 werkte, heeft zijn werk geen gelijke gevonden. Dat kwam waarschijnlijk doordat hier weinig waardering bestond voor de Antieken – een typisch Italiaanse aangelegenheid immers. Het succes van El Greco in Spanje, met name in Toledo, heeft te maken met het feit dat hij zich toelegde op het portretteren van apostelen, een typische bezigheid van maniëristische schilders.

Apostelen heeft El Greco in reeksen gemaakt. Behalve het illustere twaalftal uit Toledo – afkomstig uit het huis van de schilder dat een museum op zich is – dat nu in Bozar te zien is, zijn er nog minstens twee zulke reeksen bekend. Dat aantal leidt verrassend genoeg niet tot eenduidigheid. Elk portret staat op zichzelf, elke lichamelijke uitdrukking verschilt wezenlijk van de andere. De gezichtsuitdrukkingen zijn allemaal hoogst individueel getypeerd.

Bij andere thema’s is dat niet anders. Neem de Heilige Families die een intiem uitzicht openen op het jonge gezinnetje met soms een familielid erbij. De versie die Bozar uit het Museo de Santa Cruz in Toledo haalde, is van onovertroffen kwaliteit. Een Maria die over haar Christuskind heen kijkt en zich klaarmaakt voor haar rol als moeder die haar kind beweent, terwijl ze haar arm slaat om de schouders van Anna, met een Johannes op kleuterleeftijd aan haar andere arm. Raadselachtig is de tot nu onbekende man op de achtergrond, die als enige de kijker recht van voren aanstaart, alsof hij uitsluitend met zijn blik zijn anonimiteit wil opheffen.

Uit hetzelfde museum is er de Heilige Familie die dit keer beperkt blijft tot de ouders en het Kind dat zijn lippen aan de borst van zijn moeder zet. De intimiteit van de voorstelling wordt gesitueerd in een kruisvorm met gelijke benen. Toevalligerwijze is dat ook het grondplan van de oervorm van de Christelijke kerk, zoals El Greco die op Kreta heeft gezien.

Als zo vaak heeft El Greco voor een dergelijk intiem tafereel bonte kleuren gekozen. Maar de wijze waarop hij de inderdaad felle kleuren – oranje naast wijnrood naast hemelsblauw naast mosgroen – met diepzwarte schaduwen van elkaar scheidt, wordt nergens kitscherig. Evengoed is dit een fantastisch schilder met een techniek die hem onderscheidt van al zijn tijdgenoten. Nergens worden de voorstellingen gelikt of glad gepoetst weergegeven. El Greco gebruikt vrij grove borstels, de kwastharen zijn goed te zien en de verf wordt ook als een pasteuze materie opgebracht.

Als voorloper van de barokschilderkunst werkt hij naar een clair-obscur tegenstelling toe. Het voornaamste effect daarvan is dat de figuren op een natuurlijke wijze volume krijgen. Dat gebeurt eerder schetsmatig dan realistisch. Dit ’tekenachtige’ moet ook tot trefzekerheid leiden, eenmaal gemaakte fouten kunnen niet snel worden verdoezeld. Tot perspectivische correcties komt het zelden. In de apostelreeks bijvoorbeeld speelt de (anonieme) achtergrond geen enkele rol.

Voordat El Greco aan zijn trektocht langs mediterrane opdrachtgevers begon – na Kreta reisde hij naar Venetië en Rome om vervolgens in Spanje op verschillende plekken werkzaam te zijn – bekwaamde hij zich in Candia (nu Heraklion, hoofdstad van Kreta) als icoonschilder. Kreta viel dan wel binnen de Republiek Venetië, religieus gezien heerste hier de (Griekse) orthodoxie.

Iconen behoorden tot het erfgoed van de kerk, met als gevolg dat bij het minste vlaagje bouwwoede elke icoonschilder wel een goede boterham moet hebben gehad. Het schilderen van iconen was echter nauwkeurig vastgelegd in formele schema’s en bood de maker nauwelijks enige ruimte voor artistieke vrijheid. Wel was vakmanschap vereist. Daarmee gewapend kon El Greco zich instellen op andere, in het westen aangereikte schilderscodes die hem op eenzame hoogte brachten.

(Trouw)
'La Sagrada Familia', olieverf/doek, ca. 1585. Collectie Museo de Santa Cruz in Toledo, bruikleen San Nicola in Bari. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden