Review

De dweilfreule is niet meer

“Tsja, mijn grootmama praatte op een hele speciale manier plat. Zei: wat leit daar op de boojem van de put? Ik zou niet weten waarom, dat was gewoon zo. Het is er nu wel een beetje vanaf, ik doe het nog wel, maar mijn kinderen zijn het kwijt.” Het is altijd een bron van verbazing voor buitenstaanders geweest: juist de adel is (of was, het is een verdwijnende gewoonte) gewoon plat te praten, in sommige gevallen zeer plat. De adel zegt 'motten' in plaats van moeten, 'koppie' in plaats van kopje en laat gewoon een 'boer' in plaats van een oprisping te krijgen. Een greep uit woorden die kunnen: achterwerk (tegenover billen), gemoed (tegenover buste), lekkers (in plaats van snoepjes), misselijk (tegenover onpasselijk), onderbroek (en zeker geen slipje), spugen (in plaats van braken), een taartje (geen gebakje), tikken (en niet typen). Ook durft de adel in zijn taalgebruik vaak wat rechter voor zijn raap te formuleren dan veel Nederlanders gewend zijn. Over karakters: 'Wat is dat een lamzak' 'en zij een echte drakepit', 'dat is een stelletje schobbejakken'. Over uiterlijk: 'zij is foeilelijk en een remedie tegen de liefde', 'wat een griebeltje', 'soms zag de familie er fataal uit'.

Nu staat ze in kleine kring bekend als chroniqueuze van een verdwenen wereld, waarin de Nederlandse adel de boventoon voerde. Haar boekjes 'Het dialect van de adel', 'Grootmama, mogen wij kluiven' en 'Vin-je dat we een hoed op moeten?' verschijnen deze zomer als trilogie bij uitgever Thomas Rap. Uit een van haar boekjes: De adel voelde zich een soort ondefinieerbare club, waar men onder elkaar was, waar men de boterhammen met z'n vingers kon eten en niets hoefde te zeggen bij het heffen en drinken van het eerste glas. Een gezelschap waar men heel veel van en over elkaar wist, graag alles over wilde weten. Tegenwoordig zou men het woord 'sociale controle' in de mond nemen, men zou toen echter bij het horen van deze uitdrukking danig gehorribileerd zijn geweest.

Direct aan het begin van het gesprek haast mevrouw Pauw zich de indruk weg te nemen alsof de regels van fatsoen, zoals beschreven in haar boekjes, alleen de adel golden. Alsof de adel zich daadwerkelijk als een soort dorpsgemeenschap afsloot van de rest van de maatschappij.

Integendeel, zeker de regels van fatsoen golden iedereen. Niet voor niets krijgt ze brieven van allerlei oudere mensen, ongeacht hun achtergrond, waaruit waardering voor haar boekjes blijkt. “Bij 'Het dialect van de adel' is het mij ook duchtig kwalijk genomen dat ik het boekje zo had genoemd. Een grote bovenlaag van de samenleving voelde zich buitengesloten, alsof ook zij niet die taal bezigden.”

Ze heeft, zegt ze, zeker geen moralistische bedoelingen gehad met het schrijven van haar petites histoires. Zo was het toen, nu gaat het anders. Dat kan in sommige gevallen wel jammer zijn, maar het zij zo.

“Goede manieren zijn teruggebracht tot het functionele, tot het elkaar niet hinderen met harde radiogeluiden en dergelijke. Spontaan een koffer in het treinrek leggen voor een oudere vrouw gebeurt niet meer. Niet uit onwil, want als je het vraagt, gaat het zonder morren. Ja, zelfs in alle vriendelijkheid.” Uit haar boekjes spreekt dan ook heimwee, vooral naar haar zeer vrije en open jonge jeugd. Maar ze is de eerste om toe te geven dat de adel ook veel overbodige ballast meekreeg in zijn jonge jaren. En de meest nuttige zaken uit het leven waren er gewoon. Juist daarvoor weet mevrouw Pauw in het gesprek geen duidelijke verklaring te geven. De sobere leefwijze, bijvoorbeeld, toch iets waar iemand in zijn volwassen leven zijn voordeel mee kan doen.

Door de adel zelf hooggehouden en door mevrouw Pauw in de huidige consumptiemaatschappij nog steeds geprezen. Tegelijkertijd voor de buitenwacht juist een reden tot spot: 'wat een kale kak, wonen in zo'n kast van een huis, maar meer dan een kaal koekie bij de thee kan er niet vanaf'.

Mevrouw Pauw haalt lachend haar schouders op. Zelf heeft ze als jongste van vier zussen haar hele jeugd afdankertjes gedragen. Het viel niet zo op, omdat haar lot door velen werd gedeeld. Slechts zelden wist de kinderjuffrouw bij de ouders met overtuiging een nieuwe jas los te praten.

Bij het koffiedrinken, als ook Mijnheer aanwezig is, komt Juffie voorzichtig met het klemmend verzoek op de proppen: “Mevrouw, Marietje heeft heus een nieuw jasje nodig. Wat ze nu draagt, is een afdankertje van Lisetje, die het ook al drie jaar droeg.”

Sober in de omgang met geld, sober in het tonen van emotie. Zoenen deed de hogere klasse in vroeger jaren niet graag, van mevrouw Pauw mag de wijze waarop de ouders hun kinderen opvoedden, best afstandelijk worden genoemd. “Zoals ik zelf stoei met mijn kleinkinderen, dat herinner ik mij niet van vroeger. Er was afstand.” Met licht afgrijzen herinnert zij zich de tijd dat haar man chef protocol was op het ministerie van buitenlandse zaken. Zoenend van de ene naar de andere kant van de receptieruimte. Jolig verklapt zij van tijd tot tijd keelpijn te hebben gefingeerd om deze 'straf' te ontduiken. En helemaal verheugd hoort zij dat het gezoen in bepaalde kringen alweer uit begint te raken. Als dochter kreeg je het in adellijke kringen - als de leefregels door de ogen van de hedendaagse jeugd worden bekeken - zonder meer moeilijker naarmate je ouder werd. Zelfstandig een carriere ambieren in plaats van als 'vrouw van' was slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Mevrouw Pauw: “Studeren werd slechts aarzelend goedgevonden. In die tijd leefde de gedachte nog heel sterk dat een meisje van achttien beschermd diende te worden, en zeker niet alleen op kamers kon.” Dus deden de meisjes rond hun twintigste levensjaar, na Mulo, MMS of HBS, een cursus op de huishoudschool om te leren koken. Geen raffinement, maar lekker eenvoudig Nederlands eten.

Kort na de oorlog was er voor de meisjes slechts een manier om naar het buitenland te reizen: als dweilfreule (een adellijke au pair avant la lettre) intern bij een nette familie aldaar. Er werd thuis wat giechelig over gedaan: Zij die thuis nog nooit een vinger hadden hoeven uitsteken en geen notie hadden van het huishouden en zijn perikelen, bewerkten tot wanhoop van Madame het glanzend zilver en de hoogglans verf met veel Vim.

Om over het - in de woorden van mevrouw Pauw - “stinkvervelende” visitekaartjes pousseren nog maar helemaal te zwijgen. Dit gebruik, waarbij de jonge dames rond hun achttiende levensjaar (voor ingewijden het debutantenjaar) net zolang belet bij de oudere dames van adel moesten vragen, totdat ze overal met visitekaartje in de hand hadden kennisgemaakt, is gelukkig overboord gezet. Zo ook de regel dat op feestjes en partijen nooit, maar dan ook nooit het initiatief van het meisje mocht uitgaan. “Ik ben dol op dansen. Maar de wat verlegen Piet ten dans vragen als je even over bleef, mocht niet. Dus dan zat je aan de kant.”

Mevrouw Pauw bekent dat ze ongeveer 25 jaar geleden - met bibberende knieen, maar ze had zo'n hang naar een glas sherry - voor het eerst alleen een kroeg is binnengegaan. Wat meewarig verhaalt ze over oudere broers van vriendinnen, die des avonds eindeloze rondjes door Den Haag moesten fietsen om de diverse meisjes naar huis te brengen. Als jonge vrouw in het donker alleen over straat was ook uit den boze. En zo zijn er gaande de jaren nog heel wat andere nutteloze zaken overboord gezet.

Waarbij, het moet gezegd, nutteloos niet altijd overbodig of vervelend was.

De verhouding tussen man en vrouw is bijvoorbeeld in de tussenliggende jaren ontdaan van veel verborgen spanning. Mevrouw Pauw (“nu heet dat ongewenste intimiteit of zoiets”) vond het vroeger heerlijk op straat te worden nagefloten. Daarnaast, als ambassadeursvrouw heeft ze een tijdje in Rome gewoond. Ze herinnert zich nog hoe “dol” ze het vond op terrasjes naar het rollenspel tussen mooie Italiaanse jongedames en -mannen te kijken. Laatst was ze weer eens in Rome, van het rollenspel was niets meer over. “Dat is toch zonde?”

Met vrolijke stemverheffing: “Het is toch vreselijk dat er geen flirt meer is. Dat dat heden ten dage is teruggebracht tot het simpele 'your place or mine'. De flirt was heerlijk. Dat was voor een jongen (de schrijfster veert op om het voor te doen) net te lang de hand van een meisje vasthouden bij het geven van een vuurtje. Het was een langdurige blik in de ogen, een net te intieme dans. Flirten was een spel dat je wel met drie, vier, vijf jongens tegelijkertijd kon volhouden. Van je eerste zoen kon je een hele nacht wakker liggen.” Even lijkt het erop of de tijden van Cissy van Marxveldt en 'haar' Joop ter Heul herleven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden