De duivelse dilemma’s van artikel 1F

Wat moet Justitie met de duizend naar Nederland gevluchte ’oorlogsmisdadigers’? Berechten? Schier onmogelijk. Uitzetten? Mag niet. Een vergunning geven? Onwenselijk. Dan maar gedogen? En hebben ze wel allemaal bloed aan hun handen? Staatssecretaris Albayrak staat voor een ingewikkeld vraagstuk, nu de Tweede Kamer een oplossing eist.

De beulen zijn onder ons. Weekblad Vrij Nederland en dagblad Trouw publiceerden in 1997 over naar Nederland gevluchte Afghanen. ’Het barst hier van de Afghaanse oorlogsmisdadigers’, kopte Vrij Nederland. Harde bewijzen ontbraken, maar de boodschap was duidelijk: Nederland is een vrijhaven voor vluchtelingen met vuile handen.

Het blad toonde een lijst met 35 kopstukken van het voormalige communistische regime. Allen waren rond 1992 gevlucht voor de moedjahedien, en allemaal kregen ze zonder problemen toegang tot Nederland. Het ging om ministers, viceministers, generaals en agenten van de beruchte geheime dienst Khadamat-e Etela’at-e Dawlati, kortweg de Khad. De veiligheidsdienst staat bekend om de gruwelijke martelmethoden waarmee tegenstanders van het regime (1978-1992) tot bekentenissen werden gedwongen.

Enkele jaren na de machtsovername door de moedjahedien volgden nieuwe confrontaties: in Nederland. Martelslachtoffers liepen hier hun oude beulen tegen het lijf. Gevolg: grote onrust in de Afghaanse gemeenschap.

Hoewel toenmalig staatssecretaris van justitie Schmitz het aantal naar Nederland gevluchte ’oorlogsmisdadigers’ aanvankelijk bagatelliseerde, schrok ook zij van de verhalen. „Het kan niet zo zijn, dat waar Nederland zich moreel én juridisch heeft verplicht dergelijke misdrijven te voorkomen, het personen die deze misdrijven elders hebben gepleegd, toelaat als vluchteling”, schreef ze eind 1997 aan de Kamer.

Schmitz zegde toe dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voortaan strenger zou optreden tegen mogelijke oorlogsmisdadigers. Artikel 1F van het VN-vluchtelingenverdrag biedt daartoe de mogelijkheden. Daarin staat dat het vluchtverdrag niet van toepassing is op mensen van wie het onvermijdelijk wordt geacht dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan een ’misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid’. De IND hoeft niet de schuldvraag te beantwoorden, maar slechts te beoordelen of iemand in aanmerking komt voor asiel.

Indien mogelijk trok Justitie verleende statussen weer in. 1F’ers die niet konden worden uitgezet, bijvoorbeeld vanwege gevaar in eigen land, belandden in de illegaliteit. Schmitz beloofde dat dit ’tot uitzonderingen beperkt dient te blijven’. Tien jaar later staat de teller op meer dan duizend. Nagenoeg alleen maar mannen, gevlucht uit de brandhaarden in Congo, Rwanda, Irak, voormalig Joegoslavië en, in veruit de meeste gevallen, Afghanistan.

Het probleem moet nu eindelijk eens worden opgelost, vindt de Tweede Kamer. Want terwijl straks 30.000 asielzoekers in het kader van de pardonregeling een status krijgen, zullen de afvallers Nederland moeten verlaten. En daar horen de mogelijke oorlogsmisdadigers bij.

Staatssecretaris Albayrak (vreemdelingenzaken) heeft beloofd dat ze voor 1 februari met een notitie komt over de 1F-problematiek. Ze staat voor duivelse dilemma’s: moeten zoveel mogelijk mensen strafrechtelijk worden vervolgd, ook al is dat in de praktijk kostbaar en is de kans op succes klein? Hebben mensen die niet kunnen worden berecht en die ook niet uit te zetten zijn alsnog recht op een verblijfsvergunning? Wat gebeurt er met de kinderen? Maar ook: is het stempel ’oorlogsmisdadiger’ wel in alle gevallen terecht?

Neem Saïd Abdullah, 56 jaar, afkomstig uit Afghanistan. Hij ontvluchtte zijn land in 1993 voor de moedjahedien en woont met zijn vrouw en dochters in de Randstad. Abdullah heeft 1F: hij werkte in de jaren tachtig voor de Khad. Aanvankelijk als majoor, later als kolonel.

De IND wees zijn asielverzoek af, op basis van een ambtsbericht van het ministerie van buitenlandse zaken. In dat rapport uit 2000 over de veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan staat: ’Het is ondenkbaar dat iemand die werkzaam was binnen deze diensten, ongeacht het niveau waarop hij of zij werkzaam was, niet op de hoogte was van de grove schendingen van de mensenrechten die plaatsvonden’. En verderop: ’álle onderofficieren en officieren van de Khad (...) hebben zich schuldig gemaakt aan schendingen van de mensenrechten’.

Abdullah houdt vol: „Ik werkte bij de militaire directie van de Khad en hield me uitsluitend bezig met administratieve zaken, zoals personeelsbeleid. Martelingen? Ik heb dat nooit zien gebeuren.”

Hij heeft verklaringen van voormalig gevangenen en ex-collega’s die zeggen dat de man zich nooit schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Die zijn opgestuurd naar Justitie, maar daar hoor je niets op, vertelt Abdullah.

Zijn vrouw en kinderen hebben inmiddels een Nederlands paspoort. Abdullah is al veertien jaar illegaal. Volgens zijn dochter Laila (25) wordt de situatie onhoudbaar. „Mijn vader kan niet werken, is niet verzekerd. Altijd is er de angst dat hij toch nog wordt uitgezet. Ze moeten maar met harde bewijzen tegen hem komen.”

Zijn advocaat P. Bogaers heeft het Openbaar Ministerie meerdere keren gevraagd zijn cliënt te dagvaarden. Dochter Laila: „Justitie moet eindelijk eens beslissen over zijn schuld, je laat niet iemand veertien jaar wachten”.

De kans dat Abdullah daadwerkelijk wordt vervolgd, is te verwaarlozen. Alle 1F-dossiers belanden voor onderzoek bij het team Internationale Misdrijven van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Tot op heden zijn slechts vier zaken voor de rechter gebracht, met wisselend succes.

In 2004 kreeg een Congolees, bijgenaamd ’de koning der beesten’ 2,5 cel wegens folterpraktijken. Een jaar later werden twee Afghanen veroordeeld voor twaalf en negen jaar. Beiden hadden een leidinggevende functie bij de Khad. Maar dit jaar werd een landgenoot vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. Hij was jarenlang generaal bij de beruchte veiligheidsdienst.

Het vervolgen van mogelijke oorlogsmisdadigers is kostbaar, vergt veel speurwerk in het geboorteland, getuigen zijn vaak onvindbaar of soms al overleden. Het gevolg is dat ruim duizend veronderstelde schurken hier al vele jaren als gedoogde illegalen rondlopen, klemgezet tussen internationale verdragen die hun een verblijfstatus in Nederland ontzeggen en tegelijkertijd hun uitzetting verbieden.

Wat is de oplossing? Albayrak wordt voor dit haast onmogelijke vraagstuk bijgestaan door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ). Allereerst moet volgens voorzitter Teun van Os van den Abeelen worden bekeken of mogelijke oorlogsmisdadigers toch kunnen terugkeren, zonder dat dat conflicteert met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Zorg voor heldere afspraken, zegt hij: „Ze hebben recht op een fatsoenlijke behandeling en het Rode Kruis moet hen kunnen bezoeken. Daarnaast hebben ze recht op een eerlijk proces. Nederland moet de garantie krijgen dat er geen doodvonnissen worden voltrokken.”

Met de regimes in Irak en Rwanda moeten daar volgens de voorzitter ’binnen enkele jaren’ goede afspraken over gemaakt kunnen worden. Voor Afghanistan ligt dat moeilijker: „De situatie in Kaboel is tot op heden veel te instabiel.”

Daarnaast zal er een oplossing moeten komen voor de achterblijvers. Wanneer iemand in Nederland niet kan worden vervolgd, blijft hij dan 1F’er voor het leven? Er zijn immers ’ernstige verdenkingen’ van gepleegde misdrijven; keihard bewijs ontbreekt.

En kun je de nazaten tot in de lengte van jaren straffen voor iemands daden? „Het is zeer de vraag of je iemand levenslang kunt geven”, zegt Van Os van den Abeelen.

Die laatste vraag is belangrijk, omdat Albayrak niet van plan is gezinsleden van 1F’ers wel een verblijfsvergunning te geven in verband met de pardonregeling. Want dat zou de mogelijke oorlogsmisdadiger nieuwe kansen bieden volgens artikel 8 van het EVRM: daarin staat dat iedereen recht heeft op een gezinsleven.

Dat illegaliteit eindeloos blijft voortduren is ongewenst, vindt Van Os van den Abeelen. „In het algemeen geldt dat als het maar lang genoeg duurt, het recht zich aan de feiten aanpast. Maar aan de andere kant, als je niet streng genoeg optreedt tegen 1F’ers, komen ze met bosjes hiernaartoe. Dat hebben we in de jaren negentig al meegemaakt.”

Zijn advies aan de staatssecretaris verschijnt over enkele maanden. Hij benadrukt: „Voor dit dilemma zijn geen makkelijke oplossingen.”

De namen van de Afghaanse familie zijn, op verzoek, gefingeerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden