De Duitse Macbeth die op het Holland Festival aantreedt, is een verveelde alomverwoester.

De openingsscène oogt koddig en grimmig tegelijkertijd. Zeven mannen staan en hurken op vergadertafels. De gehurkten spelen paardjehop, de anderen mennen hen strak aan de teugels. Ze joelen en kirren er op los. De Schotse veldheer Macbeth keert samen met zijn vertrouweling Banquo terug van het slagveld. Hun ’paardjes’ zijn doldriest van vreugde: ze krijsen als een kudde krolse heksen.

Amper afgestegen of iedereen zwalkt, crescenderend strijdliederen aanheffend, met een gutsende fles in de hand rond. Whisky noch andere overwinningsdrank, maar karmozijnrode vloeistof als bloed alom. Als er al sprake van een decor is, gaat dat al in de eerste minuten aan flarden. Middenop het toneel hangt een enorm vel wit papier. Wie weet een gestileerde landkaart van Schotland, dat zich nog niet bewust is van zijn verscheurde toekomst.

De ’Macbeth’ van Shakespeare die regisseur Jürgen Gosch bij het Schauspielhaus van Düsseldorf ensceneert en half juni in het Holland Festival aantreedt, is weerbarstig, onverschrokken, lijfelijk en lijvig. Maar het is wel handig en verstandig om het stuk te kennen, ook al ondertitelt het Holland Festival, want Gosch laat zijn personages letterlijk en figuurlijk voortdurend door elkaar heen kriskrassen. En gaat het Shakespeare-Duits geregeld ten onder in terloopse dictie enerzijds, geschreeuw en gesmijt met wat maar voorhanden is anderzijds.

Voor vrouwelijke toneelspelers is in dit Duits-Schotse bloeddrama geen plaats: ook Lady Macbeth, de drie heksen en Lady Macduff worden door mannen gespeeld.

Op het achtertoneel zit Lady Macbeth al gereed: ze is de enige man met een rok aan. Aanvankelijke wrevel om dat eeuwige gesol met seksewisselingen lost na het eerste kwartier van de voorstelling op. Al moet je wel even doorbijten wanneer Lady Macbeth als een hijgende ’drag queen’ met zwarte pruik verzenuwd huppeldribbelend, sigaret en pumps in de hand, de brief voorleest waaruit blijkt dat haar man na de veldslag in goede gezondheid verkeert en, zoals voorspeld, hertog van Cawdor zal worden.

Naast Lady Macbeth zit een man te wachten. Het is dat hij een kroon draagt, anders zou je niet zien dat hij koning Duncan is, het eerste slachtoffer van Macbeth. Behalve zijn kroon draagt de koning niets, hij is bloot als een zuiglammetje.

Het zesde gebod is niet van toepassing op veldheer Macbeth; als wapenfeiten heeft hij al flink wat doden op zijn kerfstok. Uit naam van gerechtigheid, want hij strijdt immers in dienst van zijn geliefde koning voor een Vikingvrij en verenigd Schotland.

Met Eucalyptagekrijs dienen de heksen zich aan. Alledrie bloot, zoniet bloter dan bloot. Koning Duncan zit tenminste nog waardig bloot te wezen, de heksen hebben van meet af aan niets te verliezen. Ze frommelen hun lulletjes tussen de dijen als waren ze zo vrouwen. Ze pissen er gedrieëlijk op los, en verorberen vergenoegd elkaars toverkollenschijt.

Eerder een potsierlijk dan een weerzinwekkend tafereel, want je ziet hoe de andere acteurs met hun toilet helpen door flessen mineraalwater als pis en ontbijtkoekpap als stront achter de heksenkonten uit te gieten.

Maar een keet is het wel degelijk. De lucht staat bol van gekerm, gesis, gepis en gekrijs. Je hoort amper dat ze ook nog iets gaan voorspellen. Hoor, daar komt Macbeth al aan! (Andere spelers roffelen ritmisch op de achterwand als het geklippetieklop van zijn paardenhoeven.)

De behouden terugkomst bij zijn Lady moet ter plekke op tafel met een stootlustige verstrengeling worden bekroond, maar een tot de rand toe met water gevuld babyteiltje verhindert dat. Het omver gesmeten teiltje verwijst naar de kinderloosheid van het echtpaar Macbeth. Ook al baarde Lady Macbeth ooit een kind, dat kort daarop stierf, en dat zij nog steeds de hersens wil inslaan. (,,Ik had, al lachte ’t tegen mij, mijn tepel uit zijn weke mond gerukt en hem het brein verplet.”)

Vanaf het moment dat hij zijn koning vermoordt, weet Macbeth dat hij geen slaap meer zal kennen. Met die ’eerste moord’ heeft hij het moeras tussen goed en kwaad gepasseerd, waarna de volgende moorden slechts fluitjes van een cent zijn. Maar nu staat hij er nog wat beduusd bij, in z’n slonzige scharlaken kamerjas.

Regisseur Gosch duidt niet waarom Macbeth zijn loyaliteit met de koning zo subiet en verbeten inwisselt voor moordzuchtig opportunisme, terwijl hij met zijn vooraanstaande positie in leger en aan het Schotse hof geen enkele reden tot verbittering heeft.

In deze ’Macbeth’-enscenering is alles van een nonchalante onontkoombaarheid. Macbeth hooguit als staatsgevaarlijke sukkelaar, als een verveelde alomverwoester. Ga ik er aan? Dan sleur ik de omgeving met me naar Hades mee. Verschroeide aarde. Niet zozeer als doel, domweg uit landerige balsturigheid.

Op de catwalk waarop later het ’verzoeningsbanket’ plaats vindt, wordt boezemvriend Banquo door Macbeth’s huurmoordenaars vermoord. Klotsklots, met de fles vermiljoen, en dood is Banquo. Fluks nog een gezinspak bakmeel over hem uitgekieperd en ziedaar Banquo’s lijkbleke geest, die Macbeth komt kwellen.

Macbeths volgelingen heffen een ontaardend lied aan, en klappen langdurig voor elkaar. Een luguber applaus: als in Noord-Korea, waar niemand als eerste met applaudisseren durft te stoppen.

Alle zeven toneelspelers zijn nu bloot, en op een of andere manier oogt dat niet maniëristisch, het valt niet eens meer op. De volledige troupe rent de zijgang op, om daar het oprukkend woud van Birnam op te halen. Zolang het bos - waarin het Engelse leger zich verschuilt - niet gaat wandelen heeft Macbeth volgens de heksenprofetie niets te vrezen.

Met takken vol lentegroen gebladerte voor de borst staan de acteurs sur place als op een schaakbord. Minstens een minuut ligt de voorstelling stil. Het bos rukt niet op maar staat daar roerloos te staan, zoals het een bos uiteindelijk betaamt. Het enige wat de spelers doen is met tonggeklak en gak-, gorgel- en fluitgeluiden zwaluwen, krekels, kikkers, uilen en overige woudbewoners nabootsen.

Als hij hoort dat het woud is gaan wandelen, tipt Macbeth zijn sigarettenas laconiek in de op tafel te ruste gelegde kroon. De kroon als asbak. Om zijn volk gaf hij al niets, om zijn troon nu ook niet meer. En, o ja; hoewel op het verkeerd gekozen tijdstip pleegde z’n Lady reeds eigenhandig zelfmoord.

Maar zijn kasteel is nog altijd zijn kasteel, en daar komt nog geen verdwaalde schaapshond onaangekondigd binnen.

Aartsvijand Macduff allicht wel. IJselijk vastberaden smijt Macduff al die urenlang over het toneel gegooide tafels en stoelen nauwgezet in een hoek. Kalm, vrijwel en passant maant hij Macbeth: ,,Komm, Bluthund, komm!”

Op zijn beurt snoeft Macbeth z’n laatste restje strijdvaardigheid: ,,Macduff, ich mach dich kalt.”

De roodtinten in de bloedplassen op het toneel meanderen tot een staalkaart als ’het dagboek van Macbeth’. Geranium, cadmium, robijn, magenta, bosaardbei, brievenbus, stierenvechterslap, Stendhal en Jeroen Brouwers, kastanje, pandora, simmerdim of tweeduister, papaver, bourgondisch en bordeaux, terracotta, Plimsollmerk, beukennootje, bietig, ponig, olmig, vossig, rabarber, (stok)roos, rooibosthee, koper, paprika, meekrapwortel, letterhout, drakebloedboomhars, Joods bruidje, cassis, bakboordbaken, pimpernel, Schots graniet, karmijn, veenbes, flamingo, lava, koraal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden