De duinen worden een groot natuurmonument

Gaaien krijsen in de dennen. Opgewonden fladderen de vogels heen en weer. Om de bocht van het duinpaadje staan we oog in oog met de oorzaak van de commotie. In het korte dorre gras ligt een vos op zijn buik, roodbruin in het heldere herfstlicht. Zijn gele ogen kijken ons strak aan. Even blikkeren zijn tanden, als hij iets weggrist dat voor hem ligt. Met het slappe lijf van een kramsvogel tussen de kaken verdwijnt hij zonder veel haast achter de ligusterstruiken.

We zijn in de Kennemerduinen bij Overveen, dat als stichting sinds de jaren veertig bestaat. Het fraaie duingebied, waar natuurbehoud altijd belangrijker was dan waterwinning, maakt nu deel uit van het Nationale Park Zuid-Kennemerland, een ruim 2500 hectaren groot duingebied tussen IJmuiden en Zandvoort, dat pas twee jaar geleden een definitieve beschermde status kreeg. Zo wordt de droom van Jac.P. Thijsse - de duinen een groot natuurmonument, van Schiermonnikoog tot Cadzand - steeds meer werkelijkheid.

Thijsse woonde in Bloemendaal. Hij zwierf hier met zijn vriend Alphonse Burdet, de vogelfotograaf, al rond in het begin van deze eeuw. Dat zal hij gedaan hebben tot de Duitsers het duin in de oorlog tot Sperrgebiet verklaarden. In 1945 overleed hij op zijn evacuatieadres aan de Militairenweg in Overveen, aan de rand van de Kennemerduinen.

Vossen kwamen in Thijsses tijd niet in de duinen voor. Ze vestigden zich hier pas in de laatste dertig jaar en zijn er nu niet meer weg te denken. Mijn dag is goed, als ik er weer eens een in het veld ontmoet.

Grote delen van de Kennemerduinen zijn bedekt met naaldbossen. Die maken er een natuurlijke indruk, maar de dennen werden geplant om verstuiving tegen te gaan. De Oostenrijkse dennen zijn beter bestand tegen zeewind dan de grove den, de voornaamste naaldboom van de Veluwe. In tegenstelling tot de kronkelig groeiende grove den, die door de zeewind nog extra vervormd wordt, is de Oostenrijkse den kaarsrecht, wat hem geschikt maakt voor mijnhout. Daar werd hij vroeger veel voor gebruikt.

Berken, espen en eiken horen van nature in de duinen. De berken zijn doorzichtiger dan in de zomer, want veel goudgeel herfstlover is al gevallen. Paarse schijnridderzwammen met bruinige hoed en lichtviolette steel en berkenboleten met grijze buisjes onder de donkerbruine hoed en een dikke zwart gespikkelde steel gaan bijna schuil onder het gevallen berkeblad. Uit het fluweelgroene dikkopmos op een dode tak steken gele hoorntjes als bleke vlammetjes omhoog. Het zijn de vruchtlichamen van een trilzwam.

LISPELEND GELUID Het espenbos tussen Koevlak en Zeeveld ziet nog geler dan de berkenbosjes. De esp heeft bijna rond blad met een platte steel, waardoor het bij het minste zuchtje wind beweegt en een zacht lispelend geluid maakt. De grauwe populier, een bastaard van de esp en de witte abeel, wordt zowel in als buiten de duinen aangeplant. Je herkent de boom aan de grote ruitvormige poriën in zijn schors. De witte abeel zie je vaker in de duinen, vooral dichter bij zee. Die is daar geplant als zandbinder, omdat uit wortelopslag van een enkele boom hele bossen van schriele boompjes ontstaan. De moederboom steekt daar dan boven uit. Abelen zijn al uit de verte te herkennen aan hun witviltige bladeren en bleke takken. De onderkant van de bladeren blijft wit, als het loof in de herfst tot bijna zwart verkleurt.

GEVOELIG EIKEMOS

Eiken vind je met name in het binnenduin. Waar het zand nog niet lang geleden in beweging was, zijn de zomereiken vaak laag en breed, omdat een deel van de stam zich onder opgestoven zand bevindt. In het Zeeveld zie je de eiken ten voeten uit. Hun kruinen zijn nog groen, maar wat al aan blad is gevallen is dofbruin. Eikemos, ook pletmos of smal schorsmos genoemd, bedekt de ruwe stammen. Dit korstmos, dat gevoelig is voor luchtvervuiling en met name niet tegen ammoniak en zwaveldioxide kan, vind je nauwelijks meer in landbouwgebieden. De groengrijze of schimmelgroene afgeplatte struikjes hangen naar beneden met thallusslippen die zich meermalen in tweeën splitsen.

Onder de eiken in het Zeeveld groeien groene knolzwammen, dodelijk giftige hoedpaddestoelen, verwant aan de vliegenzwam. Vooral als de gewoonlijk zeepgroene tot bronskleurige hoed tot wit is verbleekt, hebben ze het bedrieglijke uiterlijk van een champignon, wat tot fatale vergissingen kan leiden.

In het Zeeveld vind je alle struiken die in de duinen voorkomen. Het laagst zijn de duindoorns, de vrouwelijke struiken oranje van de bessen. Troepen kramsvogels uit het noorden zijn erop neergestreken. Merels vliegen op uit de meidoorns, waarvan de rode appeltjes bij de kramsvogels minder in trek zijn. Diep scharlakenrood zijn de kardinaalsmutsen door de vele vruchten tussen het laatste, prachtig karmijnrood, oranje en zalm verkleurde blad. De glanzend oranjerode bottels van de egelantier en de hondsroos lijken op elkaar, net als de bloemen in de zomer. Bij de egelantier blijven de kelkbladen als een opgericht kroontje aan de vrucht, bij de hondsroos zijn ze teruggeslagen en veelal al afgevallen voordat het winter is. De duinroos, die in de Kennemerduinen meest niet hoger is dan je enkels, heeft zwarte en kogelronde, glimmende bottels aan de dicht met lange en kortere dunne stekels bezette takken. Goudgroene duinsterretjes flonkeren in de zon. 's Zomers is dit duinmos nauwelijks te herkennen, als het verdroogd is tot een soort grijsbruine tabak. Bijna zwart is het donkergroene zandhaarmos, dat samen met het duinsterretje het losse zand vasthoudt. Vliezig verdroogde loodgrijze bovisten lijken los op het mos te liggen. Als we tegen de stuifballen tikken, komt er een bruin sporenwolkje uit.

GIFTIG KRUISKRUID

Als het zand eenmaal is vastgelegd door het mos, kunnen zich daar andere planten vestigen. Hier en daar zie je de stengeltjes met rolronde blaadjes van muurpeper, maar duidelijker zijn de winterrozetten van stal- en koningskaars, slangekruid en middelste teunisbloem en vooral van vroegelingetje, duinreigersbek en duinkruiskruid. De laatste is de niet stralende duinvorm van het jakobskruiskruid, dat giftig is voor paarden en runderen: die kunnen doodgaan als ze ervan eten. Konijnen zijn minder gevoelig voor het gif. Als er weinig anders te vinden is, bijten die in de winter de rozetten af om het bovenste deel van de wortel op te eten. Dat is niet erg voor de plant, want uit de wortelresten die in de grond zijn achtergebleven, schieten in het voorjaar nieuwe planten op. Vaak zie je de mooiste kruiskruidplanten juist bij konijnenholen.

NATUUR DEZE WEEK

Deze week hoorde ik nog een zingende tjiftjaf, waarschijnlijk de laatste van het jaar. De tjiftjaffen trekken weg naar het zuiden, maar gaan niet verder dan Noord-Afrika. Vele blijven in Frankrijk hangen en een klein deel overwintert in ons land. Onder de tjiftjaffen die nog in december in ons land te zien zijn, kunnen zich Scandinavische en Siberische tjiftjaffen bevinden, die tot een andere ondersoort behoren dan onze broedvogels. ù Het is al veertig jaar geleden dat de patrijs een algemene broedvogel was. Dat komt vooral door veranderingen in zijn biotoop. Heggen en ruige hoekjes om te nestelen verdwijnen, onkruidveldjes, van groot belang voor de kuikens, zijn in het agrarisch gebied bijna nergens meer te vinden. In deze tijd zwerven koppels patrijzen over weiden en bouwlanden, waar ze voornamelijk van zaden leven. Vooral tegen de avond is de roep van de haantjes te horen: een vaak herhaald, scherp 'kirruuk'. ù De kruisbek broedt hoofdzakelijk in oude sparrenbossen in het oosten van het land. Buiten de broedtijd, die samenhangt met het rijpen van de sparappels en soms al in februari begint, zwerven kruisbekken rond en kun je ze tegenkomen in alle bossen waar sparren staan. Met hun scheve snavels met gekruiste punten halen ze de zaden uit de kegels. Volwassen mannetjes zijn mooi rood gekleurd, de vrouwtjes groen, de jongen bruin. Wie kruisbekken zoekt, moet op het geluid afgaan, een zacht 'tjuuk-tjuuk' of metalig 'kiep-kiep'. ù Tot de wintervlinders behoort de bruingebandeerde vlinder, een spanner die rust met de voorvleugels over de achtervleugels plat op de ondergrond gedrukt. ù De gevlekte aronskelk heeft al weer groene spruiten boven de grond, terwijl de Italiaanse aronskelk zijn wit geaderde blad volledig ontplooid heeft. De in ons land inheemse gevlekte aronskelk is gevoeliger voor vorst dan de Italiaanse, die een uit het zuiden afkomstige stinzenplant is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden