Opinie

De drempel (I)

Langs onze wijk loopt een weg. Om te voorkomen dat op die weg te hard gereden wordt zijn er verkeersdrempels aangebracht. De tweebaansweg wordt daar éénbaans, ingeklemd tussen twee vluchtheuveltjes met een stalen hek erop. Vroeger stonden er bij die drempels borden die bepaalden welke rijrichting voorrang had, maar een tijd geleden zijn die weggehaald. Ik dacht aan een vergissing, maar het bleek beleid.

Moderne verkeersplanners streven naar minder borden. Langs de snelweg word je om de honderd meter herinnerd aan de maximumsnelheid te herinneren, alsof snelverkeer een vorm van alzheimer is, en hier is één bordje te veel.

Op Kerstavond deed ik om een uur of zes nog even snel een boodschap. In de auto van mijn vrouw reed ik over de weg met de drempels. Aan de andere kant van een van de drempels naderden drie auto’s. Het was duidelijk dat zij redelijke voorrang hadden, ze waren dichterbij de drempel dan ik en reden bovendien vrij hard. Ik herkende ze, het waren de jongens die het schoolplein van een eind verderop tot hangplaats gekozen hebben en met hun boyracers langs die weg crossen.

Toen ze voorbij waren zette ik de auto in beweging en reed naar de drempel. Uit de verte naderde een auto. In plaats van vaart te minderen gaf hij juist gas, en in plaats van naar rechts te gaan reed hij rechtdoor. Ik was de drempel alweer bijna af toen hij voor me stond, op nog geen vijf centimeter afstand. Het was donker, het regende, ik zag alleen twee koplampen. Ze bleken toe te behoren aan een grote, nieuwe, zilvergrijze Mercedes. Het soort auto waar geslaagde zakenmannen van vijftig en ouder in rijden. Verstandige mannen, die geen trammelant willen.

Ik wachtte. De Mercedes begon met z’n lichten te flitsen. Wilde hij dat ik achteruit ging? Het portier van de Mercedes vloog open. De bestuurder was geen bezadigd heerschap, maar een jongen van een jaar of 25. Hij droeg een grijze trainingsbroek, AirNikes en een nylon jekkie met een bontgevoerde capuchon. Sinds ik in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt gewoond heb herken ik een speedloopje van verre, en dit was er een. Met symmetrisch klapwiekende armen kwam hij naderbij en gaf een geweldige dreun op de zijruit, zo hard dat hij de ring aan zijn pink ontwrichtte. Woedend liep hij terug om zijn hand in het licht van de koplampen te inspecteren. Waar een steen had gezeten gaapte een leegte. ’Verdomme!’ schreeuwde hij. ’Verdomme! M’n ring!!!’

Ik zocht intussen koortsachtig naar het knopje van de centrale deurvergrendeling. Waar zat ook alweer in deze auto? Speedy Bontcapuchon kwam terug. Stuiterend van razernij begon hij te schelden, de kreten ritmisch afgewisseld met slagen op de ruit, die tot mijn verbazing heel bleef. (Ik herinner me vooral ’brillenjood’)

Ik keek in m’n binnenspiegel, vlak achter me stond intussen een auto, ik kon geen kant op. Ik draaide het raam een klein stukje naar beneden. „Ja sorry”, zei ik, „het was toch duidelijk dat ik voorrang had? Als u twee meter achteruit gaat, is het opgelost.”

„Ik rij hárd!”, riep Speedy, „je ziet toch dat ik hárd rij!?”

Toen werd het achterportier van mijn auto opengetrokken.

(wordt vervolgd)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden