Opinie

De drempel (II)

Wat voorafging: op kerstavond kwam ik in een wegversmalling bumper aan bumper te staan met een tegenligger die eiste dat ik achteruitging, ofschoon ik voorrang had. De bestuurder, Speedy Bontcapuchon, slaat direct in op mijn auto en uit dreigende taal. Toen werd het achterportier van mijn auto opengetrokken. Een jongeman in hetzelfde uniform als Speedy stak zijn hoofd naar binnen en riep iets. Schuin achter me waren drie auto’s gearriveerd: maatjes van Speedy, die zich afvroegen waar hij bleef. Inclusief Speedy waren er nu acht gastjes op de been, allemaal in Air-Nikes, trainingsbroek en nylon jekkie met bontcapuchon. Springend en krijsend dansten ze rond de auto, als een makakenkolonie rond voedertijd. Nu was voor iedereen duidelijk dat de auto niet afgesloten was – koortsachtig keek ik om me heen, hoe deed je dat toch ook alweer?

Met een smekend gebaar vroeg ik de auto achter me of hij niet een heel klein stukje naar achteren kon. Hij kwam in beweging, het was maar tien centimeter, maar precies wat ik nodig had. Terwijl de makakenkolonie zijn rondedans voortzette, wurmde ik de auto vrij. Blijkbaar ervoer Speedy deze ontknoping als onbevredigend, want net toen ik mij definitief uit de wielen wilde maken, werd mijn eigen portier opengetrokken. Speedy probeerde me naar buiten te trekken. Ik zat half gedraaid in verband met het achteruit rijden, dus hij vond geen houvast. Ik gaf gas, Speedy wilde nog een poging doen maar moest tegelijk achteruit lopen, een lastige combinatie. Uiteindelijk hing hij aan het portier, aan beide oksels. Ik trapte hard op de rem. Het portier sloeg dicht, met Speedy en al, wiens bovenarmen dus bekneld raakten. Ik liet het stuur los en gaf met twee handen een extra ruk aan het portier, net toen Speedy probeerde zijn armen te bevrijden.

’AU!’, riep hij en liet los. Ik trok het portier dicht, duwde het afsluitpalletje naar beneden (waarop het bevrijdende kla-klak van de centrale deurvergrendeling weerklonk – ach natuurlijk!), reed zo hard ik kon achteruit, passeerde een zijstraat, keerde om en stoof ervandoor. ’Erachteraan!’, hoorde ik Speedy nog roepen.

Ik was ontsnapt, maar wel de meest ongunstige kant op – hier liep de ventweg dood. Om echt weg te komen, zou ik de hele wijk door moeten, kronkelige, vaak eenbaanswegen, talloze kruisinkjes, waar telkens een van mijn achtervolgers kon opdoemen. Dan zou ik echt de pineut zijn. Gelukkig gebeurde dat niet, ik bereikte een doorgaande weg. Hier zouden ze moeten gokken, ging hij links of rechts? Ik gokte erop dat zij op links zouden gokken, de stad uit, dus ik ging rechts, de stad in.

Het was kerstavond, er was nauwelijks verkeer, ik moest me verstoppen – daar kwam het op neer. De oprijlaan van een villa? Doen alsof je verkeerd bent gereden? Langs die doorgaande weg is een groot café-restaurant, met daarachter een parkeerterrein. Helemaal aan het eind, verscholen achter een lange rij auto’s, vond ik een plekje, half in de berm. Onzichtbaar, vanuit alle richtingen. Ik ging het restaurant binnen, bestelde een biertje en verschool me achter een krant. Even later zag ik ze voorbijrijden. De Mercedes voorop, de drie GTI’tjes erachteraan. Toen ging mijn mobiele telefoon.

(WORDT VERVOLGD)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden