De dramaturgie van Pasen

Afgedekt beeld op het Jozefaltaar in de rooms-katholieke Krijtberg of Sint-Franciscus Xaveriuskerk in Amsterdam. Cover: het beeld van Jezus boven het altaar in de Krijtberg is met wit doek afgedekt. (FOTO JÿRGEN CARIS, TROUW)

Voor schrijver Willem Jan Otten is Pasen een strohalm, een uitzinnige en hachelijke fictie, waarbij je je probeert voor te stellen dat je deel uitmaakt van de menigte die Jezus vervolgt. „Juist daarom besef je hoe nodig je de Opstanding hebt.”

De gang van een kerkganger door het jaar heen lijkt op die van een reuzenrad: steeds kom je op je vertrekpunt uit. Dat heet Pasen.

Pasen wordt in de katholieke rite voorafgegaan door een surrealistische week waarin de laatste dagen van God worden nagespeeld. Op Palmzondag trekt hij in zijn hoedanigheid van Jezus Jeruzalem binnen op een ezelsveulen. Je juicht hem dan toe als de verlosser. Dit juichen is een vorm van ironie, want je weet dat Jezus enkele dagen later, op Witte Donderdag, tijdens een avondmaal, zijn eigen dood zal aankondigen. In plaats van een redder blijkt hij machteloos te zijn. In afwachting van zijn arrestatie zal hij smeken om een ander einde dan hem kennelijk is toegemeten. „Laat deze kelk aan mij voorbij gaan.”

Op Goede Vrijdag wordt, per Kruiswegstatie, de dood van God geënsceneerd. Weer stel je je voor dat je toeschouwer en meelever bent, van een misdaad – het is onmogelijk om niet medeplichtig te zijn. Op Stille Zaterdag is de kerk godverlaten, de beeltenissen van Jezus zijn nog met witte doeken, waden welbeschouwd, afgedekt. En op zondagochtend vroeg, ’de derde dag’, verrijst hij, tijdens de Paasmis – en dan is duidelijk dat deze zelfgezochte dood geen einde was, maar een geboorte. Terwijl het rad krakend weer gaat draaien, wensen de kerkgangers elkaar geluk, en zeggen zij, in navolging van de oosters-orthodoxen: de Heer is waarlijk opgestaan.

Mijn eigen deelname, sinds tien jaar, aan deze dramatische orde is een hachelijke kwestie. Ik lijk op Iljoesja, uit ’De broers Karamazov’, die zijn hond een stuk vlees met een speld erin heeft gevoerd, en de hond is verdwenen, en dus dood, dat weet Ilsjoesja zeker. En dan, als hij heel erg ziek is, en vertwijfeld over het lot van zijn hond, brengen zijn vrienden een andere hond binnen en dan doet iedereen, de ijlende Ilsjoesja incluis, alsof die andere hond de vermoorde hond is.

Ik bedoel: Pasen is een strohalm, dat weet iedereen die eraan doet, en juist daarom, omdat het zo’n uitzinnige, hachelijke fictie is, waarbij je je zo goed mogelijk probeert voor te stellen dat je deel uitmaakt van de menigte die Jezus vervolgt – juist daarom besef je hoe nodig je de Opstanding hebt. Zo nodig als het geneurie, in de badkamer, van je geliefde als je ’s morgens na een bozige droomnacht ontwaakt.

Pasen is, kortom, een oefening. Je probeert te begrijpen wat God voor je betekent door hem te laten sterven.

Dit is niet bedoeld om te zeggen dat als iemand zonder deze sacramentele oefening kan leven, hij van een mindere, onfatsoenlijkere soort is dan een gelovige; het is bedoeld als een soort bekentenis: ik kan niet zonder. En ik neem deel aan de symbolische orde van de kerk om de man te vereren die volgens haar, net als Dostojevski’s hond, de plaatsvervanger heeft willen zijn, en daar (want het verhaal van Jezus is op een essentieel punt anders dan dat van Dostojevski) zijn leven voor heeft gegeven.

Dit is een oneigentijdse act, die vloekt bij iets wat ik wil zijn: een vrije democraat. Toch buig en kniel ik in de Kerk voor een mens. Daarmee geef ik te kennen dat hij over mij heerst. Zozeer dat ik hem God noem.

De christelijke religie is een bij uitstek scenische affaire, die meer gebaat zou zijn met een dramaturgie dan met theologie. Misschien heeft mijn herontdekking van Christus in de jaren negentig te maken met het feit dat ik toneel schrijf, dat mijn gedichten dikwijls situationeel zijn, en dat ik ook mijn romans beschouw als opeenvolgingen van scènes. ’Het’ speelt zich voor mij tussen de mensen af, in ruimtes, met mise-en-scènes. Dat is mijn manier om uit het gespiraal rond mijn eigen doodlopende gedachten te komen, en tot inleving (waarmee ik bedoel: een voorstelling van iemands innerlijk). En zo droom ik ook, en zo werkt ook mijn geheugen, waar het om de belangrijke gebeurtenissen van mijn leven gaat. Ik droom in andermans gedachten.

Een van de grote, vormende gebeurtenissen is voor mij, op mijn vijfde – voor ik kon lezen – een bezoek met mijn vader aan de Brakke Grond geweest. Ik weet niet of ik toen al wist dat de ruimte die wij betraden de Brakke Grond heet. Er was iets vreemds met deze ruimte: alle stoelen stonden één kant uit, maar vóór ons was niets te zien. Tenzij je een gordijn ’iets’ noemt, maar dat is het voor een vijfjarige natuurlijk niet.

Waar waren we voor gekomen? Ik vroeg mij dat af, en mijn vader zei: je moet niet schrikken, want straks komt er een koe. Ik denk dat ik dit een rare zin vond. Komt er een koe. Waar? Ik was een grotestadskind, ik vraag me af of ik ooit echt een koe had gezien. Wel olifanten en mensapen, in Artis, en dus zeeleeuwen. Voor ik mijn vader om nadere informatie kon vragen, was iedereen half achterover in zijn stoel gaan zitten, en sommige mensen stonden op, kinderen gingen op hun stoel staan.

Omdat ik bijzonder klein was (op alle foto’s uit mijn jeugd kom ik alleen met mijn voorhoofd boven de onderste rand uit), zette mijn vader mij op zijn nek en pakte mijn voeten stevig vast. Wat ik zag was pas een koe toen het loeide en sjokte, en door een onverstaanbaar schreeuwende man door het middenpad naar voren werd gedreven, naar het gordijn. Het kan zijn dat ik geschrokken was, van de reuring, het geloei en het geschreeuw – in ieder geval tilde mijn vader mij toen de koe ons loeiend passeerde van zijn nek en fluisterde hij: Hij is niet echt, hoor.

Mijn vader is een half jaar geleden gestorven, en ik heb nagelaten om tijdens onze laatste gesprekken te vragen waarom hij deze vijf woorden heeft gesproken. Hij is niet echt, hoor. Was hij bang dat als de koe voor mij echt bleef, mij een zielewond toegebracht zou worden? Vreesde hij dat ik, als ik eens een echte koe zou zien, nooit meer zou kunnen geloven dat dat dan een koe was? Of was hij zelf geschrokken van de koe – van tóch even echt geloven dat hij echt was, net zoals je lang na van Sinterklaas gevallen te zijn toch nog een droge keel kunt krijgen als hij binnen komt? Of wilde hij de vadermacht voelen – de echte, enige orde zijn, die rustig en met gezag onderscheid maakt tussen koe en schijn?

Hier houdt de herinnering op. Later heb ik begrepen dat ik bij ’De klucht van de koe’ van Bredero was geweest, in de regie van Ton Lutz. Ik kreeg een koe die op het moment dat hij loeide alweer niet echt bleek te zijn, en vervolgens – dat weet ik zeker – ben ik, als alle kinderen in de zaal, mee gaan loeien, en dus: doen alsof hij echt was, en nóg zekerder weet ik dat ik vervolgens, zo lang als de voorstelling duurde, niet meer getwijfeld heb aan deze echtheid.

Maar het vaderzinnetje ben ik nooit vergeten.

Hij is niet echt, hoor.

Om eerlijk te zijn begrijp ik er niets van, wat bestaat

is alleen onze extatische dans, als deeltjes van een

groot geheel.

Ze worden geboren en sterven, de dans laat niet af,

ik sluit mijn ogen,

me verwerend tegen de menigte beelden die op mij

afstormt.

Misschien veins ik alleen maar gebaren en woorden,

en daden,

vastgehouden in het mij toegewezen veld van de tijd.

Als homo ritualis, mij daarvan bewust, vervul ik

wat aan de meester van één dag wordt

voorgeschreven.

Dit is het zestiende gedicht van Wreslaw Milosz’ 23-delige cyclus ’Theologisch traktaat’, in de vertaling van Gerard Rasch.

Milosz schreef het op negentigjarige leeftijd, in 2001. Hij is in 2004 gestorven; geëerd als de grootste dichter van Polen, en volgens velen van zijn tijd. Rasch was niet veel eerder gestorven, al eveneens geëerd, als belangrijk vertaler, van onder meer ook Zbigniew Herbert en Wislawa Szymborska.

Ik weet niet zeker of de gedichten van het Traktaat helemaal poëzie zijn. Het werk van Milosz is met zijn ouderdom onder een steeds groter spanning tussen beweren en zingen komen te staan. Ze zijn schijnbaar improviserend tot stand gekomen, ze denken hardop – het is gedachtenpoëzie, van iemand die eruit probeert te komen. Het is alsof hij een gesprek met je aanknoopt, omdat je hem een vraag hebt gesteld. Begrijpt u er iets van, van waarom u bestaat? Waarom u, gepokt en gemazeld door de moderniteit, gelooft dat u gelooft? Grappig genoeg heeft de cyclus daardoor iets van een catechismus, een Waartoe Wij tot Onze Verbazing Klaarblijkelijk Op Aarde Zijn.

De cyclus is, op Milosz’ ironische, zelfspottende wijze, testamentair: hij geeft tegen een bijna hilarisch beter weten in zijn geloof door, zijn rooms-katholieke geloof met mystiek-ketterse trekjes. Als dichter, zegt hij in de laatste regels van het traktaat, kan hij niet instemmen met de primitieve kanten van zijn religie – zoals „het versterken van nationale hersenschimmen”, zoals in Polen met behulp van de Kerk sterk is gebeurd – maar ik ben, zegt hij, ook nu, vlak voor mijn einde, iemand die:

niettemin trouw wens te blijven aan Uw

ondoorgrondelijke intentie

om U te vertonen aan de kinderen in Lourdes en

Fatima.

Vreemde woorden, die van de christelijke religie nu precies dat bezingen wat als het achterlijkst en het krankzinnigst wordt beschouwd.

Milosz groeide op in de jaren dertig in Polen en kwam tot poëtische rijpheid in de Tweede Wereldoorlog. Zijn moderne redelijkheid heeft van hem een argwanend intellectueel gemaakt. Ook de ideologie van het naoorlogse Polen, het communisme, ging hij betwijfelen; in de jaren vijftig liep hij over naar het Westen. Over de breuk met zijn vrienden die in Polen bleven schreef hij al in de jaren vijftig een verontrustend essayboek, ’De geknechte geest’. Het is een oefening in begrijpen waarom mensen hun ziel verkopen aan mensonterende overtuigingen. Hij bleef in een permanent verzet leven tegen de totalitaire verleiding – ook de westerse neoliberale. Toch was de grote tegenstelling in zijn bestaan niet alleen die tussen dichter en -isme, ook die tussen zijn moderne scepsis en zijn geloof groeide. Maar Milosz is, anders dan zovelen, nooit gaan zeggen dat hij zo modern was geworden dat hij de menswording van God als een overwonnen absurditeit moest gaan zien. Hij heeft zich nooit gemengd in het koor van diegenen die van steeds meer religieuze aannames gingen bewijzen dat we daar niet meer in kunnen geloven, en al helemaal niet meer hoeven.

Het grote religiebetwijfelproces van de moderniteit beschouwde hij niet als bevrijdend. Als we, door voortschrijdend wetenschappelijk inzicht en wat we over de menselijke aard te weten zijn gekomen sinds de Holocaust, niet meer kunnen geloven dat er een God is, moeten we dan ook geloven dat er geen God is?

Voor Milosz bleek „geloven dat er geen God is” even ondoenlijk als „geloven dat er geen poëzie is”. Waarom is er deze ongeneeslijke drang om woorden die eerder raadselachtig dan redelijk zijn samen te laten pakken tot verbazingwekkende wolkjes van taal? Waar komt het vertrouwen vandaan dat er lezers zullen zijn die deze, opzienbarend nutteloze, maaksels zullen lezen?

Op enkele plaatsen vergelijkt Milosz poëzie met de andere, schijnbaar volslagen overbodige wijze waarop het menselijk bewustzijn zich kan samenrapen tot besef: het gebed.

Ik weet alleen dat het gebed een brug van fluweel

bouwt

waarover we lopen en als van een trampoline

opstijgen

boven landschappen met de kleur van rijp goud,

omgetoverd door de magische stilstand van de zon.

(Over het gebed, 1984)

Met andere woorden – als Milosz, met zijn grote, ontvankelijke dichtersoor, naar zichzelf luistert dan ruist en rommelt er poëzie, iets dat zich primair verwezenlijkt als gebed en zich soms materialiseert tot een gedicht. Daarom ziet hij de gelovigen in Lourdes en Fatima als soortgenoten, collega-dichters. Op bezoek in Lourdes raakt hem, meer dan al het andere, de elementaire argeloosheid van de kinderen die de Mooie Dame met in haar jurk Knoopjes (die vermeldt hij, als een soort reviaans extraatje, met nadruk) te zien hebben gekregen. Als hij zich begeeft in een biddende menigte, schrijft hij: „voel ik me goed. (...) Omdat zij geloven, helpen ze mij geloven/ in hun eigen bestaan, van onbevattelijke wezens”.

Met andere woorden: het geloof is er, en het is onweerstaanbaar want het stelt biddend de knoopjes van Maria aanwezig – en wat is dat anders dan poëzie? Maar de scepsis is er ook, en die is onweerlegbaar, zij het dat hij, in het uur van het gebed, tijdelijk is uitgeschakeld.

Het is bevrijdende poëzie, die Milosz sinds, zeg, zijn zestigste is gaan schrijven, want hij leert je dat er in de boezem van een modern mens, democratisch en onderzoekend van geest, een niet te beslissen spanning heerst: tussen wetenschappelijke achterdocht en kinderlijk vertrouwen, tussen realisme en mystiek, tussen proza en poëzie, tussen kennen en weten. Dit gevecht kan ontkend worden. Je kunt denken (wat welbeschouwd de meeste intellectuelen doen) dat het gevecht een probleem is dat moet worden opgelost. Dan kies je voor één van beide posities, de sceptische uiteraard, en dan beschouw je de andere positie als overwinbaar en uitwisbaar.

Maar zij kan ook aanvaard worden, de spanning. En daarmee geef je te kennen dat je tragisch bent, een homo tragicus. „Het woord oplossing raakt niet aan het tragische”, schreef de Engelse schrijver John Berger tijdens de Wende. „We moeten ons laten raken door het tragische, misschien leren we ervan.”

Met zijn werk maakt Milosz duidelijk dat deze aanvaarding hem, bijna tot zijn eigen verbazing, verzoent met de christelijke religie en met haar aanstootgevende, mateloze gebeurtenis die zich altijd maar weer in haar hart afspeelt, met Pasen. Het lijden, de dood en de opstanding van God.

Een innerlijke spanning aanvaarden betekent ook: de nederlaag erkennen. Religie is volgens Milosz’ landgenoot, de filosoof Leszek Kolakowski „hoe mensen het leven aanvaarden als een onvermijdelijke nederlaag”. Want je gelooft niet langer meer dat je met je vernuft de ene kracht de andere kunt laten uitroeien. Er is geen oplossing meer, en in de plaats daarvan komt er mysterie. „Ik ben voor mezelf onverklaarbaar geworden”, zegt Augustinus, ongetwijfeld een van de rationeelste mensen van zijn tijd, die voor zijn bekering niets liever wilde dan al filosoferend het bestaan tot een oplossing brengen.

De inzet van de tweestrijd is niet de overwinning van een van beiden, maar op paradoxale wijze de nederlaag van allebei. Je bent een tweestrijd – je erkent je tragedie.

Maar eigenlijk en ten diepste hoop en vertrouw je erop dat de strijd zal eindigen in een omhelzing. En die is al begonnen met de erkenning van de tragische gespletenheid als een conditie. Je bent onbeslist, onbevattelijk, „je wordt voor jezelf een raadsel” (Augustinus). En je danst mee, met „onze grote extatische dans, als deeltjes van een groot geheel”.

Milosz noemt zichzelf treffend een homo ritualis – een mens met de ingeschapen neiging tot ritueel, een sacramenteel zoogdier. „Als homo ritualis, mij daarvan bewust, vervul ik/ wat aan de meester van één dag wordt voorgeschreven”. De angel zit ’m in het tussenzinnetje „mij daarvan bewust”. De tweestrijd is onloochenbaar. Als ik mij, ontroerd, of uitgeput, of gewond voeg naar de symbolische orde, ben ik mij bewust, flitst mijn scepsis op, zie ik mijzelf zitten, weet ik dat God mijn projectie is. „Maar ik blijf herhalen: ’Ik geloof in God’ en weet: er is niets waarmee ik dat kan rechtvaardigen.”

Nogmaals: niet alleen de ontmaskerende rede, ook God lijdt hier zijn nederlaag. Hij maakt zich zo mogelijk nog kleiner dan wij – hij laat zich kruisigen, hij roept: waarom hebt u mij verlaten, hij hangt met lege handen een toonbeeld van nederlaag te wezen.

Heb begrip voor mensen met een zwak geloof, zegt Milosz in zijn tweeëntwintigste gedicht.

Heb begrip voor mensen met een zwak geloof.

Ik geloof ook de ene dag wel, en de andere niet.

Maar ik voel me goed in de biddende menigte.

Omdat zij geloven, helpen ze mij geloven

in hun eigen bestaan, van onbevattelijke wezens

(-)

Natuurlijk, ik ben sceptisch, maar ik zing mee

en overwin op die manier de tegenstelling

tussen mijn privégodsdienst en godsdienst van het

ritueel.

Milosz heeft het hier over zichzelf, inderdaad op biddende wijze. Iemand die gelooft, of gelooft dat hij gelooft, of gelooft dat hij met zijn bestaan verzoend kan worden – wat een andere manier is om te zeggen dat hij zou willen kunnen vertrouwen op verlossing – kan over deze dingen alleen maar persoonlijk spreken, namens zichzelf. Toch heeft hij de anderen nodig, zoals ik nu hem, om toch namens mijzelf te spreken. „Omdat zij geloven, helpen ze mij geloven/ in hun eigen bestaan, van onbevattelijke wezens.”

Het doet mij niet weinig dat een door de twintigste eeuw zo gepokt en gemazelde, de realiteit onder ogen komende en door alle dalen van ontreddering gedreven man kon geloven dat anderen geloven. Uit zijn werk en uit zijn ’Theologisch Traktaat’ maak ik op dat hij de rituele, symbolische strohalm van Pasen steeds meer als een geschenk is gaan zien. Als bij uitstek dat wat hem vormde terwijl het niet zijn eigen maaksel was.

Er is intussen geen gelovige, zeker in ons deel van de wereld niet, die zich niet om de andere dag een vreemdeling voelt in zijn kerk. Maar in scherven ligt zij niet, de symbolische orde met haar liturgie en haar sacramenten. Zij ligt altijd maar klaar, dwars door alle crisissen heen, dankzij de miljoenen mensen die van elkaar geloven dat ze geloven, en die, zonder ooit echt goed te bevatten wat ze overkomt, de ene gebeurtenis, die van Pasen, celebreren. En daar als het moet zo gegrepen door zijn dat ze soms zelfs in het skaileer van de priesterstoel, in de plooien van de rugleuning, het gelaat van hun geliefde verlosser ontwaren. Daarover berichtte de Volkskrant een paar weken geleden, onder een foto van een priesterstoel in een kerk op de Filippijnen.

Zolang Jezus nog in het meubilair verschijnt laat ik mij niet uitschrijven uit de Kerk – hoezeer ik in haar boezem bid dat bijvoorbeeld eens haar homoseksuelen ook door de bisschoppen hardop worden beschouwd als zegenbare zondaars geneigd tot alle kwaad maar tot alle liefde geroepen.

Zij is, om met die andere tragische denker Gerard Reve te spreken, ongetwijfeld „een eigenaardige kerk, in de ene hoek zitten ze te breien, in de andere dat breiwerk weer uit te halen”. Ik denk dat dat een manier is om te zeggen wat ik Antoine Bodar tijdens de rel over de Holocaustontkenner hoorde zeggen – dat we als we onze trouw belijden ook aan de Kerk lijden. Voor mijzelf sprekend zie ik niet hoe mijn demonstratieve uitschrijving mij uit dat lijden had zullen verlossen, en al helemaal niet wat het uit zou maken.

Morgen is het Pasen – en ik wil daar bij zijn. Want de kerk is ook het vreemd onuitroeibaar koraalrif gegroeid rond de herinnering aan de uitroeibaarste van alle mensen. Dat was Jezus toen hij zei dat hij Gods wil deed. Een quantité négligeable, voor altijd overgeleverd aan het geloof van mensen die hem niet begrijpen.

Hij is niet echt, hoor.

Ik weet niet of het iets verklaart, de herinnering aan mijn vader. Maar op een of andere manier geloof ik dat mijn verlangen om deel uit te maken van de symbolische orde (die in haar hoedanigheid van kerk in de verste verte nergens te bekennen was, want wij waren van huis uit, zoals dat in de Rivierenbuurt heette, ’niets’) met dat zinnetje begonnen is. Als je het niet gelooft is het niet echt. Met een koe die niet bestond, maar wel verscheen, vervolgens betwijfeld werd, en toch ergens in een hoekje van mijn geheugen is blijven loeien, als in een gedicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden