De draai naar rechts

Moslima's luisteren in de Amsterdamse Apollohal naar een lezing van de islamitische prediker sjeik Khalid Yasin tijdens het eerste Nationaal Islam Congres, 17 mei 2009. (Trouw) Beeld ANP
Moslima's luisteren in de Amsterdamse Apollohal naar een lezing van de islamitische prediker sjeik Khalid Yasin tijdens het eerste Nationaal Islam Congres, 17 mei 2009. (Trouw)Beeld ANP

De Amerikaanse schrijver Bruce Bawer buigt zich over de spectaculaire opmars van rechts in West-Europa. Hoe komt het dat links zijn glans verloor?

Toen in de jaren zestig Nieuw Links opkwam, ontstond er tegelijkertijd iets anders dat de Amerikaanse elites in de daarop volgende decennia zou kenmerken: de idee dat het sociaal-democratische West-Europa veruit superieur was aan de kapitalistische Verenigde Staten. Denk eens aan de arme Amerikaanse professor, voor wie elk uitstapje naar een wetenschappelijke conferentie in Europa bedorven werd door de sneren bij de borrel van zijn Europese collega’s over de schandalen waarin zijn land nu weer verstrikt was geraakt – Vietnam, Watergate, Irak – en over racisme, de doodstraf, of de gezondheidszorg. Voor een groot deel van Amerikaans Links was West-Europa niet minder dan een progressieve utopie.

Dit rooskleurige plaatje heeft natuurlijk nooit geklopt. Europa’s gezondheidszorg bijvoorbeeld kende belachelijk lange (en soms dodelijke) wachtlijsten. Ander voorbeeld: Timbro, een Zweedse denktank, becijferde in 2004 dat Zweden armer was dan alle Verenigde Staten op vijf na, en dat Denemarken armer was op negen staten na.

Maar de afgelopen jaren is er nog iets gebeurd dat het door links verzonnen plaatje verder compliceert: het wijdverbreide verzet onder West-Europese kiezers tegen de sociaal-democratie.

Die verschuiving heeft twee, met elkaar samenhangende hoofdoorzaken. De belangrijkste is dat de Europese sociaal-democratische politieke, culturele, academische en media-elites de afgelopen drie decennia de grote immigratiegolf vanuit de moslimwereld – de grootste in zijn soort uit de menselijke geschiedenis – geleid en met verve verdedigd hebben. Volgens Foreign Affairs waren er in 2005 tussen de 15 en 20 miljoen moslims in West-Europa. Eén bron berekent dat de moslimpopulatie in Groot-Brittannië groeide van 82.000 in 1961 naar 553.000 in 1981 tot 2 miljoen in 2000 – een demografische verandering die in grote lijnen representatief is voor de rest van West-Europa gedurende diezelfde periode. Volgens The Times groeide het aantal moslims in Groot-Brittannië alleen al tussen 2004 en 2008 met nog eens 500.000 – tien keer sneller dan het groeipercentage van de rest van de bevolking.

Maar in plaats van deze immigranten aan te moedigen om te integreren en deel uit te maken van hun nieuwe samenleving, lieten de West-Europese regeringen toe dat ze gescheiden, parallelle samenlevingen vormden die min of meer naar de regels van de sharia geleid worden. Veel inwoners van deze patriarchale enclaves leven van subsidies, spreken de taal van hun nieuwe land slecht of helemaal niet, verachten de pluralistische democratie, kijken reikhalzend uit naar de incorporatie van Europa in het Huis van de Islam en ondersteunen – in de geest althans – het terrorisme tegen het Westen.

Een peiling door de Sunday Telegraph uit 2006 bijvoorbeeld wees uit dat 40 procent van de Britse moslims vóór de invoering van de sharia in Groot-Brittannië is, dat 14 procent de aanvallen op Deense ambassades als vergelding voor de beroemde Mohammed-cartoons goedkeurde, 13 procent het geweld ondersteunde tegen diegenen die de islam beledigen en 20 procent sympathiseerde met de daders van de Londense bomaanslagen in juli 2005.

Te vaak vinden dergelijke standpunten hun weg naar de praktijk. Alomtegenwoordige jeugdbendes met een hekel aan ongelovigen maken Europese steden steeds gevaarlijker voor niet-moslims – in het bijzonder voor vrouwen, Joden en homo’s. In 2001 kon 65 procent van alle verkrachtingen in Noorwegen worden toegeschreven aan wat de politie ’niet-westerse’ mannen noemt – een categorie die voor het overgrote deel uit moslims bestaat, terwijl zij eigenlijk maar twee procent van de totale bevolking uitmaken. In 2005 werd 82 procent van de misdaden in Kopenhagen gepleegd door leden van immigrantengroepen, in meerderheid moslims.

Niet-moslims zijn niet de enigen tegen wie geweld van moslims gericht is. Een berg aan bewijs laat zien dat de percentages huiselijk geweld in moslimenclaves astronomisch hoog zijn. In Duitsland, zo bericht Der Spiegel, „is een disproportioneel hoog percentage van de vrouwen die naar onderduikadressen vluchten moslim”. In 2006 was 56 procent van de vrouwen in Noorse opvanghuizen van buitenlandse komaf. De Amerikaanse journaliste Deborah Scroggins schreef in 2005 in The Nation dat „moslims maar 5,5 procent van de Nederlandse bevolking uitmaken, maar wel verantwoordelijk zijn voor meer dan de helft van het aantal vrouwen in blijf-van-mijn-lijfhuizen”. Ayaan Hirsi Ali, de Somalisch-Nederlandse strijdster voor democratie en vrouwenrechten, zou zonder twijfel zeggen: veel meer dan de helft. Toen zij met vrouwen in Nederlandse opvanghuizen werkte, zo schrijft ze, „waren er nauwelijks blanke vrouwen onder hen”, alleen „vrouwen uit Marokko, Turkije, Afghanistan – moslimlanden – samen met vrouwen met een hindoeachtergrond uit Suriname.” Toen zij en filmmaker Theo van Gogh trachtten het misbruik van vrouwen in de islam onder de aandacht te brengen met de film ’Submission I’ in 2004, werd Van Gogh gedood door een jonge moslimextremist.

Meer en meer West-Europeanen die zich in hun veiligheid en manier van leven bedreigd voelen, hebben zich afgekeerd van de gevestigde orde, die weinig of niets tegen deze problemen heeft gedaan. Zij gingen stemmen op partijen – sommige relatief nieuw en allemaal beschouwd als rechts – die het wél voor hen durfden op te nemen. Om een idee te geven van de omvang van deze verschuiving: bijna één op de twee Nederlandse homoseksuelen, tien jaar geleden nog een betrouwbaar contingent linkse stemmers, steunt als gevolg van de gay bashing door moslimjongeren nu de conservatieve partijen.

De andere belangrijke reden voor het verzet tegen links is van economische aard. West-Europeanen hebben lange tijd torenhoge belastingen betaald voor een sociale zekerheid die de prijs niet waard is. Deze belastingen hebben de economische groei aantoonbaar afgeremd.

De overheidsinkomsten in West-Europa komen grotendeels ten goede aan werklozen en ontmoedigen zo deelname aan het arbeidsproces. De afgelopen tien jaar was het werkloosheidscijfer in de 15 landen van de Europese Unie (dat wil zeggen, de West-Europese landen van de Unie) 2,5 tot 3 punten hoger dan in de Verenigde Staten. In Frankrijk en Duitsland steeg het al tot in de dubbele cijfers (en dat was nog voor de wereldwijde crisis die in 2008 begon). Langdurige werkloosheid is in West-Europa ook altijd groter geweest dan in Amerika, waarbij een aanzienlijke minderheid ofwel permanent werkloos is, ofwel zwartwerkt – vaak voor een familiebedrijf – en ondertussen wel een uitkering krijgt.

Deze twee factoren, immigratie en de economie, zijn nauw met elkaar verbonden. Want terwijl immigrantengroepen als Hindoestanen en Oost-Aziaten een lage werkloosheid en gezonde inkomens kennen, vormt de grootste groep, de moslims, een dusdanige last dat regeringen flinke bezuinigingen moeten doorvoeren in de publieke sector om de bijstandsuitkeringen te kunnen blijven betalen. In 2002 schatte de econoom Lars Janson dat immigratie de Zweedse belastingbetaler jaarlijks 27 miljard dollar kostte en dat 74 procent van de immigranten in Zweden op kosten van de belastingbetaler leefde. En in 2006 waarschuwde de Confederatie van Noorse ondernemingen dat het Noorse Petroleum Fonds – waarin de forse winsten zijn ondergebracht van de Noordzeeolie die het land rijk hebben gemaakt – zou kunnen opdrogen om de uitgaven aan immigranten te kunnen dekken.

De afgelopen decennia hebben in Europa drie zaken glashelder gemaakt.

Ten eerste werkt de sociaal-democratische verzorgingsstaat – voor zover hij werkt – alleen in etnisch en cultureel homogene (en bij voorkeur kleine) landen met burgers die elkaar beschouwen als lid van één grote familie en die een hekel hebben aan misbruik van overheidsvoorzieningen voor noodlijdenden.

Ten tweede is het aantrekken van grote groepen immigranten uit arme, onderdrukte en corrupte samenlevingen de beste manier om zulke welvaartssystemen om zeep te helpen.

Ten derde zal het systeem nog sneller omvallen als veel van de immigranten moslimfundamentalisten zijn die het bankroet van het Westen als een bijdrage aan de djihad beschouwen.

Voeg dit alles bij de groeiende macht van de EU-bureaucratie die de moslim tot immigratie heeft aangemoedigd en die stappen heeft ondernomen om kritiek (’Aanzetten tot racisme, xenofobie of haat tegen een raciale, etnische of religieuze groep’) te bestraffen, en je begint te snappen waarom West-Europeanen die hun vrijheden liefhebben zich verzetten tegen het zogenaamde leiderschap van hun elites die nergens kwaad in willen zien.

De opvallendste figuur binnen oprukkend rechts Europa is op dit moment Geert Wilders, oprichter van de Partij voor de Vrijheid. Bij de Europese verkiezingen vorige week klom zijn PVV van nul naar vier zetels, wat haar tot de op een na grootste partij van Nederland maakte in het Europese parlement. Zijn succes bij de verkiezingen is even groot als het dedain waarmee de gevestigde orde hem behandelt. Zijn recente geschiedenis is een catalogus van beledigingen. In april 2007 werd hij door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding ontboden met de boodschap dat hij zijn toon over de islam moest matigen. De aankondiging dat hij een film over de islam aan het maken was, deed zijn vijanden het vuur alleen maar opstoken. Vorig jaar februari werd hij door de ministers van justitie en buitenlandse zaken onderworpen aan wat hij zelf omschreef als ’een uur pure intimidatie’. En nog voordat ’Fitna’ te zien was geweest, riep Doekle Terpstra, invloedrijk lid van het establishment, op tot massaal protest. Hij vormde een coalitie van politici, wetenschappers, zakenmensen en religieuze leiders met als enige doel Wilders uit te sluiten van het publieke debat.

De Nederlandse autoriteiten maken zich zorgen om ongrijpbare terroristische huiskamercellen, om moslims die juichten bij de aanslagen van 11 september en die Osama bin Laden als een held beschouwen, maar het echte probleem was voor Terpstra en zijn politieke vrienden een parlementslid dat zijn mond niet wilde houden. „Wilders is het kwaad”, zei Terpstra, „en dat kwaad moet gestopt worden.” Vergelijkbare uitspraken gingen vooraf aan de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. De schandelijke weigering van de Britse overheid om Wilders afgelopen februari Groot-Brittannië binnen te laten – waar hij was uitgenodigd om het Hogerhuis toe te spreken – laat eens temeer zien hoe groot de kloof is tussen de Europese elites en het kiezersvolk.

De algemene verkiezingen in Denemarken van november 2001 zijn tot nog toe de stelligste – en succesvolste – afwijzing van de linkse gevestigde orde geweest in een West-Europees land. De Denen waren gealarmeerd door een wijdverspreid onderzoek dat aantoonde dat het land binnen zestig jaar een moslimmeerderheid zou kennen als de immigratiecijfers niet zouden veranderen. Voor het eerst sinds 1924 gunden de Deense kiezers de sociaal-democraten geen meerderheid.

De nieuwe liberaal-conservatieve regeringscoalitie, in 2005 opnieuw door de kiezers aan de macht geholpen, heeft tot nu toe de hardste immigratie- en integratiemaatregelen van het Europese vasteland ingevoerd – inclusief maatregelen tegen de bijna universele gewoonte binnen de moslimgemeenschap om kinderen uit te huwelijken aan neven en nichten uit het land van herkomst, opdat ook zij naar het Westen kunnen. Als gevolg daarvan is het aantal nieuwkomers uit moslimlanden significant gedaald, waardoor de regering zich vooral kan concentreren op de integratie van de moslims die al in Denemarken wonen. Ook was het premier Anders Fogh Rasmussen die de vrijheid van meningsuiting op krachtige wijze verdedigde tijdens de cartoonrellen in 2006. Hij hield stand, ook toen moslims over de hele wereld tegen Denemarken tekeergingen, en westerse leiders hem smeekten om gas terug te nemen.

De verschuivingen naar rechts in Europa die in de VS het meeste aandacht kregen zijn die in Duitsland, waar Angela Merkel in 2005 bondskanselier werd, en die in Frankrijk, waar Nicolas Sarkozy in 2007 als president aantrad. Deze ontwikkelingen, evenals de derde termijn van Silvio Berlusconi in Italië in 2008, werden grotendeeld gezien in het licht van de noodzaak tot economische liberalisering.

Naar Franse maatstaven was de campagneretoriek van Sarkozy schokkend: hij beweerde dat ’de revolutie van 1968’ – een heilige gebeurtenis voor het linkse Franse establishment – Frankrijk niet had bevrijd maar „ons in moreel verval heeft gebracht”. Sarkozy benadrukte dat als de Fransen economische groei wilden, ze dan minder in het café moesten zitten en harder moesten werken.

In de achtertuin van het dappere, kleine Denemarken zijn nog twee landen naar rechts opgeschoven.

In Noorwegen is de Vooruitgangspartij lange tijd door politiek en media besmeurd als racistisch en onbenullig. Nu is zij de rivaal van de Arbeiderspartij, de architect van de Noorse verzorgingsstaat, omdat de kiezers zich zorgen maken over immigratie en over de publieke diensten. Al is de steun voor de Vooruitgangspartij wat afgekalfd vanwege de kredietcrisis, na recente moslimrellen en discussies over de hidjab zijn de cijfers in de peilingen weer omhooggeschoten. Er is een grote kans dat de partij in september de grootste wordt bij de parlementsverkiezingen; ze zal dan waarschijnlijk in de problemen komen doordat de andere partijen rechts van het midden geen deel willen uitmaken van een coalitie die geleid wordt door de Vooruitgangspartij.

En in Zweden, misschien wel het ultieme symbool van sociaal-democratie, onttroonden de kiezers in 2006 de machtige Sociaal Democratische Partij, bezorgd als ze waren over werkloosheid en andere economische thema’s. Er kwam een centrum-rechtse coalitie onder leiding van Fredrik Reinfeldts Gematigde Partij, die beloofde ondernemingen te helpen en belastingen te verlagen.

Een typisch staaltje Europese schizofrenie is het feit dat velen, zowel ter linker- als ter rechterzijde, erkennen dat de verzorgingsstaat hervormd moet worden, maar zich hier toch hevig tegen verzetten. Alsof de filosofische sprong die hiervoor nodig is simpelweg te groot is. In West-Europa neigt zelfs rechts naar een geleide economie. „Het concept van de verzorgingsstaat van de wieg tot het graf is zo diep geworteld in de Deense psyche dat zelfs de conservatieven er niet aan willen komen”, aldus correspondente Sylvia Poggioli van National Public Radio in 2006. Ivo H. Daalder constateerde hetzelfde in 2007 in het ’Brookings Institution Report’.

Hij schreef dat „rechts in Europa een interventionistische politieke klasse is die nog steeds gelooft dat de regering een fundamentele rol heeft in het sturen van opvattingen over hoe de economie geleid moet worden”.

Het is dus geen verrassing dat de nieuwe leiders van Europa relatief slechts milde economische veranderingen hebben doorgevoerd. Toegegeven, Sarkozy heeft de pensioengerechtigde leeftijd verhoogd – waarmee hij een vervoersstaking uitlokte – en hij maakte een einde aan de 35-urige werkweek. Maar in Duitsland hebben de sociaal-democraten, die Merkel vanwege haar nipte zege als coalitiepartner moest accepteren, vanaf het begin haar mogelijkheden tot serieuze economische hervormingen beperkt. In april 2008 schreef Judy Dempsey in de International Herald Tribune dat Merkel „gedwongen was naar links op te schuiven”, pensioenen verhoogde en „radicale veranderingen op de arbeidsmarkt moest terugnemen die ironisch genoeg door haar voorganger, de sociaal-democraat Gerhard Schröder, waren ingevoerd. Hij wilde ouderen aan het werk krijgen door de uitkeringen te verlagen.” En door de economische recessie, aldus de Duitse publicist Henryk M. Broder, „is er zelfs een discussie gaande over onteigening en nationalisatie die een jaar geleden ondenkbaar was”.

Ondertussen hebben, met uitzondering van Denemarken, de nieuwe, niet-socialistische regeringen het desastreuze immigratie- en integratiebeleid van hun voorgangers bijna geheel intact gelaten. De campagneretoriek van Sarkozy over de islamitische relschoppers in de voorsteden wekte verwachtingen over grootscheepse veranderingen. Vorig jaar juli kondigde hij aan dat illegale immigratie een belangrijk punt zou zijn tijdens het EU-voorzitterschap van Frankrijk. Ondertussen deed hij zelf bitter weinig aan de gevolgen van legale immigratie, die in West-Europa doorgaans bestaat uit import van nieuwe bruiden en bruidegommen in gearrangeerde, vaak gedwongen huwelijken. Sarkozy lijkt te geloven dat het creëren van werk en andere economische maatregelen de kolossale uitdagingen op het gebied van de integratie vanzelf zullen oplossen.

Merkel schitterde kortstondig toen ze erop stond dat de Deutsche Oper in 2006 doorging met een opvoering van Mozarts ’Idomeneo’, die door moslimleiders als beledigend was veroordeeld. Maar het sterk gehypete ’nationale integratieplan’ dat ze het jaar daarop introduceerde bestond uit halfslachtige maatregelen zoals het uitbreiden van door de overheid betaalde klasjes Duitse les, een poging om immigranten aan het sporten te krijgen en een (ongelooflijk) project over vrouwenmishandeling – toegestaan door de Koran en heel gewoon in moslimgemeenschappen – dat advies bood via internet. Merkel noemde deze pathetische gebaren ’mijlpalen’; Broder noemt het ’doen-alsof-acties’, een manier om conflicten in de coalitie te vermijden.

De beweging naar rechts in Europa heeft niet altijd concrete resultaten gehad. In Groot-Brittannië willen de Tories de macht graag overnemen nu Labour in verval is geraakt. Maar de ideologische kloof tussen de partijen is de afgelopen jaren smal geworden en het ontbreekt de Tories aan werkelijk leiderschap: je kunt je moeilijk voorstellen dat zij de macht zouden overnemen zoals Margaret Thatcher dat in 1979 deed. Integendeel, zo scheef de conservatieve columnist Peter Hitchens onlangs: „Je kunt niet regeren tenzij je je schikt naar de centrum-linkse meningen van de media-elite, vooral die van radio en televisie.” Die elite – zoals vorig jaar levendig werd aangetoond in de rede van de aartsbisschop van Canterbury, die de invoering van de sharia in delen van Groot-Brittannië ’onvermijdelijk’ noemde – is geneigd de fundamentalistische islam steeds te willen sussen.

En Spanje reageerde op de terroristische aanslagen in Madrid in maart 2004 door op de Partido Socialista van José Rodriguez Zapatero te stemmen. Die had beloofd om de Spaanse troepen uit Irak onmiddellijk terug te trekken. Zapatero werd vorig jaar nipt herkozen. Zoals de vrijheidsgezinde columnist Antonio Golmar uitlegt, werd de consensus in het midden, ontstaan nadat koning Juan Carlos in de jaren zeventig de democratie had ingevoerd, door de hardlinkse initiatieven van Zapatero uiteengeslagen. Hier valt ook onder de wet die linkse massamoordenaars uit de Spaanse Burgeroorlog als heldhaftige vrijheidsstrijders neerzet terwijl veel van hun onschuldige slachtoffers als fascisten worden gestigmatiseerd, en de introductie op alle scholen van het vak ’burgerschap’, dat leerlingen minachting voor het kapitalisme en de representatieve democratie bijbrengt.

In reactie daarop zijn sommige Spanjaarden weer naar rechts opgeschoven, naar de nationaal-katholieke, protofascistische ideologie uit de Francotijd die zich steeds duidelijker openbaart binnen de conservatieve Partido Popular. Als gevolg daarvan, zegt Golmar, zijn „de gematigden in Spanje gevangen tussen een uiterst linkse regering en hun makkers en de terugkeer van extreemrechts, dat zich hult in conservatieve en zelfs libertijnse vermomming.” Terwijl Amerika probeert om over het antagonisme van de jaren zestig heen te komen, heeft Spanje een ideologisch strijdperk betreden dat lijkt op de periode vlak voor de Burgeroorlog aan het eind van de jaren dertig. Er lijkt weinig ruimte te zijn voor mensen die zowel een hekel hebben aan neomarxisten als aan neoreactionairen.

De situatie in Spanje herinnert eraan dat niet alle ’rechtse draaien’ hetzelfde zijn. Terwijl de Denen staan voor individuele vrijheid, mensenrechten, seksuele gelijkheid, de rechtsstaat, en de vrijheid van meningsuiting en religie, reageerden sommige West-Europeanen op het gedachteloze multiculturalisme van hun socialistische leiders door alternatieven te omarmen die onaangenaam dicht tegen het fascisme aanschurken. Denk aan de onlangs overleden Oostenrijker Jörg Haider, die de Holocaust afzwakte, veteranen van de Waffen SS eerde en aardig wat zaken aan het nazisme prijzenswaardig vond. In 2000 nam zijn Freiheits Partei üsterreich deel aan een coalitieregering, waarop de rest van de EU Oostenrijk tijdelijk diplomatiek isoleerde. Of neem Jean-Marie Le Pen, die de Holocaust „een detail in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog” noemde, die vond dat mensen met hiv gedwongen in quarantaine moesten, en wiens uiterst rechtse Front National tijdens de eerste verkiezingsronde in 2002 als winnaar uit de bus kwam. De British National Party (BNP), die alleen blanken als lid toelaat en de Holocaust botweg ontkent, won meer dan vijf procent van de stemmen tijdens de laatste burgemeestersverkiezingen in Londen en veroverde vorige week twee zetels in het Europese Parlement. Dan is er nog het Vlaams Belang, voorheen Vlaams Blok, waarvan de leiders de ongelukkige neiging hebben zich te laten betrappen bij het zingen van naziliederen en het kopen van naziboeken. In 2007 won de partij vijf van de veertig zetels in de Belgische senaat.

Voor gevestigde politici, journalisten, academici dienen deze partijen een zeer nuttig doel: hun bestaan maakt het makkelijk om alle niet-socialistische partijen met de fascistische teerborstel te besmeuren – door hen racistisch en xenofoob te noemen, hun leiders met Le Pen en Haider te vergelijken en hun aanhangers te stigmatiseren. Geen partij heeft meer onheuse aanvallen te verduren gehad dan de Noorse Vooruitgangspartij, wier electorale successen de socialistische elite woedend hebben gemaakt. Net als andere Europese partijen die we ’respectabel rechts’ kunnen noemen heeft de Vooruitgangspartij zich duidelijk gedistantieerd van partijen als Front National en Vlaams Belang. Desondanks hebben Amerikaanse media de lasterpraatjes van het linkse establishment klakkeloos overgenomen.

Neem het artikel dat de New York Times in maart 2002 publiceerde van Marlise Simons over Pim Fortuyn – de Nederlandse politicus die, volgens de kop van het artikel, een trotse homo was die de Nederlanders naar rechts liet marcheren. Hoewel Simons erkende dat Fortuyn de islam kritiseerde omdat deze geen „gelijkheid bood aan mannen en vrouwen en omdat [...] de imams hier in aanvallende termen over homo’s spreken”, praatte ze toch het Nederlandse establishment na, dat hem karakteriseerde als een bedreiging voor de Nederlandse waarden, en liet ze ook niet na te benadrukken dat hij veel met Mussolini en Haider werd vergeleken. Een paar weken later werd Fortuyn vermoord door een fanatieke milieuactivist die door vergelijkbare kletspraat was beïnvloed.

Dezelfde opruiende retoriek die Nederlandse journalisten tegen Fortuyn gebruikten is zichtbaar in de Amerikaanse linkse berichtgeving over iedere niet-socialistische Europese partij of politicus. Een stuk van Gary Younge in The Nation in 2007 was zeer typerend. In Europa is oud-rechts vervuld van haat. Volgens Younge is „de belangrijkste bedreiging van de democratie in Europa niet het ’islamfascisme’ [...] maar het goede oude fascisme. Van het soort waarbij voornamelijk witte Europeanen de straat opgaan om minderheden te terroriseren.” Dit was onzin van een adembenemende schaal: hoewel de opkomst van partijen als de BNP zorgwekkend is, is de waarheid nog steeds dat er tegenover elke anti-moslim gewelddaad in Europa – om maar eens een extreem behoudende schatting te doen – honderd gewelddaden van moslims tegen ongelovigen staan.

Wie wint de oorlog om de ziel van West-Europa? De islamfascisten en hun multiculturele verzoeners, van wie velen lijken te geloven dat het niet hun taak is om de democratie te verdedigen maar om de overgang naar de sharia zo soepel mogelijk te laten verlopen? De naïeve cryptofascisten? Of de vrijheidsminnende erfgenamen van Pim Fortuyn?

Het is interessant dat terwijl de West-Europeanen de ene weg insloegen, de Amerikanen precies de andere kant op gingen. Zij vervingen een president die door de Europese elites meer veracht werd dan al zijn voorgangers, door een man die door diezelfde elite op ongeëvenaarde wijze is bejubeld, waarbij zijn verkiezing dikwijls werd afgeschilderd als een mystieke daad van verzoening voor alle zonden die Amerika in het verleden had begaan, echt of ingebeeld.

De internationale financiële crisis zal zo goed als zeker een sociaal-economische aardverschuiving van ongekende omvang teweegbrengen in beide werelddelen. Het lijkt aannemelijk dat het oude patroon voorgoed doorbroken zal worden. Dat betekent dat Amerikaanse professoren veel minder lastig gevallen zullen worden tijdens hun Europese borrels – althans tot de sharia wordt ingevoerd en drank helemaal verboden zal zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden