De doorlopende voorstelling van het einde der tijden

Sinds Johannes zo'n negentien eeuwen geleden zijn Apocalyps te boek stelde, is het Laatste Oordeel ettelijke malen op een jaar of een datum gefixeerd. De apocalyptische angst voor het einde van een eeuw is echter van zeer recente datum, constateert de Amerikaanse cultuurhistoricus Eugen Weber in zijn beschrijving van eindtijdverwachtingen door de eeuwen heen. Het zou tot omstreeks 1870 duren voordat men de nul ging zien als het grote zwarte gat waarin misschien wel de hele wereld zou verdwijnen.

'Nog honderd dagen!', stond een paar weken geleden vetgedrukt in mijn agenda te lezen. Wie nog niet met het grote aftellen is begonnen, moet nu echt wel opschieten; dat leek de boodschap te zijn. Ook buiten mijn agenda is de 2000-hype volop aan de gang, in sommige gevallen zelfs al jaren lang.

Wie de zaak nuchter bekijkt (maar wie is nog nuchter bij zoveel opgeklopte euforie dan wel angst?), verbaast zich over het gewicht waaronder een willekeurig getal wordt bedolven. Het valt nauwelijks aan te nemen dat we met de overgang van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw echt iets schokkends zullen meemaken. De boeren zullen blijven dorsen, de bakkers bakken en wij zullen op 1 januari het brood eten van de dag ervoor. Zelfs de klokken zullen gewoon blijven bewegen naar het volgende uur nul, is het niet op de wijze van het slingeruurwerk, dan wel digitaal.

Met de klokken van onze computers staat het een beetje anders. Die zijn blootgesteld aan het millenniumprobleem, dat in de ogen van velen onheilspellende afmetingen heeft aangenomen. Sommige doemdenkers zien het al voor zich: zonder opdracht wordt er geld van bankrekeningen afgeschreven, werken liften, roltrappen, stoplichten en beademingsapparaten niet meer, springen gevangenisdeuren spontaan open en ontbranden de ontstekingsmechanismen van kernraketten wie weet wel spontaan. Het zou een niet helemaal onverwachte kladderadatsch zijn: de wereld teruggebracht tot de chaos, omdat het grote uurwerk zo ingewikkeld is dat de mens er noch wijs uit kan noch baas over is.

De te verwachten alomvattende computercrash lijkt af en toe gemodelleerd naar de voorspellingen van oudtestamentische profeten als Jesaja, Ezechiël, Daniël en Joël, die een reprise beleefden bij monde van Jezus en Johannes van Patmos: zon, maan en sterren zouden worden verduisterd en op de aarde neervallen, er braken besmettelijke ziekten uit, natuurrampen teisterden de mens, schrikwekkende dieren kwamen uit hun krochten te voorschijn om een terreurbewind te gaan uitoefenen en valse messiassen stonden op; dat allemaal als prelude op het goddelijk oordeel over rechtvaardigen en zondaars.

Deze en andere bijbelse tijdingen horen tot het gebied van de eschatologie, de leer der laatste dingen. Voor iedereen die het betreedt is het een interpretatief mijnenveld. Ook al denk je de rebus van de profetische openbaringen te hebben opgelost omdat zich in je blikveld tekenen aandienen waaraan het aangekondigde wereldeinde te herkennen valt, dan nog verstrijkt het uur U zonder dat de grote klap zich laat horen.

Sinds Johannes zo'n negentien eeuwen geleden zijn Apocalyps te boek stelde, is het Laatste Oordeel ettelijke malen op een jaar of een datum gefixeerd, om na annulering naar een onzekere toekomst te worden verschoven. Het jaar 2000 is in dat verband herhaaldelijk genoemd, niet alleen door een tijdgenoot als de schilder Rob Scholte, maar ook door de Amerikaanse predikant Jonathan Edwards (1703-1758). Net als veel van zijn voorgangers was Edwards gespecialiseerd in het omrekenen van de voorspellingen uit het bijbelboek Openbaring naar concrete jaartallen. Daarbij neemt het getal 1000 een cruciale plaats in. Johannes had immers geprofeteerd dat de duivel in zijn gedaante van oude slang voor een periode van duizend jaar geboeid zou worden, alvorens het Laatste Oordeel plaatsvond en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde een feit waren. Tijdens dat millennium van relatieve rust zou de teruggekeerde Christus als vredevorst over de aarde heersen. Omdat Johannes er (net als de meeste apocalytici) van was uitgegaan dat de Heer spoedig zou verschijnen, werd het duizendjarig rijk al in de tiende en elfde eeuw verwacht. Edwards daarentegen gokte op het jaar 2000, waarbij hij gesouffleerd werd door de apostel Petrus, die zijn gemeente voorhield dat voor God duizend jaren zijn als een dag. Aangezien de zes dagen van de scheppingsdag corresponderen met de eerste zesduizend jaar van het bestaan van de aarde, moet dus binnenkort wel het duizendjarig rijk aanbreken.

Een overzicht van ruim tweeduizend jaar ondergangsprofetie is te vinden in het boek Apocalypses; Prophecies, Cults and Millennial Beliefs van de Amerikaanse cultuurhistoricus Eugen Weber. Al eerder schreef hij een studie over het laat-negentiende-eeuwse Frankrijk, dat behekst leek door de ondergangsstemming die werd opgeroepen door het ronde getal 1900. Pas toen kwam de beladen term fin-de-siècle in zwang.

Weber laat zien dat de apocalyptische angst voor het begin van een nieuwe eeuw van zeer recente datum is. Voor 17OO deden zulke bange verwachtingen zich niet voor, simpelweg omdat de macht van het harde en betrouwbaar ogende getal zich pas liet gelden toen rekenkunde en tijdmetingen werden verfijnd tot wetenschappelijke instrumenten. En zelfs toen werden de nauwe banden tussen mathematiek en sterrenwichelarij nog niet doorgesneden, zoals de biografieën van Kepler en Newton laten zien. De precieze indeling van de geschiedenis in perioden van telkens honderd jaar dateert pas van het moment dat men de middeleeuwen als een amorf en duister tijdperk ging beschouwen. Maar het zou tot omstreeks 1870 duren voordat het pessimisme om het vermeende maatschappelijk verval zo groot werd dat men de nul ging zien als het grote zwarte gat waarin een hele beschaving of misschien wel de hele wereld zouden verdwijnen.

De voorspelling van het einde der tijden is sinds mensenheugenis een sectarische aangelegenheid geweest. De eerste christengemeenten, die zich tegen de verdrukking in moesten handhaven, koesterden de droom van het Laatste Oordeel als een utopie. Pas toen de kerk bovengronds was gekomen en zich begon te organiseren tot een instituut dat wereldse macht zo sterk ambieerde dat men van geen einde wilde weten, begonnen de voorgangers zich ongemakkelijk te voelen bij hun lectuur van het laatste bijbelboek. De kerkvaders Origenes en Augustinus gingen voor in een exegese die de apocalyptische boodschappen niet langer opvatte als decodeerbare geheimtaal. Er moest niet letterlijk worden gelezen ('te joods', volgens Origenes), maar allegorisch. Alles wat Johannes had voorzien was niets anders dan een fantasmagorie aangaande de eeuwige strijd tussen goed en kwaad, waaraan weliswaar ooit een einde zou komen, maar niet binnen afzienbare tijd. 'Als de geschiedenis niet op tijd was geëindigd, dan kwam dat doordat het koninkrijk Gods er al was. De parousie (= verschijning) was gekomen met Christus, en zijn kerk, die stond voor menselijkheid en vergeving, wás het koninkrijk Gods op aarde.' Aldus Weber in een van zijn vele puntige samenvattingen.

In weerwil van de reserves die de officiële kerk altijd bleef koesteren jegens de apocalyptische geschriften in het Oude en Nieuwe Testament, is geen onderdeel van de bijbel zo naarstig uitgeplozen. Dat leidde niet alleen tot de wildste speculaties, bijvoorbeeld over de identiteit van het Beest dat het teken 666 op zijn voorhoofd droeg (beurtelings de paus, Luther, Napoleon of Hitler), maar ook tot het proclameren van het duizendjarig rijk. Wederdopers, Quakers, de Pinkstergemeente, Jehova's Getuigen en tal van andere sectarische christengemeenschappen hebben geloofd dat het einde op handen was of een handje geholpen om het dichterbij te brengen. Geweld werd daarbij niet geschuwd, zoals het voorbeeld van de zestiende-eeuwse anabaptist Jan van Leiden laat zien. Die riep in 1534 Munster uit tot het Nieuwe Jeruzalem en zichzelf tot Vredevorst, wat niet verhinderde dat hij onder zijn geloofsgenoten een waar schrikbewind uitoefende. Hij zou naderhand worden geëvenaard door eschatologisch geïnspireerde marxisten die droomden van een klassenloze maatschappij, door James Warren Jones, die in 1978 zijn complete People's Church tot collectieve zelfmoord aanzette, door David Koresh, die het in Waco op een gewapende strijd met de National Guard liet aankomen en door de Japanse messias Asahara, die eigenhandig de bokken van de schapen scheidde door een metrostation in Tokio met gifgas vol te spuiten en daar nu voor terechtstaat. Zo kent het einde der tijden een doorlopende voorstelling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden