De dood is een zachtmoedige Pool

In haar jongste roman laat de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk zien hoe verzoenlijk de dood kan zijn. Antoine Verbij verbaast zich over haar lichtvoetige diepzinnigheid.

Olga Tokarczuk: De laatste verhalen. Vertaald uit het Pools door Karol Lesman. De Geus, Amsterdam. ISBN 9789044507973; 387 blz. euro 18,95

De romans en verhalen van Olga Tokarczuk zijn oer-Pools. Maar niet in de zin van een nationale idee. Ze spelen vaak in Polen en geven blijk van een typisch Poolse, of zo men wil: Midden-Europese verbeelding, waarin de wereld magisch is en het aardse en het bovenaardse vanzelfsprekend in elkaar overlopen.

Tokarczuks favoriete decor is de Poolse provincie, waar de natuur ruw en het leven schraal is. In zo’n streek ontstaan ze ook: de 46-jarige schrijfster heeft haar domicilie in het arme, nauwelijks ontwikkelde Sudetenland in het zuidwesten van Polen, vlakbij de Tsjechische grens.

Precies daar beginnen ’De laatste verhalen’, de derde roman van Tokarczuk die in het Nederlands verschijnt. Een vrouw rijdt over een besneeuwde weg door de bergen. De auto belandt in de berm. „Zijn ogen verlichten onbarmhartig de kruin van een spar. De motorkap staat open – een geluidloze schreeuw van woede – en de wielen draaien radeloos in de lucht, steeds langzamer.” Typisch Tokarczuk: in haar universum kennen ook auto’s emoties.

De vrouw, Ida, van beroep reisleidster, kruipt in shock uit de auto en gaat op zoek naar hulp. Een oud echtpaar neemt haar een paar dagen in huis op. Langzaam ontdekt ze waar ze terecht is gekomen. Het echtpaar leidt een tehuis waar oude dieren in rust sterven. Dat blijkt het hoofdthema van het boek: het gaat over manieren van sterven en over ’laatste dingen’.

’De laatste verhalen’ is een triptiek, een uit drie episoden bestaande schildering. Het verhaal van Ida is het linkerdeel. Ze was met haar auto onderweg naar het huis waar ze is opgegroeid. In het dierensterfhuis glijdt ze weg in herinneringen, in zorgen om haar hart, in bespiegelingen over de dood.

In die dagen sterft een van de honden in het huis. In diens laatste minuten kijkt ze nog even onder zijn ooglid. „Het oog is de ingang tot een andere kosmos. Er zijn daar fluitende melkwegstelsels en reusachtige ruimtes die bestaan uit verzamelingen duisternis, uitgedroogd zwart. Het oog gaat behoedzaam dicht en Ida begrijpt: daar is de teef nu juist naar onderweg.”

Het middenstuk van de triptiek gaat over Ida’s moeder, die boven op een berg woonde. Ook dit middendeel beslaat een aantal dagen die in het teken staan van de dood. Het huis op de berg is ingesneeuwd, het dorp beneden is onbereikbaar. Het verhaal begint met de moeizame pogingen van de vrouw om het echtelijke bed op de veranda te zetten. In het bed ligt haar man Petro, die zojuist is overleden.

De vrouw, Parka heet ze, naar de Russische martelares Parasceve, probeert de aandacht van de mensen in het dorp te trekken door een hulproep in de sneeuw te tekenen. Onderwijl laat ze haar leven met Petro aan zich voorbijtrekken. Het was geen goed huwelijk, hij was veel ouder, een stugge dorpsleraar, ze was hem meer dan eens ontrouw. Ze leerden elkaar kennen in Oost-Polen, waaruit ze werden verdreven toen dat na de oorlog aan de Sovjet-Unie toeviel.

Soms gaat ze naast de dode Petro op de veranda zitten en stelt ze zich voor hoe de ’laatste levenspluisjes door hem heen stromen’. Zijn baard groeit nog, ze scheert hem. „Je gaat niet zomaar ineens dood, ping en het is voorbij. Je moet de dood toestaan zijn intrek in het leven te nemen en het leven toestaan zonder hindernissen weg te vloeien, druppel na druppel, als een ijspegel die smelt in het verblindende licht van de zon.”

Tokarczuks ’Laatste verhalen’ maken het mogelijk je met het sterven te verzoenen. De verhalen van Ida en Parka gaan over een goede dood. Oog in oog met de dood passeert het leven de revue en vallen al de ongerijmdheden daarvan op hun schijnbaar voorbeschikte plaats. De dood brengt de harmonie aan die in de levens van Ida en Parka vaak ontbrak.

Nog sterker is dat het geval in het derde verhaal, het rechterdeel van de triptiek. Dat gaat over Ida’s dochter Maja, een reisgidsenschrijfster die met haar elfjarige zoon een aantal dagen op een eiland in de Zuid-Chinese Zee verblijft. De innerlijk onzekere Maja verzet zich heftig tegen de confrontatie met de dood. Die verschijnt aan haar in de gedaante van een oude, doodzieke goochelaar, die op het eiland zijn laatste dagen slijt.

Maja ziet met lede ogen aan hoe tussen de man en haar zoon een tedere band groeit. De man geeft het geheim van zijn goocheltrucs, het geheim van zijn leven, door aan het kind en sterft. Zodra Maja de onschuld van het kind tegenover de dood ontdekt, verzoent ze zich met haar eigen, moeizame leven.

Zelden lees je proza dat zo lichtvoetig, zo vol verbeelding en zo betoverend de ’laatste dingen’ bespreekt. In het drieluik ’De laatste verhalen’ leidt Tokarczuk haar lezers met fluwelen hand naar het inzicht hoe vriendelijk en zachtmoedig de alledaagse dood kan zijn. Empathisch proza van ongewoon niveau.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden