De dood aanraken

Jonah Kahn liep een kwarteeuw rond met een morbide wens. Toen besloot hij dat het maar eens moest gebeuren.

Dit verhaal begint zo'n 25 jaar geleden. Ik was zeventien en woonde nog net in mijn ouderlijk huis toen mijn vader op een dag een stukje voorlas uit de krant. 'Er is een tekort aan lijkenwassers, omdat bijna niemand dit soort werk wil doen. Het verdient om die reden wel goed: meer dan honderd gulden per uur.' Daar kwam het in het kort op neer. Zo herinner ik me het althans.

Het bericht had eigenlijk niet veel om handen, maar in mijn hoofd was een zaadje geplant, en dat had niets met het uurloon te maken. Lijken wassen. Ik had me nooit gerealiseerd dat zoiets bestond, laat staan dat er mensen waren die dat voor hun werk deden. Hoe zou dat zijn, dode mensen wassen? Is dat niet eng? Heb je die meer dan honderd gulden per uur niet vooral nodig voor een goede psychiater? En vooral: zou ik er zelf toe in staat zijn? Het fascineerde me.

Niet wetende waar ik anders terechtkon met mijn morbide wens belde ik niet veel later de dichtstbijzijnde begraafplaats. Of ze nog lijkenwassers konden gebruiken. Het werd een kort en nogal ongemakkelijk gesprek waarin de meneer aan de andere kant van de lijn nog wel vroeg of ik een relevante opleiding had gevolgd. Nou nee, ik wilde gewoon lijken wassen. Kort daarna werd de verbinding verbroken. Alsof ik een of andere necrofiel was, terwijl mijn intenties echt eerbaar waren.

Zo bleef ik zitten met mijn vragen. Geen drama, er viel prima mee te leven, maar van tijd tot tijd moest ik er toch aan denken. Af en toe biechtte ik mijn verlangen op aan vrienden of collega's, met wisselende reacties. Ik zei dan dat ik het beslist een keer ging doen, echt waar, maar er gebeurde niets. En naarmate de jaren verstreken begon het toch een beetje een ding te worden. Want zo gaat dat met onvervulde wensen: die blijven je achtervolgen.

Een halfjaar geleden besloot ik dat het welletjes was. Het moest na een kwarteeuw maar eens gebeuren, anders kon ik mezelf niet meer serieus nemen. Niet lullen maar poetsen, in dit geval letterlijk.

De oplossing was eigenlijk vrij simpel. Ik werk bij een krant, en een krant staat vol verhalen, iedere dag weer. Ook dit is een verhaal, bedacht ik.

"Waarom wil je dit zo graag?", vraagt een collega. Tja, waarom wil iemand in vredesnaam dode lichamen wassen? Die hamvraag heb ik mezelf natuurlijk ook gesteld. Is het een fascinatie voor de dood? Mogelijk, maar volgens mij niet groter dan ieder ander die heeft. Misschien ben ik wel een doodsfetisjist die het niet durft toe te geven, zeg maar eentje die nog uit de kist moet komen. Maar dan zou je op zijn minst verwachten dat ik alle seizoenen van 'Six Feet Under' in de kast heb staan. Nooit een aflevering gezien.

Een item op mijn bucket list dan? Ik zou best nog eens pianoles willen nemen, een marathon lopen lijkt me ook stoer, maar bungeejumpen trekt me niet, het noorderlicht heb ik al gezien en de Chinese Muur, ach. Nee, ik heb eigenlijk geen lijst met dingen die ik per se gedaan wil hebben voordat ik zelf mijn laatste wasbeurt krijg. Alleen dat lijkenwassen, dat moet er een keer van komen.

"Misschien wil je de dood gewoon aanraken, letterlijk en figuurlijk", oppert dezelfde collega. Dat vind ik wel een mooie, en misschien zit er wel een kern van waarheid in. Maar of het echt de dood is die ik wil aanraken ... Ik denk dat ik gewoon nieuwsgierig ben naar datgene wat doorgaans verborgen blijft.

Via via kom ik in contact met Cura Mortu Orum (vrij vertaald: zorg voor de doden), een post-mortale zorginstelling. Een behulpzame manager aldaar wil graag meewerken. Ze koppelt me als een soort snuffelstagiair aan een ervaren overledenenverzorger, want zo heet het beroep in deze branche. Lijken wassen, nee, daar doen ze niet aan, wordt me snel duidelijk gemaakt.

Ik denk dat we simpelweg een dag en een tijd gaan prikken waarop ik me in een of ander mortuarium kan melden, maar zo werkt het niet. Ik moet aangeven op welke dagen ik stand-by kan staan, dat wil zeggen: belbaar ben en meteen in de auto kan springen om naar een ziekenhuis te rijden als daar net iemand is overleden. De dood houdt zich niet aan kantooruren; Magere Hein heeft altijd dienst.

Op een mistige herfstochtend is het zover. Ik krijg bericht dat ik binnen twee uur in een ziekenhuis in Den Haag moet zijn. De rit erheen duurt net lang genoeg om goed te beseffen wat er op het punt staat te gebeuren. Het idee dat ik straks een dode ga zien en aanraken, zorgt voor lichte spanning in de maagstreek.

In het ziekenhuis ontmoet ik mijn collega voor één dag. Voor we naar het mortuarium gaan hebben we nog even tijd voor een hapje, drankje en een praatje. "Als overledenenverzorger maak je de doden toonbaar", legt ze uit. Mensen die net zijn overleden - in hun ziekbed of op de operatietafel - zien er meestal niet op hun paasbest uit. Om maar te zwijgen van hen die na een ongeluk of misdrijf hun laatste adem uitblazen. De overledenenverzorger kamt haren, wast voeten, knipt nagels, scheert baarden, dicht wondjes, stopt gaten en nog zo wat herstelwerkzaamheden. Soms doen nabestaanden mee, als eerste vorm van rouwverwerking.

"Voor het geld hoef je het niet te doen", zegt mijn begeleidster. "Mensen die dit werk doen hebben waarschijnlijk allemaal wel iets met de dood. Ik vind het mooi om een overledene die laatste zorg te bieden, dat geeft me een goed gevoel." Het komt erop neer dat je van dit werk moet houden. Het klinkt gek, maar ergens begrijp ik het wel.

"Heb je zelf wel eens een overledene gezien?", vraagt ze. Ik antwoord bevestigend en vertel dat mijn buurman een paar jaar geleden opgebaard thuis lag. En dat ik mijn zuster in een ziekenhuisbed heb zien liggen, vlak voordat de stekker eruit ging. Ze had een auto-ongeluk gehad; zij was 22, ik negentien.

We zakken zwijgend af naar het mortuarium, waar we nog even moeten wachten. Onze eerste 'klant' is opengemaakt voor obductie en moet dus ook weer worden gesloten voor de verzorging kan beginnen. Door een halfopen deur vang ik een glimp op van het lichaam. Mijn hartslag versnelt.

Het is even slikken als het laken van de overledene afgaat. Ik heb inmiddels een schort en twee paar plastic handschoenen aan. Daar ligt ze dan, een oudere vrouw, roerloos, weerloos. Ze is er en ze is er niet. Ik hoor hier niet, maar ben er wel. Het is een gekke gewaarwording, maar niet voor lang.

We gaan aan de slag en verrichten heel basale handelingen. Ik mag om te beginnen een infuus uit de arm halen. We lopen het lichaam na op andere wondjes en dichten ze met secondelijm en een pleister. Ik was de handen en voeten van mevrouw en plak de wond van de opengemaakte borstkas af. Mijn begeleidster haalt een lang pincet uit haar koffer en duwt daarmee opgevouwen stukjes verband (fluff) diep in keel en neus om alles goed af te dichten, anders kan er later 'lekkage' optreden. Of ik dat ook wil proberen, vraagt ze. Ik aarzel maar pas; dat vind ik toch een beetje eng. Hetzelfde geldt voor het plaatsen van oogkapjes onder de oogleden, bedoeld om het inzakken van de ogen te voorkomen.

Op het onderbeen van mevrouw zie ik een sticker waar persoonlijke gegevens op staan. Ik wil het eigenlijk niet weten maar kan me toch niet bedwingen. Ik zie een naam, een geboortedatum, een adres. Zo komt ze plots toch een beetje tot leven.

Hoewel ik sommige dingen liever niet doe, merk ik dat het ongemakkelijke er snel afgaat. Ja, het is best even raar om zo'n ijskoude hand vast te pakken, maar we moeten het niet overdrijven. Hier zou ik aan kunnen wennen, niet willen, wel kunnen. Want uiteindelijk is ook dit gewoon werk; bijzonder werk, dat zeker, maar geen freakshow. Een overledenenverzorger maakt doden toonbaar, ik maak als eindredacteur artikelen toonbaar; zelfde werk, andere branche, doodgewoon.

Als na ongeveer anderhalf uur de haren zijn gewassen (met droogshampoo), gekamd en geföhnd, een luier is aangebracht en de mond met een discrete hechting is dichtgemaakt, zit het werk erop. Mevrouw gaat de koeling in, vanaf hier neemt de uitvaartondernemer het over. We rijden door naar Rotterdam, waar de volgende klus ligt te wachten.

Ik schrik niet meer als ik daar een bejaarde man zie. Hij heeft een fors postuur, achter in zijn openstaande mond zie ik schuim. Het stinkt. "Hij begint al aardig te gisten", klinkt het. Ik vraag hoe mensen meestal doodgaan, met de mond open of dicht. "Met de mond open."

Ik dwing mezelf om het lange pincet ter hand te nemen en prop de keel van meneer vol met fluff. Voor ik het weet sta ik met een elektrisch scheerapparaat zijn stoppelbaardje te fatsoeneren. Ik beleef even een metamomentje ('Ik sta hier iemand te scheren die net dood is gegaan'), maar verder voelt alles al bijna vertrouwd.

Het is donker als ik op de parkeerplaats van het ziekenhuis afscheid neem van mijn vriendelijke begeleidster. Wat een geruststellend idee dat er mensen zijn zoals zij die je respectvol behandelen als je zelf niets meer te vertellen hebt. Op de weg terug voel ik me goed, sereen. Ik snap nog steeds niet precies waarom ik dit zo graag wilde, maar ben tevreden dat ik het nu eindelijk heb gedaan. Het is goed zo.

Reageren?

Loopt u ook rond met een licht afwijkende wens of trok u de stoute schoenen al aan? Schrijf het ons, in maximaal 150 woorden, via tijdpost@trouw.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden