De dominantie en meedogenloosheid van Wittgenstein

In Wenen bezochten we het huis aan de Kundmanngasse nr 37. Wittgenstein bemoeide zich intensief met de bouw van deze woning. In april 1926 had hij het lager onderwijs op plattelandsscholen in Oostenrijk onder een zeer donkere wolk verlaten. Hij sloeg zijn leerlingen. Helaas gaat het niet om een enkel incident. Zijn zus Gretl beschreef zijn bezigheid in het onderwijs als het gebruik van een precisie-instrument om ruwhouten kisten open te breken, in welk beeld de plattelandsjeugd als ruwhouten kist fungeert.

Het liep uit op een ernstige persoonlijke nederlaag waarvan hij probeerde te herstellen door in het klooster te treden (de abt wees hem zeer beslist af) dan wel door zelfmoord te plegen, een mogelijkheid die hij vaak voor ogen had. Bij terugkeer in Wenen in de zomer van 1926 raakte Wittgenstein betrokken bij het werk van de architect Paul Engelmann, die een huis aan het ontwerpen was voor zijn zus Gretl. Ik dacht dat Gretl op grond van haar superieure goede smaak, uitstekende connecties en uitzonderlijk grote rijkdom gekozen zou hebben voor de allergrootste onder de toen werkzame Weense architecten, maar de opdracht ging naar deze leerling van Adolf Loos. Gretl was een eigenzinnig type. Klimt schilderde een portret van haar waarin de gelijkenis haar niet helemaal aanstond en zij aarzelde niet om zelf even de kwast ter hand te nemen om de mond te corrigeren. Het schilderij hangt nu in München, overigens zonder haar correctie. Paul Wittgenstein had daar ook een handje van. Ravel componeerde voor hem, in opdracht weliswaar, en ook hij vond het zijn recht om de geleverde waar aan te passen. De Wittgensteins vonden zichzelf wel wat. Dat zie je niet zo in Ludwig, die dan ook de jongste was.

In 1917 bezocht Wittgenstein als korporaal een infanterieopleiding in Olmütz en raakte bevriend met Engelmann die daar woonde. Gedurende enkele maanden was hij een bijna dagelijkse gesprekspartner voor Wittgenstein, die na twee jaar aan het front weer een oor vond voor filosofische overwegingen, die Engelmann overigens niet in gang zette, hij wist niets van filosofie, maar die hij wel met grote fascinatie en toewijding aanhoorde.

Deze rolverdeling zou tijdens de bouw van de Kundmanngasse hervat worden. Engelmann was een aardige, enigszins willoze figuur, Wittgenstein een fanatieke drammer.

Paul Wijdeveld, in zijn zeer grondige ’Luwig Wittgenstein, Architekt’ (1994), suggereert dat Gretls keuze voor Engelmann juist samenhing met diens meegaandheid, zodat zij zelf de hand kon houden in het ontwerp.

Gretl had het moeilijk met Ludwigs ’schreckliche Kleinigkeit und das völlige Fehlen von Hausverstand’, maar toch liet zij het toe dat hij zich er intensief mee ging bemoeien. Zij zag heel goed dat het heilzaam voor haar broer was die er in zijn persoonlijke leven maar nauwelijks in slaagde zijn hoofd boven water te houden. Het was toch ook een onbegrijpelijk schouwspel: een filosofisch genie dat zich niet kon handhaven als onderwijzer op een lagere plattelandsschool.

Wittgenstein hield al gauw op met het over de schouder meekijken bij het werk van Engelmann. Hij eindigde tenslotte als diens partner in de onderneming en trok het hele ontwerp van het binnenhuis naar zich toe. Engelmann schreef dat Wittgensteins suggesties veel dichter in de buurt kwamen van wat Gretl zocht, zodat hij zich geleidelijk terugtrok uit de onderneming. Hij beschouwde het eindresultaat als Wittgensteins werk en niet het zijne en in deze constatering klinkt enige moedeloosheid door, of wrevel zelfs. Hij schreef later over Wittgenstein: ’Ik had hem tot die tijd alleen van zijn intellectuele en emotionele kant gekend en vereerd, maar nu leerde ik hem ook kennen als iemand met een wil. Zijn dominantie en meedogenloosheid bij het doorzetten van zijn eigen plannen waren tijdens de twee jaar van samenwerking erg moeilijk te verdragen.’

Er ontstond geen conflict, daarvoor zat er te weinig vuur in Engelmann, maar toen het huis af was dreven ze zonder commentaar van elkaar weg. Engelmann naar Israël, Wittgenstein naar Engeland. Beiden ontkwamen aan de nazi’s.

In november 1928 betrok Gretl haar woning met haar man en 82 jaar later stopte onze taxi voor de deur. In de half onderhouden tuin staat een borstbeeld van een archimandriet die bedankt wordt voor het behoud van ’das Bulgarische Schrifttum’. Hier huist de Kulturabteilung van de Bulgarische Botschaft.

Binnen loopt een groepje Bulgaarse (neem ik aan) bouwvakkers druk argumenterend heen en weer tussen een aantal lege vertrekken. Op de grond liggen onduidelijke textielformaties. Het gaat om de eindejaarsexpositie van een modevakschool. Een meisje komt opgetogen op ons af als de zeer welkome oom en tante uit de provincie die als enigen de tentoonstelling komen bekijken. Ik voel me schuldig en leg uit dat we hier wegens Wittgenstein zijn. Ze kijkt ons verongelijkt aan alsof ze zeggen wil ’wat doen jullie hier in godsnaam?’ Voordat ik haar verontwaardiging kan weerleggen met mijn tegenverontwaardiging ’wat doe jij in Wittgensteins huis met die rare lappen?’worden we door de bouwvakkers vriendelijk maar onverbiddelijk naar buiten verwezen. Ik ga bladeren in dat boek van Wijdeveld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden