De dinosauriër was lauwbloedig

Warm- of koudbloedig?, was de vraag. Er tussenin, zeggen onderzoekers nu.

Waren de dinosauriërs warm- of koudbloedig? Daar hebben wetenschappers vijftig jaar lang gepuzzeld. Het antwoord staat in de jongste editie van Science: niet warm, niet koud, maar iets er tussenin.

Bij koudbloedigheid past doorgaans kalm gedrag, een trage stofwisseling en een langzame groei. Koudbloedigen, zoals vissen en reptielen, produceren zelf geen warmte. Zonnebad of koele duik, hun lichaamstemperatuur beweegt mee, en onder koude omstandigheden zit er weinig leven in.

Warmbloedigen, zoals zoogdieren en vissen, houden hun lichaamstemperatuur op peil. Ze zijn actiever, met een snellere groei en stofwisseling, en ze eten meer.

Lange tijd deelden wetenschappers de dinosauriërs in bij de koudbloedigen. Maar eind jaren zestig sloeg de twijfel toe. De groeiringen in dinosauriërbotten wijzen op snelle groei, een energieverslindend proces dat beter past bij warmbloedigheid. En zeker de kleinere, vlugge jagers konden toch eigenlijk niet koudbloedigen zijn.

Warmbloedig dus? Ook dat was niet zo logisch. Een warmbloedige Tyrannosaurus Rex, zo levenslustig verbeeld in de film Jurassic Park, zou zo'n enorme hoeveelheid voedsel nodig hebben dat er eigenlijk niet tegenaan te eten viel.

Om nu eindelijk uitsluitsel te geven, vergeleken de Amerikaanse onderzoekers een grote hoeveelheid dinosauriërbotten met de botten van honderden andere dieren, levend of uitgestorven. Het ging hen erom een relatie te leggen tussen groeitempo, bij de dino's vast te stellen via de jaarringen in hun botten, de snelheid van stofwisseling, de lichaamstemperatuur en warm- of koudbloedigheid.

Daarbij gingen ze uit van de wetmatigheid dat warmbloedige dieren sneller groeien dan koudbloedige. Dinosauriërs, zo bleek, groeiden sneller dan reptielen, maar minder snel dan zoogdieren. Ze vielen in een tussencategorie. Ze konden hun lichaamstemperatuur verhogen zonder die op een specifiek niveau te houden.

Dat leverde voordelen op. In een wereld die destijds werd bevolkt door langzame, koudbloedige reptielen, hadden de dinosauriërs het voordeel van snellere spieren en beweeglijkheid. Ze hoefden niet, zoals warmbloedigen, heel veel te eten om aan hun energiebehoefte te voldoen - kenmerk van veel koudbloedigen is dat ze lang zonder voedsel kunnen. En juist door die lage energiebehoefte konden ze wel heel groot worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden