De dingen die niet voorbijgaan

In december 1947 richtten Nederlandse militairen in het West-Javaanse dorpje Rawagede een bloedbad aan. Volgens Indonesische bronnen executeerden zij 431 mannelijke dorpsbewoners, jong en oud. Wijlen J.A.A. van Doorn (hij deed er ooit onderzoek naar) noemde dit aantal in 2007 ’schromelijk overdreven’. De Groene Amsterdammer kwam in oktober op grond van archiefonderzoek tot een getal van ’honderd tot 120 liquidaties’.

Hoe het ook zij, dat er op die decemberdag te Rawagede massaal is gemoord, staat vast. Saillant detail: de inmiddels hoogbejaarde veteranen die erbij betrokken waren, verkiezen nog steeds om in het openbaar over de zaak te zwijgen.

Met hulp van het enigszins mysterieuze Comité Nederlandse Ereschulden stelde een tiental nabestaanden onlangs de huidige regering aansprakelijk voor het bloedbad. Zij willen financiële compensatie. Maar de landsadvocaat liet deze week weten dat de staat de betreurenswaardige gebeurtenissen in Rawagede inmiddels als verjaard beschouwt. En dat hun claim daarom geen kans maakt.

Bij de Tweede Kamer had het actiecomité al even weinig succes. Vorige maand weigerde een delegatie, op werkbezoek in Indonesië, om bij het dorpje langs te gaan. Dat zou maar valse hoop wekken. (Twee parlementariërs onttrokken zich daaraan en regelden toch een ontmoeting met enkele nabestaanden in Jakarta.) Wij moeten, zei VVD’er Hans van Baalen, een streep trekken onder het verleden. Per slot van rekening zeuren we ook niet meer over de Tachtigjarige Oorlog.

Nu ben ik beslist geen liefhebber van de morele blik waarmee wij zo graag het eigen verleden bezien. Het is een houding die al te vaak ontaardt in vrome zelfkastijding, en daar wordt niemand wijzer van. Niettemin is het tamelijk mal om het bloedbad in Rawagede passé te verklaren. Het punt is nu juist dat het dat maar niet wil worden.

Fraaie illustratie levert het jongste nummer van het Historisch nieuwsblad. In de rubriek ’Forum’ reageren lezers op de stelling ’Nederland moet de slachtoffers van de Politionele Acties in Indonesië financieel compenseren’. Een krappe meerderheid is tegen, 41 procent blijkt voor. En in beide kampen lopen de emoties torenhoog op. Geld geven aan de Indonesische slachtoffers betekent „een dolksteek in de rug van al die Nederlanders die toen in opdracht van de regering hun leven in de waagschaal hebben gesteld”, schrijft de een. „Met het Nederlandse vingertje mag ook weleens naar onszelf gewezen worden”, schrijft de ander.

Zou er één Nederlander te vinden zijn die zich met dezelfde hartstocht opwindt over pakweg de Slag bij Heiligerlee of het Beleg van Leiden? Juist omdat de politionele acties nog maar een generatie geleden plaatsvonden, liggen ze ’gevoelig’. En dat zal zo blijven – althans, zolang er directe nabestaanden en getuigen rondlopen.

Daarbij helpt het trouwens niet dat de wederzijdse openhartigheid over de jaren 1945-1948 nogal karig is. De manier waarop in Nederland lange tijd de militaire misdaden zijn gebagatelliseerd is natuurlijk weinig verheffend. Maar ook heeft er te lang een taboe gerust op de Bersiap-tijd, waarin duizenden Nederlanders en Indische Nederlanders op gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht.

Uit de krant begreep ik dat de landsadvocaat, zoals dat heet, in overleg wil treden met de nabestaanden. Juristen vermoeden dat er toch een soort schikking zit aan te komen. Emeritus hoogleraar Cees Fasseur juichte dat gisteren in deze krant toe. Bovendien zou hij graag zien dat ook de nabestaanden van ’al die andere trieste zaken’ financiële compensatie krijgen van de Nederlandse overheid.

Een sympathieke geste, wellicht. Maar of geld alléén het verleden kan doen rusten – ik waag het te betwijfelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden