'De Dikke Dujardin', ons eigen familiewoordenboek

familietaal illustratie Matthias Philps Beeld Matthias Philps

Hoe grappig is het als je als gezin zo’n eigen taaltje hebt dat je besluit dat het een eigen woordenboek verdient. Redacteur Amber Dujardin vertelt hoe het zo kwam.

Met een neerlandicus en literaire veelvraat als vader groeide ik op in een kleurrijk taaluniversum. Al jong deed hij wedstrijdjes met ons wie het snelst moeilijke woorden als ‘mayonaise’ of ‘onmiddellijk’ kon spellen. Hij gaf mij ‘Stijloefeningen’ van Raymond Queneau, een geweldig boek waarin hetzelfde simpele verhaaltje op 99 manieren wordt verteld. Ik was trots dat hij soms een woord verbeterde op de ‘bordrij’ die we ’s ochtends van de juf moesten overschrijven in ons schrift.

Mijn moeder had een minder stichtelijke aanpak, maar droeg met haar levendige fantasie ook bij aan mijn besef dat taal niet alleen instrument is om te communiceren, maar een magische klankenverzameling met ontelbare mogelijkheden. Ze speldde ons allerlei fictieve woorden op de mouw. In de klok woonden ‘hesiedesies’ (een soort kabouters), eekhoorns kenden wij als ‘wupje woezels’, en tijdens wandelingen verzon ze een bonte stoet alter ego’s met bijbehorend koeterwaals.

Toch realiseerde ik me pas een paar jaar geleden hoeveel jargon we gebruiken. Het begon met de ontdekking dat mijn vriend de naam van mijn moeder nooit uitsprak. In plaats daarvan wrong hij zich in allerlei bochten om haar aandacht te vangen: met indringende blikken, een tik op haar schouder of een klungelig ‘hee, ehm’. “Je weet toch wel hoe ze heet?” vroeg ik hem na een etentje waar dit ineens nogal in het oog sprong. De lichte paniek in zijn ogen zei genoeg. Dat mijn vader haar Rietje noemt, vond hij kennelijk geen aanwijzing. Hij noemde ons toch ook vaak Dodo of Pien?

Thuistaaltje

Ik schaterde het uit (mijn moeder heet écht Rietje), maar hij had een punt. Zelfs voor mijn eigen vriend was ons ‘thuistaaltje’ blijkbaar zo verwarrend dat hij echt en nep niet altijd uit elkaar kon houden. Tijd om daar verandering in te brengen, dacht ik. Tijdens een vakantie grapten mijn broers dat we genoeg materiaal hebben voor een eigen woordenboek. Dus waarom niet de daad bij het woord voegen? Zo’n werkje vormt een mooie herinnering voor later en is gelijk een nuttig cadeau voor de ‘koude kant’. De naam lag voor het oprapen: De Dikke Dujardin.

Bijna elke familie kent eigen woorden of uitdrukkingen, zegt Vivien Waszink, taalkundige en lexicograaf bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. “Bij mij thuis vroeger noemden we de vuilnisbak ‘bah-bak’. Dat is ontstaan toen mijn broer en ik klein waren. Mijn opa zei bij het proosten altijd ‘dat onze kinderen maar rijke ouders mogen krijgen’. Dat zegt nu iedereen bij ons in de familie.”

Dat families graag eigen jargon verzinnen, komt doordat ze zich daarmee als groep kunnen onderscheiden, zegt Waszink. “Jongeren doen het ook. Die hebben hun eigen taal die voortdurend in beweging is. Als anderen die taal gaan overnemen, is het niet cool meer en gaan ze wat anders zeggen.”

Samensmeltingen populair

Soms schopt eigen taal het tot echte taal, zegt Waszink. Dan helpt het als een bekend iemand een nieuw woord introduceert. “Zo heeft Wim T. Schippers ooit het woord ‘gekte’ verzonnen, en Van Kooten en De Bie het woord ‘regelneef’.”

Volgens Waszink ontstaan er elke dag nieuwe woorden, maar het merendeel haalt het woordenboek niet. Om te bepalen of een woord daarvoor in aanmerking komt, kijken woordenboekmakers naar vijf ‘eigenschappen’ (zie kader). De meeste neologismen zijn overigens geen gloednieuwe woorden, zegt Waszink, maar samenstellingen van woorden die we al kennen. Zoals sjoemelsoftware of lokhipster. “Ook nieuwe afleidingen ontstaan, zoals ontspullen. En samensmeltingen zijn populair, zoals brexit of flexitariër.”

In mijn zoektocht naar andere familiewoordenboeken stuit ik op een vergelijkbaar project van Jaap Toorenaar. Hij verzamelde niet de thuistaal van zijn eigen familie, maar bundelde een reeks mooie en opmerkelijke familiegezegdes in de boekjes ‘Mijn moeder zei altijd’ en ‘Mijn vader zei altijd’. “Jaren geleden is het idee ontstaan”, zegt Toorenaar. “Je hoort regelmatig iemand zeggen ‘mijn moeder/vader/tante Carla/oom Piet zei altijd… Soms volgt er dan een onbekende uitspraak die je wijs, humoristisch of in elk geval interessant zou kunnen noemen. Waarom verzamelen we die niet een keer, vroeg ik me af. In 2013 heb ik een oproep in het tijdschrift Onze Taal geplaatst.”

Zelf groeide Toorenaar op met veel bijbelspreuken in een steng gereformeerd gezin in Zeeland. Zijn moeder haalde vaak haar eigen moeder aan met de spreuk ‘een uur is geen kakstoel’. “Voor zover ik weet is die uitdrukking alleen in Zeeland bekend”, zegt hij. “Het betekent dat je op moet schieten.”

Toch maakt een plek in een boekje nog niet dat thuistaal zich ook algemene taal mag noemen, zegt Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke van Dale. Als ik dat wil bereiken, moet ik eerst beroemd worden en het liefst een eigen column beginnen, adviseert hij. “Kijk naar een woord als Bucklerlul”, zegt hij. “Dat is een begrip geworden toen Youp van ’t Hek erover ging schrijven in NRC.”

Jeugdherinneringen

Denkend aan De Dikke Dujardin bezorgen zijn woorden me een binnenpretje. Ik heb geen enkele ambitie om onze linguïstische lolletjes tot echte taal te promoveren. Integendeel. Dat wij toetjes ‘Hermannetjes’ noemen en ‘code’ een gekscherend dreigement is voor een pak slaag, lijkt me weinig relevant voor iemand die niet bij ons aan tafel zit. De Dikke Dujardin is vooral een bundel met herinneringen aan mijn jeugd. Een boekje om af en toe samen in te bladeren.

En het is een prettig hulpmiddel voor mijn vriend. Als hij met een glas bier uit de keuken komt en mijn vader vraagt ‘of hij die ene film heeft gezien’, weet hij inmiddels precies hoe laat het is. Mijn vader doelt dan steevast op de fictieve film ‘ik drink altijd alleen’. De subtekst dáárvan is dat je altijd aan anderen moet vragen wat ze willen drinken als je zelf iets pakt. Kortom: dat hij zelf ook een glas bier wil. Tja. Dan is zo’n boekje geen overbodige luxe.

Wanneer verdient een nieuw woord een plaats in het woordenboek?

Volgens Vivien Waszink, taalkundige en lexicograaf bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, moet een woord aan vijf eigenschappen voldoen:

1. Kan iedereen het woord gebruiken, dus zowel pubers, als ouderen, als Mark Rutte?

2. Ontstaan er nieuwe vormen van het woord (zoals het werkwoord ‘flashmobben’ uit flashmob)? Dat zijn ‘bewijzen’ dat een woord zo is ingeburgerd dat we er moeiteloos andere woorden bij vormen die ook Nederlandse uitgangen hebben.

3. Kan een woord in elke situatie worden gebruikt, zowel in geschreven als gesproken taal, en zowel in informele gesprekken als bij formele gelegenheden?

4. Verwijst een woord naar iets blijvends? Namen voor nieuwe wetten zullen waarschijnlijk wel even blijven bestaan, namen voor rages niet.

5. Zit een woord niet te gekunsteld in elkaar? Als een woord te ‘bedacht’ is qua vorm, is het meestal geen lang leven beschoren.

Reacties

Heeft u als gezin of familie ook een eigen taal? Of zelfs een eigen woordenboek? Laat het ons weten in max 120 woorden en met uw naam en woonplaats op:

tijdpost@trouw.nl,

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden