DE DIK-VOOR-MEKAAR SHOW

Amerika is rijk en tevreden, maar een op elke vijf kinderen wordt in armoede geboren, zeventig procent van de bruggen in Manhattan is ondermijnd en veertig miljoen mensen hebben geen ziektekostenverzekering. Als er rellen uitbreken, schrikt de tevreden meerderheid zich een hoedje. Nederland is geen Amerika, maar begint er wel op te lijken.

De politieke realiteit in de doorsnee democratie is nu eenmaal dat er een meerderheid nodig is voor elk beleid. En beleid dat de kiezer geld kost is niet gauw populair, dat weten de Amerikaanse politici heel goed. Bush staat in de traditie van oud-president Reagan die de stelregel huldigde dat de overheid geen enkele oplossing kan zijn voor welk probleem dan ook, maar juist zelf het probleem vormt. No nonsense, ieder voor zich, eventueel God voor ons allen, maar alsjeblieft zo weinig mogelijk overheid.

In vroeger tijden lag de economische en politieke macht veelal bij een kleine minderheid. Het verschil met de moderne welvarende democratieen is dat nu een meerderheid via verkiezingen en opiniepeilingen de koers bepaalt. John Kenneth Galbraith - de 83-jarige eminence grise van de Amerikaanse kritische economen - noemt het de Tevreden Meerderheid, draagster van wat hij in zijn onlangs verschenen boek beschrijft als de politieke Cultuur van de Tevredenheid (The Culture of Contentment, 1992). Met als grondwaarden: niet te veel belasting, geen aantasting van de particuliere bestedingsruimte en dus ook zo weinig mogelijk gedoe met sociale voorzieningen. De tevreden meerderheid domineert het politieke denken, zowel van de Democraten als van de Republikeinen. Beide partijen mikken immers op hetzelfde brede midden, de befaamde Amerikaanse 'middenklasse'.

Politici plegen zoveel mogelijk te doen wat hun kiezers willen, en dat betekent dat zij primair de belangen dienen van de tevreden meerderheid. Intussen vormt zich in de welvarende landen van Amerika en Europa echter een nieuwe onderklasse van tien of vijftien procent van de bevolking. In Amerika wordt een op elke vijf kinderen in armoede geboren.

De nieuwe onderklasse is echter niet de min of meer homogene groep waaronder sociaal-democratische partijen van weleer hun kiezers konden recruteren. De arbeiders van toen zijn immers voor een groot deel geschoolde werknemers geworden, met een redelijk huis, een behoorlijke ziektekostenregeling en een kleurentelevisie. De nieuwe onderklasse is niet alleen kleiner, maar ook veelkleuriger, en daarmee politiek een zwakke groep. Er horen mensen bij die om wat voor reden ook niet meekomen in de moderne samenleving, door achtergrond, gebrek aan kansen, persoonlijk onvermogen of gewoon pech. Mensen die uitvielen, afhaakten, ziek werden of zich niet kunnen aanpassen aan de dynamiek van de snel veranderende samenleving. Het trace van de moderne samenleving heeft een groot aantal zijsporen waar uitvallers op weggerangeerd kunnen worden.

Een groep mensen die een relatief grote kans maakt in de nieuwe onderklasse terecht te komen, wordt gevormd door de migranten, afkomstig uit allerlei windstreken en alleen al daarom geen coherente kiezersgroep. Gesteld al dat ze zouden stemmen. Zij horen onverbrekelijk bij de moderne samenleving omdat ze onmisbaar zijn in de economieen van Amerika en Noordwest-Europa. Want iemand moet tenslotte het werk doen waar de steeds beter opgeleide tevreden meerderheid niet meer voor voelt, en het inheemse aanbod van ongeschoolde en laaggeschoolde arbeidskrachten is onvoldoende.

Daarom moeten ook voortdurend verse troepen worden aangevoerd - legaal of niet - want de kinderen van de immigranten proberen als het even kan te ontkomen aan de situatie van hun ouders. In Amerika losten verschillende migrantengolven elkaar af: eerst verarmde Europeanen, vervolgens de zwarten uit het Zuiden en inmiddels zijn het de Latino's. In menige Amerikaanse slum is op de dag van vandaag het Spaans de voertaal van de straat.

Het verschijnsel van de nieuwe onderklasse, waarmee Amerika vorige maand in Los Angeles hardhandig geconfronteerd werd, is zeker niet typisch Amerikaans. Daniel Cohn-Bendit - studentenleider op de Parijse barricaden van 1968, maar inmiddels loco-burgemeester van Frankfurt - was daar onlangs in een interview nogal duidelijk over. Duitsland met zijn moderne economie is een immigratieland, en dat blijft zo. Zonder immigranten zou de luchthaven van Frankfurt niet kunnen functioneren, en de Duitse automobielindustrie draait op Joegoslaven en Turken.

Evenzo leunt de Engelse industrie voor een groot deel op migranten uit India, Pakistan, Bangladesh en de West-Indies. En zonder de nieuwe invasie van de 'moren', de honderdduizenden gastarbeiders van de zuidkant van de Middellandse Zee, zouden de autowegen naar de zon in onze Zuideuropese vakantielanden niet gerepareerd kunnen worden, de hotels en campings niet gebouwd en onderhouden worden en de horecafaciliteiten niet draaien zoals nu. Soortgelijke verhalen kunnen verteld worden van Spanje, Italie, Oostenrijk, Zwitserland, Zweden. En wat dacht U van de Nederlandse tuinbouw, de trots van ons exportpakket?

De economische welvaart van de tevreden meerderheid in de welvarende landen van Noord-Amerika en West-Europa wordt genoten temidden van groeiende sociale problemen en spanningen. Een paar weken weken na de publicatie van Galbraiths voorspelling dat er rellen zouden komen, braken de rellen in Los Angeles uit. De Engelse steden beleven zo ook hun periodieke oprispingen van de hopeloosheid die de keerzijde vormt van de betrekkelijke tevredenheid bij de meerderheid.

Op het continent worden de agressie en onzekerheid bij een deel van de autochtone onderklasse politiek te gelde gemaakt door Le Pen en zijn geestverwanten. Maar tot een werkelijke politieke bezinning leidt dat alles niet, want de meerderheid is tevreden. En zij schrijft de oorzaak van haar succes en comfort ook het liefste aan eigen inspanning en verdienste toe, met als implicatie dat wie het niet maakt dat in de eerste plaats aan zichzelf te wijten heeft. Vooral in de Engelssprekende landen, aldus Galbraith, gaat het wantrouwen tegen alle collectieve voorzieningen en de meeste overheidsactiviteiten erg ver en gelden collectieve lasten als het zinnebeeld van economisch onheil. Met als gevolg dat in het rijke Manhattan, volgens een rapport van de stad New York, inmiddels zeventig procent van de bruggen ernstig ondermijnd is en deels buiten gebruik gesteld vanwege achterstallig onderhoud. En in Engeland is de infrastructuur van de spoorwegen intussen dusdanig verouderd en vergaan dat het reizen per trein een hachelijk avontuur begint te worden.

Niet zonder sarcasme tekent Galbraith aan dat zelfs de tot dusverre onbetwiste en onbedreigde hoekstenen van het Amerikaanse buitenlandse beleid - de strijdkrachten - niet meer uit eigen middelen onderhouden kunnen worden. Zodoende kregen de Amerikaanse legioenen in de Golf-oorlog, opererend op verzoek en goeddeels op kosten van de oliesjeiks, en verder financieel gesponsord door Japan en Duitsland, het karakter van een klassiek huurleger.

De economische 'middenklasse' van redelijk verzekerde, deugdelijk opgeleide en welverdienende burgers die de hoofdmoot van het electoraat te maken, wil niet te veel betalen. Het leven is al duur genoeg. En dan nog de ontwikkelingshulp aan het chronisch hongerende Zuiden en wie weet straks het Oosten, en de kosten van een nieuw milieubeleid. Het heeft weinig gescheeld of president Bush had zelfs niet voor de vorm naar de UNCED in Rio de Janeiro gekund, omdat zijn electoraat fijn aanvoelt dat al die aandacht voor het milieu wel eens geld kon gaan kosten.

Een probleem met veel collectieve uitgaven is dat niet alleen de kost voor de baat uit gaat, zodat de bereidheid tot betalen een bepaald minimum aan visie veronderstelt. Maar een ander probleem is dat de lasten dikwijls gedragen moeten worden door mensen die niet direct de baten zullen incasseren. En dan zijn er altijd wel redenen aan te wijzen waarom dat niet moet. Komen de uitkeringen wel op de goede plaats terecht? Helpt die ontwikkelingshulp nou wel? Is het echt zo slecht gesteld met het milieu dat er nou ook al daarvoor voelbaar hogere kosten van levensonderhoud noodzakelijk zijn?

We zijn hier nog een heel eind verwijderd zijn van het doorsnee Amerikaanse denken over economische politiek, maar het denken gaat wel steeds meer in dezelfde richting. Vermindering van de collectieve bestedingen is tenslotte ook het politieke streven van de huidige centrum-linkse regering. In de afgelopen tien jaar is met succes bezuinigd en zijn de loonkosten in de hand gehouden. Want winsten, investeringen en de werkgelegenheid, die aan het begin van de jaren tachtig op een dieptepunt waren beland, moesten worden hersteld.

Met die winsten en investeringen is dat trouwens redelijk gelukt, voor wat betreft de werkgelegenheid ten dele. Want niet elke investering schept tenslotte werkgelegenheid, soms gaat er vooral werkgelegenheid mee verloren. Wel is doorgaans het gevolg dat door modernisering en automatisering de arbeidsproductiviteit (de hoeveelheid productie per werknemer) toeneemt. Daardoor daalt het loon-aandeel in de totale productiekosten waardoor bij veel werkgevers de bereidheid tot loonsverhogingen toeneemt. En dat treft, want langzamerhand heeft de tevreden meerderheid onmiskenbaar genoeg van al die ingetogenheid: de particuliere bestedingen mogen niet langer beknot worden, de BTW moet verlaagd en de lonen verhoogd.

Een nare complicatie is echter dat de 'collectieve lasten' voor een groot deel uit lonen bestaan. Lonen van ambtenaren en trendvolgers, zoals onderwijsgevenden en werknemers in de welzijnssector en de gezondheidszorg. Aan hun werk valt vaak niet veel te automatiseren. Technici kunnen in beginsel met steeds grotere machines gaan werken, en menige moderne fabriek wordt bediend door een handvol mensen in een controlekamer.

Maar het aantal leerlingen per klas of het aantal patienten per verpleegkundige kan niet ongestraft elk jaar met een paar procent verhoogd worden. En als dan toch de lonen van die werknemers meegroeien met de rest van de samenleving - en waarom niet? - maar desondanks de totale uitgaven niet mogen stijgen omdat het percentage van de collectieve lasten dan boven de Bert-norm of welke andere norm ook maar zou uitkomen, rest er nog maar een mogelijkheid. Dat is het via periodieke bezuinigingsrondes verminderen van de kwaliteit van de dienstverlening - en de werkgelegenheid - in de collectieve sector. De recente moeilijkheden rondom de CAO's in de gezondheidszorg en de welzijnssector leverden weer schoolvoorbeelden op van het mechanisme.

Wie aangewezen is op sociale zekerheid of op de diensten van de collectieve sector trekt aan het kortste eind. Intussen wijst het ene onderzoek na het andere uit dat onderlinge hulpverlening, de 'zorgzame samenleving', zich vooral voordoet onder groepen die maatschappelijk redelijk goed meekomen en daar waar ondanks alle mobiliteitsscenario's nog resten van min of meer stabiele gemeenschappen in stand bleven.

Maar de alleenstaanden, de bewoners van wijken die door buitenlandse migranten worden gedomineerd, en al diegenen die zwak staan - economisch, sociaal of qua gezondheid - vallen daar voor het grootste deel juist buiten. Desondanks wordt op allerlei manieren geknaagd aan ons bouwwerk van collectieve voorzieningen en solidariteit dat door Galbraith als een voorbeeld van civilisatie wordt geprezen.

Ongeveer tegelijk met Galbraiths Cultuur van de Tevredenheid werd het nieuwe program van uitgangpunten bekend gemaakt van de partij die hier te lande bij uitstek de grote tevreden middenklasse vertegenwoordigt. Het is een mooi program, luidend in termen van solidariteit, gerechtigheid, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid, zoals dat het CDA betaamt. De praktijk moet natuurlijk leren wat ermee gedaan wordt.

De eerste tekenen zijn niet gunstig, anders zou het recente voorstel om de ziektewet af te schaffen wel een storm van protest in de partij hebben moeten veroorzaken. Wie ziek wordt of door een ongeval arbeidsongeschikt raakt, zou volgens het plan na korte tijd terechtkomen op zeventig procent van het sociale minimum. Behalve natuurlijk wie zichzelf bijverzekerd heeft, en de tevreden meerderheid zal daar vast wel voor zorgen.

Maatregelen die in die richting gaan zijn geen stappen naar 'gespreide verantwoordelijkheid', maar het afschuiven van lasten naar de zwakkeren. Een dergelijke visie op gespreide verantwoordelijkheid plaatst ook al het verzet tegen het planSimons - een stap in de richting van collectieve ziektekostenverzekering - in het juiste perspectief.

Het staat natuurlijk haaks op het Amerikaanse beleid in dit opzicht, maar in de Verenigde Staten lopen dan ook inmiddels zo'n veertig miljoen mensen zonder ziektekostenverzekering rond, afgezien van de zeer velen die onderverzekerd zijn. Wie financieel gesproken moet leven bij de dag is erg geneigd - en vaak gedwongen - om af te zien van dure particuliere verzekeringen.

Het is precies wat Galbraith beschrijft, en waar hij ruim veertig jaar tegen gefulmineerd heeft. Een stap op de weg naar een politieke cultuur waar arrangementen op maat worden gesneden voor de tevreden meerderheid. In zijn laatste hoofdstuk, onder de titel Requiem, geeft hij blijk van zijn pessimisme. In Amerika zit het er niet in, vreest hij, dat de tevreden meerderheid tot veel meer bereid is dan het democratisch veiligstellen van de directe eigenbelangen.

De toestand die Galbraith doet wanhopen kennen we hier nog niet. Zover zijn we nog niet heen, en zover moet het ook niet komen. In een democratie moeten mensen, ook als ze een meerderheid vormen, verder kunnen kijken dan hun directe eigenbelang. een kwestie van beschaving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden