'DE DIJKGRAAF BEWAAKT DIT LAND, ONS LAND'

Pas als de dijken op barsten staan, vraagt iedereen zich af wie nu eigenlijk voor een veilig bestaan in het verzonken land moet zorgen. De waterschappen zijn daarmee al meer dan zeven eeuwen belast. Zijn het overbodige relicten van de middeleeuwen of legers van deze tijd in de strijd tegen onze grootste vijand?

Zuidwaarts wachten de molens van Kinderdijk op het nieuwe toeristenseizoen. Nu is de parkeerplaats voor bussen nog leeg en het museum gesloten. De vijzels van het alweer verouderde gemaal draaien het water met groot geraas omhoog. Even verderop is het nieuwe gemaal kortgeleden voltooid. Het is met veel glas omgeven zodat bezoekers het moderne binnenwerk in vol bedrijf kunnen zien. Hier komt Anne Wind graag met zijn gasten. Nergens anders kun je zo goed het wezen van dit land ontdekken, de lijn van onze geschiedenis naar vandaag doortrekken, alle gemeenplaatsen gedemonstreerd krijgen. Als Holland ergens is, dan is het hier. En nergens anders kan de dijkgraaf tonen waarom zijn waterschap meer dan zeven eeuwen geleden nodig was en nog steeds nodig is. Toen met molens, nu met computergestuurde gemalen.

Beter dan een ramp is een dreigende ramp om iedereen te doen beseffen waar het in dit land echt om draait. De dijkgraven zelf hadden het niet durven zeggen, maar de commissaris van de koningin van Zuid-Holland en vroegere dijkgraaf, Leemhuis-Stout, noemde het vorige week in Trouw een winstpunt van de misère dat mensen nu weer weten wie zich voor hun veiligheid inspant: “niet alleen nu, maar 365 dagen per jaar, 24 uur per dag.”

In het kantoor van het Hoogheemraadschap Albasserwaard en Vijfheerenlanden in Gorinchem aan de Merwede wist een medewerker de laatste sporen van de crisisdagen weg. Op het bord waren de logistieke lijnen uitgezet: de burgemeesters, de brandweer, de aannemers, de dijkwachten, de provincie. De wandkaart is bezaaid met pijlen en krabbels: zwakke plekken in de dijk, verweking, kwelwater, zoveel zandzakken, zoveel vrachtwagens. Het was een week die voorbijging als één lange dag. Maar niemand zeurde. Iedereen werkte onder hoogspanning, de klok rond in ploegendiensten, zegt dijkgraaf Anne Wind tevreden. Je mag het misschien niet zo zeggen, maar hij denkt dat ze het ook niet hadden willen missen. Een brandweerman kan ook niet alleen van oefeningen leven.

En het is goed gegaan: kantje-boord misschien op sommige plekken, maar de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hoefden niet te worden ontruimd. Alleen de 5 500 inwoners van Boven-Hardinxveld moesten weg, omdat de druk op het zwakke dijkdeel daar te groot werd. “Het moment dat je moet adviseren te ontruimen is eigenlijk het moment dat je faalt als dijkgraaf”, zegt Anne Wind. “Je geeft te kennen dat je het eigenlijk niet meer aankunt. Garanties geven wij niet in de polder, maar je stuurt al die mensen wel elke keer een aanslag, die zij toch zien als hun verzekeringspremie voor hun veiligheid.”

Maar een zwaarder moment was eigenlijk op die woensdag toen de commissaris van de koningin hem bij de oude haven van Gorinchem apart nam en vroeg: denk je dat we het redden? De nacht ervoor had hij nog in het maanlicht bij een zwakke plek aan de woeste Lek gestaan, waar vrachtwagens met zand af-en-aan reden en had hij zich diezelfde vraag gesteld zonder het antwoord te weten. En als het bij de buren in het westen mis zou gaan, zou de Diefdijk het dan houden? Vol twijfel had hij nog een uurtje slaap proberen te halen. De volgende morgen waren de berichten gunstiger en daarom had hij tegen de commissaris gezegd: 'ja, we houden het'. Meer dan 170 000 mensen konden thuisblijven. “Je staat er natuurlijk niet alleen voor, je hebt je mensen om je heen. Zij weten wat water is. Maar het drukt wel op je schouders.” Zijn medewerker vraagt zich intussen af hoe hij de ongeveer 65 000 zakken zand die nog her en der liggen, weer kan inzamelen.

Het hoogheemraadschap Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden is een van de 118 waterschappen van ons land. Het schap moet het water in het verzonken land op peil houden. Dat is simpel gezegd, maar als je bedenkt dat het gebied zich uitstrekt van Alblasserdam tot Vianen, Asperen en Gorinchem, tussen Lek, De Noord, Merwede en Linge, en als je enig idee hebt hoeveel zout en zoet water daar wel niet doorheen en omheen loopt, vraag je je af hoe het mogelijk is dat er in de afgelopen zevenhonderd jaar maar 33 dijkdoorbraken zijn geweest.

Het is een grote afwateringsmachine, omringd door 108 kilometer rivierdijk, gestuurd door gemalen en sluizen langs 777 kilometer hoofdwatergangen en door 73 kilometer boezemwateren. Er zijn niet genoeg clichés om de betekenis hiervan te vatten. Aan dit stelsel is het gezegde ontleend dat God de aarde schiep, maar de Hollander zijn eigen land. “Uit schorren en slikken, uit veen en water met dammen en dijken, sluizen en bruggen, sloten en vaarten”, zoals Maarten Schakel, een van de mannenbroeders van de Alblasserwaard, in de jaren vijftig schreef. En het waterschap van de dijkgraaf bestuurt dit werk, dat als geen andere het volk verenigt. “Soppend in zijn laarzen ging en gaat hij zijn weg door deze vlakke landen op de noordwestelijke flank van het oude wereldrijk. Knuisten in de zakken. Tegen de westenwinden in geschoord. Oerhollands met zijn oude cultuurnaam. In hem is de vaderlandse waterstaat belichaamd; voorwaarde voor alle cultuur in deze landen diep beneden of net boven de zeespiegel”, schreef Schakel, de pen nog een maal dopend in een slotakkoord van nationale trots: “. . .een van de samenvoegers, een van de bewakers van dit land. Ons Land.”

Anne Wind is niet zo het type van soppende laarzen en knuisten in de zakken, al kwam het daar vorige week wel van. Hij heeft het aanzien van een modern bestuurder: kostuum met das en pochet, een goed verzorgde grijze kuif en sierlijke leesbril. Als je het met hem zou hebben over de statige onderkomens aan de Merwede, over het aloude glas- en zilverwerk in vitrines, de kostbare schilderijen aan de wand, de eiken meubelen, de archieven vol perkament met rode lakzegels, de gelambriseerde bovenzaal waar het bestuur in sigarenwalmen vergadert, onder de wapenen van aloude waterschappen, en over al het andere dat de rijke historie belichaamt, zou hij wat geërgerd reageren. Veel liever laat hij zijn nieuwste computer zien, of voert hij je mee door alle afdelingen om te bewijzen dat dit geen zaak van regenten is. Knappe koppen uit Delft of Wageningen dirigeren met hun muizen de meest hoogwaardige ontwerpen voor dijken en gemalen op de breedste beeldschermen. Elders becijferen administrateurs, met de uitdraai van het kadaster en de kaarten bij de hand, de exacte bijdrage van burger, boer of bedrijf. Boven piekeren juristen over de wettelijke procedures en moeizame onteigeningskwesties. En op het bureau voorlichting puffen ze nog uit van de hectische dagen waarin ze zelfs de buitenlandse pers haalden.

De twee historische panden bij de sluis van Gorinchem zijn met glasvezelkabels verbonden, maar die ziet niemand. “Soms zou ik wel eens willen dat we in een strak, modern kantoor zaten”, verzucht dijkgraaf Wind. Op Kinderdijk wil hij ook niet dat mensen alleen naar de molens kijken, maar dat ze de dieselolie van het gemaal ruiken. “Natuurlijk, er is historie waar we trots op moeten zijn, maar ik zou dat oude beeld wel weg willen douwen. We zijn een hypermoderne organisatie met meer dan honderd jonge, professionele mensen.” Want een rijke historie kan ook misverstanden wekken, zoals de gedachte dat het waterschap een achterhaald instituut is; een in zichzelf gekeerd en overbodig relict van de middeleeuwen, vatte J. IJff, dijkgraaf in Noord-Holland en voorzitter van de Unie van Waterschappen het beeld van de buitenwereld samen.

Het waterschap is een van de oudste bestuursvormen van dit land. Het hoogheemraadschap Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is tot stand gekomen door een samenvoeging van verschillende waterschappen waarvan de oudste in 1277 is opgericht. Het waterschap Delfland is nog een halve eeuw ouder.

Daarvoor was het zo'n beetje ieder voor zich op z'n eigen hoeve op de terp. Samenwerking van buurschappen in dijkkringen verliep daardoor moeizaam. Maar naarmate de betekenis van het land groeide en hogerhand zijn rijkdom erop vestigde, werd de waterkering van het grootste belang voor alle grondeigenaren: de adel, de steden, de kloosters. De landsheren van Holland gaven de waterkering in handen van dijkgraven met hun heemraden, een aantal adellijke ingelanden (inwoners van het polderland). Zij moesten erop toezien dat iedereen aan zijn verplichtingen voldeed om de dijken hoog en sterk te houden met zand, matten van stro, wier, stenen, of slik. Zij schouwden hun dijkvakken en konden bij nalatigheid zware boetes opleggen. Hetgeen overigens corruptie in de hand werkte, omdat de dijkgraven geen loon ontvingen.

Elke grote dijkdoorbraak en vloed wees er echter op hoe kwetsbaar het land bleef. Het was niet alleen zaak het water van buiten te weren, maar ook het overtollige water binnen af te voeren. Pas door echte polders aan te leggen met afwateringssloten, windmolens en boezemwateren begon het er een beetje op te lijken. Maar door het afgraven en inklinken van het veenland moesten de dijken steeds hoger worden. VERVOLG OP PAGINA ZZ 4

VERVOLG VAN PAGINA ZZ 1 De landheren verdwenen, de provinciën kwamen en vormden de republiek, maar de waterschappen onttrokken zich lange tijd aan dit centralisme en bleven kleine koninkrijken met hun eigen wetten en rechtspraak. Daarin verschilden de nieuwe landeigenaren niet zoveel van hun adellijke voorgangers. Pas in de eerste verderstrekkende waterstaatswet van 1900 werden de waterschappen, met behoud van veel vrije ruimte, onder het gezag van de provincie geplaatst. En na elke grote overstroming (1916, 1953) laaide de vraag op of dat wel voldoende was, of de waterschappen nog wel op hun taak berekend waren. Je hoort die vraag nu weer.

Het waterschap is een openbaar lichaam met een traditionele voorliefde voor een besloten bestaan. Het is nevengeschikt aan het gemeentebestuur met de dijkgraaf als burgemeester en zijn heemraden als wethouders. Ze gaan over niets anders dan water (en soms dijkwegen). Hun verantwoordelijkheid is met het winnen van land, de groei van de bevolking en welvaart groter geworden. Alle weringen, ook die langs de kust (met uitzondering van de Deltawerken, de Afsluitdijk, de Hondsbosse Zeewering en de weringen voor de Waddeneilanden) staan onder hun toezicht.

Het Rijk trok na de schok van 1953 met de noodwet meer bevoegdheden naar zich toe, maar deinsde ervoor terug de waterschappen hun zelfstandigheid te ontnemen, omdat dijken en polders nu eenmaal een vak apart zijn en plaatselijke belangen uiteindelijk toch het best plaatselijk behartigd konden worden: 'Wien water deert, die water weert'. Maar 2 500 verschillende waterschappen was te gek - sommige besloegen slechts enkele hectare en hadden aan één pomp genoeg. Nu zijn er 118, die ook de taak het oppervlaktewater te zuiveren erbij hebben gekregen.

Koninkrijken zijn de waterschappen inmiddels niet meer. Ze hebben nog wel trekken van behoudende boerenrepublieken. De schappen werden lange tijd vooral in eigen kring bestuurd door de boeren, die er tenslotte ook voor betaalden. Zij onttrokken zich aan de gevolgen van de gedaantewisseling die Nederland na de oorlog onderging: niet langer de boeren of zelfs de eigenaren van onroerend goed, maar allen die inmiddels achter de dijken leven en werken hebben belang bij het waterschap.

Inmiddels is er een waterschapswet, het voorlopige sluitstuk van een taai eeuwenoud gevecht, waarvan je je kunt afvragen of die helemaal beslecht is. Als dijkgraven nu te hoop lopen tegen het Gelderse provinciebestuur, dan speelt de geschiedenis daarbij een rol, ook al is er een nieuwe generatie dijkgraven van zakelijke bestuurders aangetreden. Wat verongelijkt schreef de dijkgraaf van Delfland, A. P. van den Berge, dat de provincies omwille van hun eigen ambities de waterschappen in de hoek hebben gezet als verouderde lichamen. Ze waren niet democratisch, deden niks aan milieu. Wat een miskenning van degenen die 'het land in eeuwen hebben gebouwd en zijn gezicht hebben gegeven'. De waterschappen weten zich als eerste bevoegd om het water te beheersen, maar zien zich vaak gefrustreerd door de politiek, de 'milieufreaks', de ambtenaren in het provinciehuis of op rijkswaterstaat.

“Dijken kunnen we bouwen, maar de papiertroep kunnen we niet overwinnen”, zegt dijkgraaf Anne Wind van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Hij is opgegroeid op het Friese boerenland en via de christelijke boerenbond opgeklommen in het bestuur van dit land. Hij kent versterkingsplannen die twintig tot vijfentwintig jaar op uitvoering hebben moeten wachten. Hij kan nu in vier jaar een plan rond hebben, maar de onteigening met de bijbehorende verplichting tot bodemreiniging kan nog eens vier jaar duren. En een dijk op deze veengrond bouw je laagje voor laagje om het goed te laten inklinken - tel er nog maar vier jaar bij op. Hij zit wel eens met kromme tenen te luisteren naar degenen die elke wilg of vochtig dijkhuisje willen sparen, maar de milieulobby vertraagt niet zozeer, dat zijn alle procedures waar de plannen keer op keer doorheen moeten. En telkens dienen alle varianten op tafel te komen, alsof je geld hebt voor een Opeltje maar eerst nog even uitvoerig de dikste Mercedes wil testen.

De dijkgraaf zegt dat de schrik te groot is geweest om nu te zeggen dat deze bijna-ramp het beste is wat de waterkeerders had kunnen overkomen. Maar je kunt het hem moeilijk kwalijk nemen dat hij tevreden is dat er nu door de papierwinkel heen gesneden wordt. Bovendien is gebleken hoezeer het waterschap toch leeft bij de mensen. Formeel heeft de dijkgraaf de bevoegdheid om burgers in te lijven voor een leger dijkbeschermers, maar hier stonden 450 vrijwillige dijkwachters ('onze ogen en oren') onmiddellijk paraat om te waken, 24 uur per etmaal - het ging tenslotte ook om hun huizen.

Het komt misschien ook van pas met het oog op het wekken van belangstelling voor de verkiezingen voor het waterschap op 17 mei. 'Droge voeten èn schoon water', is volgens de verkiezingskrant nu toch echt een zaak van iedereen. De tijden dat vooral de boeren het onderling regelden en je voor het bestuur gevraagd werd bij wijze van privilege, moeten dan voorbij zijn. Omdat het beginsel 'belang-betaling-zeggenschap' niet voor iedereen hetzelfde is, maar afhankelijk van economisch belang - een boer wordt drie maal aangeslagen: als landeigenaar, onroerend goed-eigenaar en bewoner - wordt het een complexe democratie: veertien zetels in de Verenigde Vergadering zijn gereserveerd voor 'eigenaren gebouwd', twaalf voor 'eigenaren ongebouwd' (dat zullen de boerenorganisaties in de Alblasserwaard naar verluidt toch weer onderling regelen) en negen voor 'ingezetenen'. De laatste categorie wordt door de gemeenteraad gekozen.

Anne Wind is er niet helemaal gerust op wie hij straks in de statige vergaderzaal mag verwachten. “We hebben nu leden in alle gedaanten: grote ondernemers en kleine boeren, van wie je weet dat ze de streek goed kennen en hart voor de zaak hebben. Het zijn douwers, geen babbelaars. Je bent straks overgeleverd aan de selectie van degenen die zichzelf capabel achten. En als de opkomst in mei toch laag is, weet ik niet of dat zo democratisch is. Maar goed, dat is nu eenmaal zo besloten.”

Vier maal per jaar komt de vergadering bijeen. Er kunnen wel spanningen zijn onder de mannen en die ene vrouw, omdat de belangen bij het waterpeil nogal eens verschillen, alleen al tussen veehouders en akkerbouwers, maar ook tussen natuur en land, en tussen stad en land. De een wil sneller droogmalen dan de ander. Anne Wind stuit ook wel op verzet bij boeren, die bijvoorbeeld overwaaiende distels vrezen als hij op de dijken een bloemenweelde wil laten planten. Maar het is volgens de dijkgraaf een groot misverstand te denken dat de boer niet om het landschap geeft. Hij moet alleen ook om zijn boterham denken.

Meestal gaat het in het waterschap om geld. Zuinigheid is een goede traditie en het waterschap moet zichzelf bedruipen van de heffingen. Dus alle plussen en minnen bij het voorstel een nieuw gemaal te bouwen, komen uitvoerig aan bod. Maar als de dijkgraaf dan aanbeveelt, ter gelegenheid van dat nieuwe gemaal een prachtig zeventiende-eeuws schilderij te kopen waarop het water, de wolken en het schitterende land van de Alblasserwaard staan afgebeeld, stemt iedereen daar wel mee in. Want zo'n rijke historie houden ze toch graag levend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden