De digitale democratie

'De ontwikkeling van het internet laat zien hoe - van een centrale computer naar de personal computer - via een proces van geleidelijke autonomie, een soort zelfregulerende digitale democratie ontstaat. Iedere stem wordt gehoord en ieder houtsnijdend argument wordt gebruikt. En dit alles met een handjevol praktische regels: de 'grondwet' van het internet is eenvoudig en past bij wijze van spreken op een A4-tje. De Europese eenwording laat, treurig genoeg, precies het omgekeerde proces zien. Begonnen als een verzameling ruziënde staatjes en gewesten, ontwikkelde Europa zich tot een min of meer stabiel netwerk van landen. Nu wordt - tot schrik van de burger - gekozen voor een 'centrale computer' in Brussel, die van grote afstand gaat bepalen wat er moet gebeuren.'

door Joop van Gent

,,Zoals de natuur grenzen heeft gesteld aan de gestalte van een welgevormd mens en daarbuiten slechts reuzen of dwergen voortbrengt, zo heeft ook de opbouw van een staat grenzen aan de uitgestrektheid die hij kan hebben, wil hij niet te groot zijn om goed te worden geregeerd, noch te klein om zich op eigen kracht te kunnen handhaven.''

Met deze woorden opent Rousseau in Du Contrat Social een betoog waarin hij op meesterlijke wijze schetst dat een samenleving, die een deel van haar macht afstaat aan een regering ver weg, onmogelijk kan functioneren. Zijn bewijs hiervoor is al even simpel als beeldend: Als je met een lepel een steen op wilt tillen, wordt dit moeilijker naarmate de steel langer, en de steen zwaarder is. Volgens Rousseau betekent eenwording het verleggen van de macht naar iets dat op grotere afstand staat, waardoor enerzijds de burger geen voeling meer heeft met de politiek, en anderzijds de politiek steeds boven haar macht moet tillen om zaken voor elkaar te krijgen.

In het kielzog van zijn metafoor komt Rousseau met een voor zijn tijd fenomenaal wiskundig bewijs: hij rekent precies uit hoe sterk of zwak een staat is aan de hand van de lengte van de steel (te weten het aantal schakels tussen burger en overheid) en de zwaarte van de steen (het aantal onderdanen).

Als je Rousseau's redenering toepast op de Europese eenwording dan is de kans groot dat deze zal leiden tot een wormstekig gedrocht, dat door overgewicht, spierpijn en motorische storingen door zijn knieën zakt. Mijn argumenten daarvoor zijn gebaseerd op hedendaagse ontwikkelingen.

Wat is er nu eigenlijk precies mis met de Europese eenwording? Is het niet evident belangrijk voor de veiligheid, het milieu, de kracht van de economie, en vele andere zaken dat er onderlinge afspraken komen? En als we het er over eens zijn, dat er onderlinge afspraken komen, is het dan niet logisch dat er een instantie komt, die ervoor zorgt dat iedereen zich aan die afspraken houdt?

De historicus voegt hieraan nog sussend toe dat staatkundige schaalvergroting in de geschiedenis altijd met volksgemor van voorbijgaande aard gepaard ging: gemor over teloorgang van medezeggenschap, over het betalen van belastingen aan zaken waar men gevoelsmatig helemaal niks mee heeft, en over een gevoel eigen cultuur en identiteit te verliezen (wie voelt zich al Europeaan?). Het volk heeft het gevoel dat 'over hoofden heen' beslissingen worden genomen, en is bang voor veranderingen waarvan blijkbaar niemand de gevolgen kan overzien. Zo ging het bij de vorming van de gewesten en die van de staat der Nederlanden, en zo zal het altijd gaan. Maar - zo haast hij zich hieraan toe te voegen - als zo'n klusje eenmaal goed en wel achter de rug is, dan gaat iedereen weer over tot de orde van de dag, en sijpelen langzaam maar zeker de zegeningen van de nieuwe orde door in de bloedbanen van iedere burger. En glimlachend besluit hij zijn betoog met de opmerking dat er vandaag de dag sowieso nog helemaal geen sprake is van een centrale regering of eenwording, maar dat alleen de grondwet aan de orde is.

Europa als zelfregulerende samenleving

Grondwet of niet, het huidige aan ons voorliggende dikke document is - zo blijkt uit de tekst - wel een belangrijke opmaat naar de vorming van een centrale regering, en dus naar een politieke eenwording van Europa.

We beginnen onze oppositie daarom met twee vragen. Eén: is het wel nodig dat er voor de handhaving van onderlinge afspraken tussen Europese landen een Europese grondwet en, op den duur, een centrale regering komt? En twee: als die er komen, kan dat dan kwaad?

Allereerst vraag één: hebben we zo'n regering nodig? Mijn antwoord hierop is ontkennend. Een coherent en sterk Europa wordt vanzelf bereikt door zijn eigen zelfregulerend vermogen. Zonder centrale regering, zonder extra belastingheffing, zonder gecentraliseerde politieke inmenging, zonder grondwet. Hoe dan?

Ook hier biedt Rousseau een interessante redenering. Hij stelt dat de mens twee hoofddrijfveren in zijn bestaan heeft: amour de soi en pitié, ofwel een gezonde eigenliefde en mededogen met zijn medemens. Mededogen stelt de mens in staat zich in een ander te verplaatsen, en daarmee ontstaat automatisch een vorm van eigenliefde, die menselijke proporties heeft, zonder ontaarding in egoïsme. Rousseau zag in, dat beide onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en de basis vormen voor een gezonde samenleving.

Omdat een samenleving met een hogere moraal beter is voor het individu, en tegelijkertijd de individuele bijdrage aan een betere wereld vaak wordt ervaren als een te groot offer, belijden mensen met de mond een moraal die boven henzelf uitstijgt.

Het basisprincipe is dus dat de publieke moraal altijd op een hoger plan staat dan de individuele moraal. Mensen zijn van nature geneigd om in hun privéleven kauwgum onder hun stoel te plakken, auto-asbakjes op straat te legen, de hond te laten poepen in de tuin van de buren, lak te hebben aan het milieu en aan de ellende in de Derde Wereld, en op vele andere manieren de katjes in het donker te knijpen. Maar zodra zij in de openbaarheid treden, spreken zij hun verontwaardiging uit over topmanagers met te hoge bonussen, bedrijven die bouwfraude plegen en politici die hun eigen salaris opschroeven. Kortom: publiekelijk bepleiten ze een hogere moraal dan ze persoonlijk praktiseren.

Dit lijkt een pessimistisch en zwart beeld van de mens, maar het is nu eenmaal zo, en het is ook helemaal niet erg, want het is tegelijkertijd de drijfveer achter een gezonde economie, een dynamische samenleving en uiteindelijk een sociale samenleving.

Op deze manier ontstaat dan ook het 'sociaal contract' waar Rousseau het over heeft: de afspraak tussen mensen onderling om zich zo te gedragen, dat het beste voor de groep wordt bereikt. Het sociaal contract is het enige contract tussen mensen dat hun in staat stelt ondanks hun principiële hang naar egoïsme een prettig bestaan te leiden. Het voortbestaan van de mensheid is meer gebaat bij pitié, maar bij het individu voert amour de soi de boventoon. Door het sociaal contract komen beide in balans.

Digitale democratie

Keurig. Maar bij dit basisprincipe hoort een belangrijke factor, die er onlosmakelijk mee is verbonden: de mate waarin het sociaal contract kans van slagen heeft, hangt af van de mate waarin de collectieve verontwaardiging haar weg naar buiten kan vinden, en de mate waarin individuele argumenten door het publiek kunnen worden gehoord en verwoord. Het is juist op dit punt dat de huidige samenleving zo sterk verschilt van die van honderden jaren geleden.

Waar bijvoorbeeld in de Middeleeuwen collectieve verontwaardiging nog leidde tot excessen als heksenverbrandingen en schandpalen, en de argumenten van eenieder behalve van de machthebbers simpelweg werden gesmoord, zorgen de moderne nieuwsmedia ervoor dat iedere verontwaardiging kan exploderen, en ieder argument kan schallen. De media etaleren voortdurend de publieke moraal en trekken daarmee de ethiek van de samenleving omhoog. De media fungeren zodoende als katalysator van de hogere moraal.

Dit zegt overigens niets over de moraal van die individuele media. In het algemeen zullen kranten, tijdschriften, tv-programma's en websites hun best doen om politiek correcte signalen af te geven, niet zozeer omdat zij daar zelf achter staan, maar omdat zij daarmee de meeste kans hebben op een duurzame aanhang, en dus geld of macht. Zelfs de boulevardbladen, die leven van het etaleren van menselijk leed, zullen dit leed altijd presenteren vanuit de verontwaardiging. En ook zij die smullen van het leed, zullen in de communicatie erover vooral van 'schande' spreken. Collectief en publiek leedvermaak komt uiterst zelden voor, en wordt al snel in de context van 'het spel' getrokken, bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd.

Hoe beter en sneller de collectieve verontwaardiging openbaar wordt gemaakt in de media, hoe sneller de samenleving erop zal reageren met daden. Op die manier wordt zij ook een steeds belangrijker motor achter de politiek.

Op kleine schaal hebben we dit in Nederland de afgelopen jaren mogen meemaken. Steeds vaker worden kamervragen en politieke spoeddebatten aangestuurd vanuit de collectieve verontwaardiging: racistische uitspraken in praatprogramma's, medische fouten, de te dure euro: politici krijgen nauwelijks de tijd om hun dagelijks werk te doen of er verschijnt alweer een nieuw thema in het nieuws, dat tot collectieve verontwaardiging leidt en aanzet tot rappe reacties. De komst van het internet en mobiele communicatie heeft het publiek maken van de verontwaardiging in exponentiële zin versterkt.

Soms maakt de politiek op haar beurt handig gebruik van dit mechanisme. Zo plaatste het Amerikaanse leger camera's op tanks die in de tweede golfoorlog Irak binnendenderden. Niet zozeer om de wereld het leed of succes te laten meemaken, maar veeleer om te laten zien hoe politiek correct het Amerikaanse leger zich gedroeg. Op dat punt had Amerika zijn lesje immers wel geleerd, onder andere in de Vietnam-oorlog en de eerste golfoorlog.

Mogen we hieruit dan concluderen dat de 'redding' van Europa niet zou moeten komen uit de vorming van een Europese staat met een centrale regering, maar uit het medianetwerk dat alle mensen real time met alle mensen verbindt, mogelijk gemaakt door moderne communicatietechnologie?

De rol van technologie wordt over het algemeen ernstig onderschat door de politiek. Men ziet wel in dat zij een belangrijke motor is achter de economie en subsidieert bedrijven die innovatieve technologie ontwikkelen, maar politici snappen er zelf geen iota van. Je moet hen alles uitleggen in Nijntje-taal. Veel websites van de overheid zijn als winkels zonder personeel. Producten genoeg in de etalage, maar je kunt 'volluk!' blijven roepen tot je een ons weegt. Wie bijvoorbeeld probeert de Belastingdienst via e-mail te bereiken, loopt tegen een betonnen muur.

Hoe schrijnend het gebrek aan inzicht van politici in de technologie is, blijkt uit de lachwekkende verhouding tussen de geschiedenis van het internet en die van de Europese eenwording.

De internetgeschiedenis begon zo'n dertig jaar geleden met een centrale computer die achter een glazen wand in een gekoelde, voor slechts enkele uitverkorenen opengestelde ruimte stond. Zijn 'onderdanen' mochten er alleen via een toetsenbord met beeldscherm bij komen. Zo'n centrale computer dicteerde de rechten en plichten van de onderdanen. De tweede generatie zag er al veel vriendelijker uit, en bleek een enorme revolutie. In plaats van alleen een beeldscherm en toetsenbord kreeg het werkvolk nu ook nog een magisch kastje, in de vorm van een reuze-broodtrommel: de PC, met een eigen denkvermogen en een gleuf om eigen gegevens in te stoppen. De centrale computer dicteerde niet langer, maar zorgde slechts voor basisvoorzieningen en maakte communicatie tussen PC's mogelijk. De werkers mochten op hun eigen PC van alles doen, zonder dat daarvoor de centrale computer hoefde te worden lastig gevallen. Ook werd het voor het eerst mogelijk e-mails te versturen. In de jaren negentig kwam het internet op. Dit betekende dat alle computers rechtstreeks met elkaar konden worden verbonden, zonder dat sprake was van een centrale computer. Daarmee heerste in principe volledige anarchie.

Je zou verwachten dat in zo'n situatie datgene gebeurt, wat altijd in anarchieën gebeurt: eerst neemt de chaos de overhand en vervolgens komt binnen de kortste keren een grootmacht op, die met fysieke overmacht de touwtjes in handen neemt.

Vreemd genoeg is dit niet gebeurd. Juist het tegenovergestelde tekent zich af. Aangejaagd door verlichte internetgeesten, zoals Linus Torvalds en Richard Stallman, ontstaat een subtiel spel van samenwerkende groepen binnen de internetsamenleving, die ervoor zorgen dat allerlei processen gladjes verlopen, waarbij alleen de macht van het argument telt. De allerbeste software ter wereld wordt geschreven door de open source community. Dit is een pragmatisch opererende, steeds wisselende groep individuen, die democratisch en voortdurend luisterend naar elkaars argumenten, probeert producten steeds beter te maken. Hetzelfde geldt voor Wikipedia, ondertussen misschien wel de beste encyclopedie ter wereld, geschreven door ... tja, door iedereen die een stuk tekst wil toevoegen! (www.wikipedia.org). In plaats van een prikbord met stukjes onzin, is Wikipedia een degelijk standaardwerk, dat dagelijks groeit en verbeterd wordt.

Nee, een grootmacht is er niet op het internet. En de 'grondwet' voor het maken en aanpassen van producten is door niemand anders gemaakt dan door de community zelf.

Open Source en Wikipedia zijn maar twee voorbeelden van het zelfregulerend vermogen van de internet-gemeenschap. Maar ook zij die de digitale snelweg slechts als communicatiemiddel willen gebruiken, blijken ondanks het ontbreken van strepen, verkeersborden en vangrails verrassend weinig ongelukken te maken.

Zo kiest het bedrijfsleven in de hele wereld massaal voor marketing en verkoop via het internet, en dit loopt allemaal soepel en zonder al te veel problemen. Op sociaal gebied komen alleenstaanden en gehandicapten plotseling uit hun isolement tevoorschijn en draaien surfend en chattend mee. Op het gebied van milieu- en derde wereld-problematiek ontstaan internationale samenwerkingsverbanden die ervoor zorgen dat milieuproblemen in hoog tempo en efficiënt worden geregistreerd en aangepakt.

Voorbeelden hiervan zijn het Open Knowledge Network-initiatief, waarbij groepen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika informatie kunnen plaatsen, die door locale vertalers wordt vertaald in zoveel mogelijk talen. Taalbarrières staan verspreiding van die informnatie dan niet langer in de weg (http://www.openknowledge.net). Een voorbeeld dichterbij huis is het Habitat-platform, dat een armoedeportaal opzet om door ngo's ontwikkelde initiatieven voor armoedebestrijding toegankelijk te krijgen voor andere groepen. 'E-Governance for developing countries' is een verzameling initiatieven wereldwijd om de uitwisseling van informatie tussen burgers, overheid, ngo's en bedrijfsleven zo te laten verlopen dat ontwikkelingslanden er van kunnen profiteren (http://www.ftpiicd.org/files/research/briefs/brief1.pdf).

Natuurlijk kent het internet ook subversieve krachten. Ook 'het kwaad' vindt zijn uitweg via het internet. Maar het bijzondere is nu juist, dat deze subversieven door de community zelf ontmaskerd, ontmanteld of omzeild kunnen worden, domweg omdat de community er niet bij gebaat is. Bij groepen als Open Source en Wikipedia worden deze elementen eenvoudig uit de groep gestoten. Bij de sociale subversievelingen is het iets lastiger, maar wanneer een invloedrijk persoon zich bijvoorbeeld op een website positief uitlaat over een terroristische actie, wordt hij al snel opgespoord, in zijn hemd gezet en met modder besmeurd.

Kortom, de ontwikkeling van het internet laat zien hoe vanuit een aanvankelijk centralistische organisatie, via een proces van geleidelijke autonomie, een soort zelfregulerende digitale democratie ontstaat, waarbij uitsluitend het argument telt en geen enkele politieke inmenging plaatsvindt. Iedere stem wordt gehoord en ieder houtsnijdend argument wordt toegepast. En dit alles met een handjevol pracktische regels: de 'grondwet' van het internet is eenvoudig en past bij wijze van spreken op een A4-tje.

De Europese eenwording laat, treurig genoeg, precies het omgekeerde proces zien. Vanuit een historisch beginpunt als een verzameling ruziënde staatjes en gewesten met ieder een eigen autonomie, ontwikkelde Europa zich tot een min of meer stabiel netwerk van landen met hun nationale regeringen, waarbij de regio's en steden een flink stuk eigen autonomie behielden. Nu wordt - tot schrik van de burger - gekozen voor een 'centrale computer' in Brussel, die van grote afstand gaat bepalen wat er moet gebeuren. De burger krijgt slechts een beeldscherm om toe te kijken, en -hoera! - eens in de vier jaar een toetsenbord om te stemmen. Hij is gedegradeerd tot een pop die mag dansen aan de touwtjes van hen die blind en onbereikbaar zijn, en verstrikt raken in een onhanteerbare kluwen van regels en convenanten.

De politiek hobbelt als een oude zieke hond achter de feiten aan, en lijkt volkomen blind voor het feit dat het digitale medianetwerk niet zomaar 'yet another' communicatiemedium is, maar langzaam maar zeker versmelt met de samenleving zélf.

Met de nieuwe communicatietechnologie worden nieuwe vormen van democratie mogelijk, die mogelijk meer recht doen aan de inzichten en wensen van de burger. In de vaak als ideale staatsvorm beschouwde directe democratie uit de Griekse oudheid verzamelden zich burgers op een plein, de agora, en iedereen mocht overal direct over meediscussiëren en beslissen. Deze vorm van democratie is om praktische redenen direct verruild voor een democratie op basis van afvaardiging, gewoon omdat er al heel snel teveel mensen zijn om op een plein te proppen. Een virtuele agora als het internet kent echter geen grenzen, en laat met gemak ieders stem meeklinken.

Het belang van sentimenten

Rest ons nog de vraag te beantwoorden of de Europese eenwording dan kwaad kan. Hiertoe is het voldoende te constateren dat het optimisme van politici over de eenwording gepaard gaat met een aan minachting grenzend negeren van sentimenten die leven onder de bevolking, en die vaak neerkomen op een angst voor verlies aan identiteit. Door die sentimenten niet serieus te nemen, worden zij gekatalyseerd en vormen vroeg of laat een bron van gevaar, dat gemakkelijk terroristische trekken kan aannemen. Met andere woorden: doordat politici Europa bouwen over de hoofden van burgers heen, zorgen zij voor een kweekvijver van ongenoegen, die gemakkelijk om kan slaan in een poel des verderfs.

De recentste geschiedenis laat zien dat bij het wegvallen of verzwakken van centrale politieke macht, staten die zijn samengesteld uit volken van verschillende culturele achtergrond gemakkelijk uiteenvallen. De Sovjet-Unie, Tsjechoslowakije, Joegoslavië en vele andere staten die door megalomane krachten vanaf de 19de of 20ste eeuw een politieke eenheid vormden, zijn - vaak met veel bloedvergieten - uiteengevallen in kleinere staatjes die proberen hun identiteit te heroveren in een onevenwichtig en meestal economisch arm klimaat. Vrijheidsstrijders voor kleinere onderdelen van grotere landen, zoals Noord-Ierland en Spaans Baskenland, hebben - hun motieven daargelaten - over het algemeen weinig moeite om een groot deel van de bevolking achter zich te krijgen. Bij nadere inspectie blijkt er vaak economisch niets te winnen, en betreft het uitsluitend het onbedwingbare verlangen een eigen identiteit te behouden of heroveren. Ook ons eigen Koninkrijk der Nederlanden, in 1815 bij het Congres van Wenen beklonken, bleek alras een 'tekentafel-eenwording', die slechts enkele jaren stand hield en in 1831 al leidde tot de afsplitsing van België dat zijn eigen identiteit opeiste. In het Verenigd Koninkrijk hebben Wales, Schotland en Noord-Ierland tegen de wens van de centrale regering al jaren hun eigen parlement.

De geschiedenis bewijst dat de krachten om een eigen identiteit te verkrijgen of te behouden vaak enorm sterk zijn en dat zij, als ze worden onderschat door de heersende regeringen, gemakkelijk worden gekanaliseerd in terroristische bewegingen. Het anti-globalisme in Europa heeft nog nauwelijks terroristische trekjes, maar kan die weldra krijgen als de eenwording van Europa zich in hetzelfde hoge tempo blijft voltrekken.

Het is voor de meeste Europeanen moeilijk zich Europeaan te voelen, in plaats van Fransman, Engelsman, Duitser, Nederlander, of zelfs Brabander. Taal- en cultuurverschillen en een lange geschiedenis verhinderen dat die sentimenten snel veranderen. De beste manier om verschillende culturen met elkaar te laten omgaan, is ze niet kunstmatig onder één noemer te brengen. Voorstanders van de Europese eenwording zullen volhouden dat de identiteit van de afzonderlijke landen helemaal geen gevaar loopt, waar zij misschien wel gelijk in hebben. Maar dit laat onverlet dat burgers de politieke ambities nu al als bedreigend ervaren, en dat nog meer zullen doen wanneer de eerste dictaten uit Brussel de nationale rechtsorde overvleugelen. Erik Meijer, zelf lid van het Europees parlement schreef hierover recentelijk in het Eindhovens Dagblad: ,,Hoewel in artikel 5 staat dat de EU de identiteit van de lidstaten eerbiedigt, meldt artikel 6 dat de Europese grondwet voorrang heeft boven het recht van de lidstaten. De Nederlandse grondwet verdwijnt niet, maar wordt wel ondergeschikt aan de Europese grondwet.''

Het negeren van deze sentimenten kan leiden tot een hang naar radicalisering onder de bevolking, vooral in tijden van economische crises. Dat zo'n crisis zich zal doen gelden, is waarschijnlijk, omdat het nieuwe Europa in eerste instantie de financiële klappen van de nieuwe EU-landen zal moeten opvangen, en daarmee de komende jaren gedoemd is economisch te navelstaren in plaats van het hoofd te bieden aan de economische grootmachten Amerika en Azië. De zwakte van Duitsland na de recente eenwording onderstreept deze voorspelling.

Samengevat: nee, we hebben geen politieke eenwording nodig, zoals ingezet met het huidige grondwetsvoorstel, omdat de samenleving zelf - dankzij de groeiende invloed van de moderne communicatietechnologie - in toenemende mate zelfregulerend is. Landen kunnen daardoor steeds beter en efficiënter onderlinge afspraken maken, op basis van goede argumenten, rechtstreeks ingegeven en gedragen door het volk. Een sterk Europa is heel goed mogelijk zonder centrale politieke macht.

En ja, het is gevaarlijk om - zeker in het huidige tempo - Europa door te zetten, omdat dit in brede zin de Europese volkeren beledigt en aantast in hun gevoel van eigenwaarde.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden