De dieren verdringen hun sterfelijkheid

Redelijke Roets is een lemming. Maar heeft geen enkel plan zich van kant te maken. (Trouw) Beeld
Redelijke Roets is een lemming. Maar heeft geen enkel plan zich van kant te maken. (Trouw)

Een van de weinige schrijvers die zich écht verdiepten in het dier was Anton Koolhaas. Hij kéék. Naar muizen. mussen, snoeken, kalkoenen.

In de literatuur, aldus Midas Dekkers in zijn buitengewoon vermakelijke boekenweekessay ’Piep’, komt haast geen dier voor. „Heb je toch een verhaal over dieren in handen, dan zal het wel een kinderboek zijn.” Tot Dekkers’ ergernis wordt het jeugdgenre niet alleen bevolkt door krokodillen in rokjes en ijsbeertjes met een das om, het staat ook stijf van de levenslessen.

Dekkers laat onvermeld dat de gewraakte moraliserende inslag het dierenverhaal van oudsher eigen is. Duizenden jaren voordat het de mutatie onderging tot prentenboek-met-onderschriften (denk maar aan Max Velthuijs!), was het al een geducht opvoedkundig instrument. De aan Aesopus (zesde eeuw voor Christus) toegeschreven, talloze malen bewerkte fabels projecteerden menselijke eigenschappen in dieren. In strijd met elke evidentie gold de krekel als zorgeloos, de ezel als dom en de vos als sluw. Het wachten was op waarnemers die bereid waren het dier als dier te zien. Ze kwamen er halverwege de vorige eeuw dankzij de ethologie, een nieuwe wetenschap die studie maakte van diergedrag.

Bijna tezelfdertijd stond in Nederland een schrijver op voor wie de fauna geen projectiescherm was, maar die behalve zijn verbeelding ook zijn ogen gebruikte. Naar eigen zeggen zat Anton Koolhaas nachten lang op zijn knieën bij de muizen in zijn huurkamertje om hun doen en laten te observeren, met verhalen als ’De kater komt terug’ en ’Denkwijze 298’ als resultaat. Ze ontlokten Midas Dekkers de uitspraak dat Koolhaas de Nobelprijs voor literatuur niet heeft verdiend, maar dat toekenning van de Nobelprijs voor biologie alsnog het overwegen waard is.

Het enige wat Koolhaas deelt met Aesopus en zijn schoolmeesterende navolgers is de gewoonte om dieren denkend en sprekend te laten optreden. Maar binnen die marge mogen zijn personages zichzelf zijn. Hij laat Mia de mus nesten bouwen op de ongelukkigste plekken, en wanneer ze daarvoor wordt gestraft met het voortijdige verlies van haar broedsel, lijkt ze zich er niet al te veel van aan te trekken. Wampoei de snoek gaat tekeer als een niets ontziende tiran die niet rust voor hij de vijver heeft leeggevreten. Branoul, mannetjesolifant op het breukvlak van puberteit en volwassenheid, verliest zich al baltsende in een destructieve dodendans.

Ook in de details van hun gedragingen blijven Koolhaas’ dieren trouw aan hun aard. Om zijn vitaliteit te tonen, onderbreekt Aortus de rat zo nu en dan zijn gedraaf, zet zich op zijn achterpoten en maakt een paar boksbewegingen. Zorgeloos als hij is, trekt kikker Bart zich van Wampoeis schrikbewind niets aan. „Vaak stond hij daarbij dan gek tegen een plantenstengel aangeleund, met de blik schuin omhoog gericht en zonder ooit eens om te kijken, of verdwijnen mogelijk niet raadzamer was.”

Koolhaas’ neiging tot een min of meer natuurgetrouwe weergave van diergedrag verhindert niet dat hij zijn personages interpreteert en hen al interpreterend de menselijke maat oplegt. Alleen al het feit dat ze met spraak begiftigd zijn en elkaar als individuen bejegenen is menselijk te noemen. Om nog maar te zwijgen van de aan menselijk gedrag ontleende typeringen.

Wat bijvoorbeeld sterk opvalt, is dat Koolhaas’ dieren zich dikwijls laten kennen als waanwijze, pretentieuze en opgeblazen ego’s, die niet in het minst worden geplaagd door hun eigen belachelijkheid. In die zin zou je hun schepper een satiricus mogen noemen, zelfs nu zijn spot altijd stoelt op een door en door tragisch levensbesef. De kalkoenen die huizen op een fok- en slachtboerderij zijn vervuld van het besef dat ze hun leven zullen eindigen onder het mes, maar ze ontlenen daaraan allures die hen de gelijken maken van de aristocraten die ten tijde van de Franse revolutie stijlvol richting guillotine probeerden te schrijden.

Satire die ondergeschikt blijft aan de overtuiging dat leven en dood in elkaar grijpende schakels zijn, ziedaar het eigene van Koolhaas’ dierenverhalen. Telkens weer maakt hij duidelijk dat de motoriek van de levensdrift, die zich niet alleen manifesteert in paren en eten maar ook in roven en moorden, in stand gehouden wordt door de dynamo van het alomtegenwoordige sterven.

In hoeverre Koolhaas daarbij is beïnvloed door de filosofen van zijn tijd, is een open vraag, maar het zou me niet verbazen wanneer hij van harte had kunnen instemmen met Heideggers adagium dat ons bestaan een ’Sein zum Tode’ is. In elk geval gaat hij er net als Heidegger van uit dat mensen van deze tijd te ver van de natuur zijn afgedreven om de ruimte van het volledige leven nog optimaal te kunnen ervaren. Als ze er al een vermoeden van hebben, drukken ze dat weg onder oppervlakkige praatjes over het weer.

Zoals Wiel Kusters in een recente studie laat zien, wordt Koolhaas’ spot snijdend wanneer hij in ’Vleugels voor een rat’ wandelaars laat jubelen over een in hun ogen ’sublieme’ natuur, die zonder dat zij het merken toneel is van een geweld dat men sinds kort ’zinloos’ pleegt te noemen.

Een ander voorbeeld van de navrante tegenstelling tussen cultuur en natuur is te vinden in het eveneens door Kusters geanalyseerde verhaal ’Corsetten voor een libel’. Een man die tijdens een toeristische trip in de jungle verdwaalt maar niettemin behouden thuiskomt, beseft niet dat hij een glimp heeft opgevangen van het leven dat een ondeelbare eenheid vormt met de dood.

Kusters zet Koolhaas’ dierenverhalen in het perspectief van de twintigste-eeuwse biologie, ethologie en filosofie. Aan Heidegger gaat hij voorbij, maar Nietzsche en diens vitalistische ’Wille zur Macht’ worden prominent genoemd, evenals Konrad Lorenz, Niko Tinbergen en andere pioniers van de ethologie. En, wat belangrijker is, hij maakt nadrukkelijk melding van Koolhaas’ zintuig voor de poëzie die in- en uitademt op het pulserende ritme van het leven, waarin alles en iedereen, de mens zo goed als het dier, deelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden