De dienstwoning / Nog drie jaar

De dienstwoning verdwijnt, op het Catshuis na en de pastorieën. Ooit woonde de bovenmeester in een huis dat bij de school hoorde en de seinwachter een huis van de spoorwegen. Trouw portretteert deze zomer acht dienstwoningen. Vandaag deel 1 Mr. A. de Roostuin, schooltuinen. Eigendom van Stadsdeel Westerpark in Amsterdam.

Aan de hand van haar vader zwaait het meisje. Ze staan bij het hek van de Mr. A. de Roostuin, het schooltuinencomplex achter de Amsterdamse Westergasfabriek. ,,Zo gaat het nou altijd'', zegt Bert Ydema. ,,Ook na werktijd bellen ze aan.'' Het hek gaat open. ,,Kom maar'', zegt Ydema. ,,Ja, we willen graag even naar het tuintje kijken'', zegt de man verontschuldigend. Het meisje huppelt vooruit, tussen de 500 tuintjes van ieder tien vierkante meter groot, naar haar eigen tuin, haar trots, die ze perse na schooltijd aan haar vader wil laten zien.

,,Dat hoort bij het wonen in een dienstwoning. Je bent zeven dagen in de week aan het werk. Je komt er nooit los van. Er moet altijd iemand aanwezig zijn. Ik neem dat op de koop toe. Mijn werk hier is in feite puur een hobby.'' Bert Ydema (59) woont en werkt al 36 jaar op het schooltuinencomplex, is in dienst van Stadsdeel Westerpark, geeft daar les aan gemiddeld zo'n 500 stadse kinderen van de basisschoolleeftijd, die daar ieder hun eigen tuintje hebben op een terrein zo groot als een voetbalveld. Voorjaar, zomer en herfst krijgen ze zo mogelijk buiten les, in de winterdagen gebeurt dat binnen in een speciaal lesgebouwtje op het terrein. Het is dankbaar werk met deze kinderen, van wie sommigen denken dat de krop sla in de fabriek wordt gemaakt, de eerste beginselen van de natuur bij te brengen.

De tuin van de dienstwoning is een klein paradijsje. ,,Het is puur genieten hier'', zegt Ydema. ,,Van zo'n plek wil je niet weg.'' Wonen vlakbij de stadse drukte, tussen spoorlijnen en uitvalswegen in een eigen natuurgebiedje. ,,Ja, voor zoiets wil je wel zeven dagen per week werken. Ook in het weekeinde moet de boel verzorgd worden, de dieren moeten te eten krijgen. Het onkruid kan je niet laten uitzaaien. Het is een soort gevecht, je moet knokken tegen de natuur. Alles moet onder controle zijn, soms denk je dat je het niet meer kan bijbenen. En altijd zijn er telefoontjes, heb je veel aanloop, het leven staat hier niet stil.''

Soms moet hij er even uit. Dan gaat hij een harinkje pakken op de Haarlemmerdijk, fietsen door de Jordaan. Om even afstand te nemen, van zijn werk én zijn woning.

Ydema leeft hier met zijn vrouw en een oudere herdershond; de kinderen zijn het huis uit. Het huis is niet echt groot: drie kleine slaapkamers, een woonkamer, met keuken ingebouwd, een douche. Er heerst een gezellige, wat rommelige en gemoedelijke sfeer. Bij de voordeur prijkt nummer 321. ,Vroeger was het hier Spaarndammerdijk 321. Het bordje is altijd blijven hangen.''

,,Het was een zootje toen we hier 36 jaar geleden kwamen. Geen telefoon, elektra boven de grond. Vuil werd niet opgehaald, moesten we zelf verbranden in een gat, we stookten kolen, het leggen van een tv-kabel was te duur. Op een gegeven ogenblik werd de spoorlijn verplaatst, we hebben toen zes jaar lang in de shit geleefd'', zegt Ydema. Het huis was nauwelijks meer bereikbaar. Toen was er wel even een moment dat Ydema er eigenlijk geen trek meer in had, te leven in zo'n woestenij, zo vlakbij de bewoonde wereld.

De gemeente heeft daarop de weg die naar de naburige begraafplaats loopt, verlengd. ,,Het ging het Ydemapad heten, de naam kwam zelfs in het straatnamenboek. Maar op een gegeven ogenblik kwam hier een man van de gemeente, vroeg hoe ik heette. Ik zei 'Ydema'. Hij antwoordde 'Dat kan niet, die is dood'. Toen bleek dat straten alleen naar dode personen genoemd mochten worden. Kreeg het de naam Overbrakerpad.''

Vlakbij de woning staat het lesgebouwtje. In de 'Galerij der onsterfelijken' hangen daar de mooiste naamborden die de kinderen hebben gemaakt als herkenningsteken voor hun eigen tuintje. Iedere week is er een plant van de week die bijzondere aandacht krijgt, de ene week de gele lis, een andere week de jasmijn. Achter het gebouw ligt een soort kinderboerderij, met wat kippen en ander gevogelte. Een meerkoet doet net op dat moment een brutale aanval op een reiger die zich daar teveel thuis lijkt te voelen.

Bert Ydema is nu 59, geniet van zijn baan, maar beseft dat ook zijn werk eindig is. Vorig jaar heeft hij een flinke inzinking gehad. ,,Noem het maar een burn-out'', zegt hij. ,,Alles kwam tegelijk. Met de schoolkinderen liep het niet goed. De midlifecrisis begon wat op te spelen. Mijn portemonnee werd gestolen. De verwarming lekte, het parket ging kapot. Er waren personele problemen.'' En wat nog meer meespeelde was iets anders. Ydema is even stil. ,,Een ambtenaar kwam langs tijdens de les, met een open enveloppe. Nietsvermoedend deed ik hem open. Daar stond in dat ik na mijn 62ste binnen een half jaar weg moet zijn van deze plek.''

Het is het dilemma van het bewonen van een dienstwoning. ,,Ze kunnen me toch niet zomaar aan de kant zetten? Ik ben een begrip in deze buurt. Twee generaties scholieren ken ik. Ook bij de gemeente zitten kinderen die les van me hebben gehad.''

Ydema: ,,Ik kookte toen van binnen, had last van mijn nek, sliep slecht, ging jankend naar de dokter. Ik durfde zelfs niet meer in de auto door een tunnel te rijden.'' Bert Ydema moet er niet aan denken dat hij over een paar jaar zijn huis uit moet, naar een woning op drie hoog. Als een starter opnieuw beginnen. Ik ga nog liever dood.'' Hij zou het liefst op de tuinen willen blijven wonen, of desnoods iets anders krijgen waar hij zich thuis voelt. Maar aan de andere kant moet hij er ook niet aan denken dat ze tegen hem als oudere man die nog op de tuin woont zeggen: 'Meneer, ik wil liever niet dat u die schep daar op die plaats neerzet.'

Ydema is wat emotioneel, daar zo zittend in zijn tuin. Plotseling zegt hij. ,,Kent u het gedicht Georgica van Ida Gerhardt? Ik zal het even halen''. Even later begint hij met zachte stem voor te lezen:

Labor improbus

Ik ben een tuinman, niets dan dat,/met aarde en met mest bespat :

ik buig mij neer, ik richt mij op,/ik klem de schoffel en de schop.

....

Ik wied, ik volg mijn diepste wet /als ik de naakte zaailing zet:

ik richt mij op, ik buig mij neer./Een tuinman ben ik en niets meer.

Hij leest het hele gedicht voor. ,,Daar krijg ik nou kippevel van'', zegt Ydema.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden