De dienstplicht

Tot 1996 moest elke jongen van 18 zich laten keuren voor de dienstplicht. Wie goedgekeurd was kreeg op een dag te horen 'welke lichting hij was'. Dan moest je naar een kazerne. En daar werd je een echte kerel. Bij het naderen van de dag kreeg je een treinkaartje, in mijn geval naar Maastricht. Leuk, daar kwam je anders nooit. Ik had er echt zin in om straks het Vrijthof te zien, maar toen ik in Maastricht aankwam bleek dit geen schoolreisje. Een paar mannen in een soldatenpak schreeuwden dat ik in een vrachtwagen moest. Ik probeerde nog te doen of mijn neus bloedde en gewoon door te lopen, maar op de een of andere manier hadden ze in de gaten dat ik een rekruut was. Niks Vrijthof. De kazerne was een oud gebouw aan een grote binnenplaats, met in het midden een vlaggenstok.

De inzittenden van de vrachtwagen kregen te horen dat die schreeuwer een sergeant was en dat zo iemand alleen met de diepste eerbied benaderd kon worden. Wijzelf waren daarentegen het allerlaagste en moesten dus gehoorzamen, wij stonden onder de krijgstucht. Ieder kreeg na de maaltijd een grof wollen pak, een stropdas met een groenig overhemd en een ruwe broek. Verder een koppelriem van textiel en allerlei riemen en tasjes waar je later je kogels in kon doen. Ook had de foerier voor bijna iedereen een paar passende hoge schoenen. Een keur aan groene onderbroeken, lang en kort en tricot hemden maakten de uitrusting compleet.

De sergeant wees ons een bed aan in een ruimte waar dertig à veertig stapelbedden stonden. Gelukkig kreeg ik een hoog bed. We moesten een stromatras vullen in een stoffig hok. Vervolgens begon het 'wolletje' maken. De sergeant leerde ons hoe je de twee dekens kunstig moest vouwen zodat ze een soort kubus vormden die overdag op het kussen hoorde te liggen.

Van verbroedering kwam niet veel: we waren te moe om met elkaar te praten. Maar je leerde wel de namen. Jan, Hubert en Eugêne. Hubert lag in het bed onder mij, Eugêne naast mij in de hoek. Tussen ons in stonden twee kasten, waar je je spullen volgens een vast schema in moest doen. Het enige privé-gebied was de plank bovenin de kast. Ongeveer 50 centimer breed en 40 diep. Daar legde ik mijn krant, de NRC, die per post kwam en het doosje met de schaakstukken.

Sommige manschappen hadden een schoenmaat die de foerier niet had. Zij moesten op hun gewone schoenen marcheren en herinnerden zo nog een paar dagen aan het vrije leven dat nu heel ver weg was. Later kwam ik bij een compagnie. De kapitein was een aardige man, een Korea-veteraan. Als we in het veld oefenden en daar in een tentje sliepen, waste hij zich net als de anderen met water uit z'n helm, maar hij had een geurig stukje toiletzeep bij zich, want zelfs Korea had geen echte kerel van hem gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden