De dienstplicht en de dood

In Nederland woedt weer het dienstplichtdebat. Wim Meijer (PvdA) is voor handhaving van de dienstplicht, zijn partijgenoot Pronk tegen. Bij de christendemocraten hetzelfde beeld: de fractie is voor afschaffing, minister Van den Broek wil de dienstplicht redden. Zo lijken de tijden van honderd jaar geleden te herleven, toen hetzelfde debat werd gevoerd, maar dan omgekeerd: de persoonlijke dienstplicht invoeren of niet? Er waren emoties in het geding in 1898, en ze eisten een bijzondere tol.

In de laatste decennia van de vorige eeuw werd veel over legerhervormingen gediscussieerd. Vooral na de Frans-Duitse oorlog van 1870 leefde het idee, dat een ingrijpende hervorming en uitbreiding van de strijdkrachten nodig was. Vast onderdeel van de discussie was het debat over de dienstplicht. De dienstplicht bestond al wel, vanaf de Franse tijd zelfs, maar het was geen persoonlijke dienstplicht: de jongeman die de pech had door het lot te worden aangewezen kon tegen betaling een plaatsvervanger zien te vinden. Omdat er maar liefst vijf jaar werd gediend, stond er voor een loteling met carriereplannen nogal wat op het spel. Jaarlijks lieten zich enkele duizenden dan ook vervangen door remplacanten.

Dat systeem werd niet altijd even rechtvaardig en bevorderlijk voor het functioneren van het leger bevonden. Een aantal kabinetten, te beginnen met enkele liberale, diende voorstellen voor de invoering van de persoonlijke dienstplicht in: Thorbecke in 1871, Geertsema in 1873 en De Savornin Lohman in 1891. Om allerlei redenen haalde geen van deze voorstellen het.

Maar de plannen uit 1891 - naar de toenmalige minister het plan-Bergansius genoemd - leefden voort in de discussies.

Aandrang

In 1898 komt dan het kabinet Pierson in de persoon van de minister van oorlog Eland met een nieuw voorstel: invoering van de persoonlijke dienstplicht als voorzichtige eerste stap in verdere legerhervormingen. Hij kan dan inmiddels op de steun van een grote meerderheid in de Kamer rekenen, en dat weet hij. Toch heeft het debat een aantal aardige kanten, en zelfs een totaal onverwachte.

In deze tijd van voor de fractie-

dwang voert iedereen die aandrang voelt het woord. Liefst zes van de 22 katholieke Kamerleden beklimmen het spreekgestoelte, en dat vooral om - op de toenmalige eenling Schaepman na - hun hevige afkeuring kenbaar te maken. In dat verzet staan zij alleen. De liberalen die het woord voeren leggen, net als de regering, de nadruk op de sociale rechtvaardigheid van de persoonlijke dienstplicht en hebben het over een 'menschonteerenden menschenhandel' (Pyttersen) als ze de plaatsvervanging bedoelen.

Ook de christelijk-historischen en anti-revolutionairen zijn voor de persoonlijke dienstplicht. In gradatie weliswaar - Kuyper neigt in deze jaren veel meer naar liberaal-democratische ideeen over een algemene dienstplicht en een volksleger dan bijvoorbeeld De Savornin Lohman - maar in dit debat levert dat geen grote tegenstellingen op.

Ook de drie socialisten die de Kamer op dat moment telt, mengen zich in de discussie: behalve Troelstra is dat o. a. Van der Zwaag, die zich weliswaar 'principieel anti-militarist' verklaart en er aan toevoegt dat hij het hele leger het liefst 'zoo spoedig mogelijk helemaal zag verdwijnen.' Toch stemmen de drie socialisten uiteindelijk maar voor.

Bahlmannianen

De tegenstanders, als gezegd, zijn de massaal in het geweer komende katholieken, op Schaepman na. Dat zegt veel over de toenmalige verhoudingen. Schaepman heeft de weg gebaand naar een meer democratisch georienteerde katholieke volkspartij, zijn geloofsgenoten onder de volksvertegenwoordigers in 1898 zijn nog overwegend conservatieven in de 19e-eeuwse zin van het woord.

Die conservatieve katholieken hebben hem ook lang de voet dwars gezet; bij de verkiezingen van 1891 bijvoorbeeld, voerden ze nog een geslaagde actie om Schaepman en de Schaepmannianen buiten de Kamer te houden. Naar het lid Bahlmann, worden ze de Bahlmannianen genoemd, waartoe verder vooral Van Vlijmen - grootvader van het huidige CDA-Kamerlid Van Vlijmen - behoort. Beiden voeren in het dienstplichtdebat het woord.

Het betoog van Van Vlijmen is een van de langste in de rij, en vormt een bijzonder fraai contrast met de hedendaagse debatten. Hij is een ex-beroepsmilitair en emotioneel hevig bij het onderwerp betrokken. Het meest ongewoon, naar onze begrippen, is de uitgebreide aandacht voor wat er volgens het natuurrecht over deze kwestie te zeggen valt maar ook anderen brengen dat natuurrecht in het geding.

Het zal niet verbazen, dat in zijn visie het natuurrecht tegen de persoonlijke dienstplicht pleit, evenals trouwens de hele Europese en vooral ook Nederlandse geschiedenis: "Reeds Karel de Groote immers stelde perken aan den algemeenen krijgsdienstplicht of weerplicht. (. . .) En hoe handelden de Nederlandsche vorsten? Sedert Karel de Stoute heerschte het goede beginsel van de aanwerving van vrijwilligers. Daarnaast werden, in tijden van nood, de gewapende en in den wapenhandel geoefende burgers opgeroepen. Dit is het echt Nederlandsche beginsel."

Geschiedenis

Volgt een fraai betoog waarin de hele Nederlandse krijgsgeschiedenis de revue passeert, en vooral de burgerwachten - voorbeeld van het soort leger dat hij voor ogen heeft - hogelijk worden geprezen. "Vrijheid en slagvaardigheid! moet de leuze blijven van Nederland. Die leuze doortintelt de geheele historie, niet alleen van de 16e eeuw, maar van alle eeuwen sinds den tijd der Bataven."

Van Vlijmen af, Bahlmann op. Ook mr. Bernardus Maria Bahlmann (1848-1898) - een van de eigenaren van het conservatief-katholieke dagblad De Maasbode en groot geworden als textielbaron - gelooft in het natuurrecht. Hij heeft bovendien nog een bijzonder bezwaar: de invoering van het wetsontwerp dreigt samen te vallen met de kroning van koningin Wilhelmina, en dat past niet bij zo'n beladen onderwerp. Vervolgens gaat hij eveneens de geschiedenis door.

Als hij bij de Kerkelijke Staat in 1870 is aangekomen, wordt het zaak de Handelingen van 13 mei 1898 goed te lezen. Hij breekt zijn zin af, zegt nog 'Mijnheer de Voorzitter! Ik zal het hierbij laten' en dan vermeldt de tekst: '(De spreker wordt hier overvallen door eene plotseling opgekomen ongesteldheid, die na weinige minuten zijn dood ten gevolge heeft.)' Hier overlijdt dus, de enige keer voor zover valt na te gaan in onze parlementaire geschiedenis, iemand die op het spreekgestoelte het woord voert, ten overstaan van een vrijwel voltallige Kamer.

Naspeuring leert, dat dit curieuze gegeven in 1974 ook vermeld is in een boekje van N. Cramer, Wandelingen door de handelingen (pag. 85). Daar valt ook het berichtje na te lezen dat in Bahlmanns eigen De Maasbode te lezen was.

"Het was omstreeks half drie. Met vuur zette de heer Bahlmann zijn grieven tegen het ontwerp op de persoonlijken dienstplicht uiteen. Alle leden stonden om hem heen, en hun aandacht wekte hem nog meer op. Plotseling houdt hij op. Een bleeke kleur bedekt zijn gelaat, en langzaam het hoofd ter rechterzijde wendende, zakte hij met een kreun ineen op de spreekplaats."

Indrukwekkend

Een militaire arts, die van de tribune snelt, moet weldra zijn dood constateren, niet echter dan nadat hij nog van mgr. Everts (een ander katholiek Kamerlid) de absolutie heeft ontvangen.

"Een indrukwekkende plechtigheid greep nu plaats. Dr. Schaepman en Mgr. Everts knielden voor het lijk, dat tusschen de spreekplaats en het bureau, op een matras lag uitgestrekt, en baden de gebeden der stervenden, terwijl rondom op hun knieen en met de handen gevouwen zich neerzetten de heeren Van Vlijmen, Travaglino, baron de Bieberstein en Merkelbach."

Het stoffelijk overschot wordt uiteindelijk, 's avonds, overgebracht naar het perceel van de firma Bahlmann & Co., in de Hoogstraat.

Bij de heropening van de beraadslagingen, een week later, leest de voorzitter een kort briefje voor namens de familie Bahlmann. Dat briefje is ondertekend door Bahlmanns broer, Ignaz, die als internationaal tussenpersoon in de socialistische beweging optreedt en zijn aandeel van het familiekapitaal in dezelfde beweging heeft gestopt. Niet alleen over de dienstplicht weken in die jaren de meningen soms zeer uiteen.

Johan Snel

Hans Adam II dreigt zijn onderdanen

Zal Hans Adam II vorst van Liechtenstein zijn vaderland de rug toekeren, nu het brievenbusje, dat ingeklemd ligt tussen Oostenrijk en Zwitserland, is getroffen door de zwaarste constitutionele crisis sinds 1699. De vorst wil zijn land opstuwen in de vaart van Europa, zijn regering en de bevolking, die zelfs hiervoor al de straat is opgegaan, hebben meer vertrouwen in de huidige rol van het land als handig belastingparadijsje, drukker van zeldzame postzegels en leverancier van valse tanden. Mochten regering en volk blijven dwarsliggen, dan wil de vorst zich desnoods in het buitenland vestigen en van daar uit het land regeren.

Dat kan heel goed. Het enige dat je er voor nodig hebt, zegt de grondwet, is een plaatsvervanger voor het doorknippen der linten en het met de bevolking vieren van Schmutzigen Donnerstag, als de jongens hun gezicht met roet zwart maken en vervolgens proberen de soepketel te stelen uit de keukens, door de liefst maagdelijke en daarbij graag ook jeugdige kokkin dermate af te leiden, dat zij haar werk even uit het oog verliest. De plaatsvervanger heeft verder weinig in de melk te brokkelen, want als het op hogere politiek aankomt, dan zal toch echt de vorst moeten worden geconsulteerd.

Het is al opmerkelijk genoeg, dat Hans Adam II in het slot van Vaduz woont. Hans Adam I bezocht zijn vaderland alleen als het werkelijk niet anders kon. En hij wordt nog wel gevierd als de grondlegger van Liechtenstein, in 1699. Toen kocht hij voor 115 000 Gulden (spreekt uit: goelden) de heerlijkheden van Schellenberg en Vaduz. De familie Liechtenstein was namelijk in 1608 in de vorstenstand verheven, maar had daar niet zo gauw een aanwijsbaar land bij. Toen Schellenberg en Vaduz te koop waren, was de familie er snel bij. Helaas bleek het graafschap Vaduz een schuld te hebben die aanmerkelijk hoger was, zodat het nog tot 1712 duurde voor de koop officieel tot stand kwam en de prijs was opgedreven tot 290 000 Gulden. Zeven jaar later besloot keizer Karel VI, dat Liechtenstein een onafhankelijk vorstendom genoemd mocht worden. Overigens was dat geen reden voor Hans Adam I om er te gaan wonen.

Wij spreken over 1699 en de officiele geschiedschrijver van Liechtenstein, professor Otto Seger, meldt ons dat het duurde tot Franz Josef II, voor de vorst zich daarwerkelijk aan de poort van slot Vaduz meldde om daar te gaan wonen. In de tussentijd toonden achtereenvolgens Josef Wenzel (1712-1718 en 1748-1772), Anton Florian (1718-1721), Joseph Johann Adam (1721-1732), Johann Nepomuk Karl (1732-1748), Franz Joseph I (1772-1781), Alois I (17811805), Johannes I (1805-1836), Alois II (1836-1858), Johannes II (1858-1929) en Franz I (191291938) zich belangstellende buitenstaanders voor hun bezittingen. Eerst de legendarische Franz Josef II, vestigde zich in 1938 als eerste definitief in Liechtenstein.

In 1989 werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Hans Adam II, een econoom, die vindt dat Liechtenstein zich minstens moet aansluiten bij de Europese Economische Ruimte. Regering en volk vrezen daardoor teveel buitenlandse invloed en misschien wel afschaffing van het bankgeheim. Zij willen liever afwachten hoe in Zwitserland per referendum over dezelfde zaak denkt. Hans Adam II wil desnoods het parlement ontbinden en nieuwe verkiezingen houden.

Tegen dat idee is de bevolking in opstand gekomen. En daarom dreigt Hans Adam II samen met zijn vrouw, geboren Marie Aglae Grafin Kinsky, met vertrek uit zijn vorstendom naar nog enige fijne bezittingen elders, in Oostenrijk bij voorbeeld. Zijn oudste zoon, de 24-jarige prins Alois, zou dan zijn plaatsvervanger worden voor het doorknippen der linten en de festiviteiten van Schmutzigen Donnerstag. En dan moeten ze in Liechtenstein voor de belangrijke beslissingen pa maar zo gek zien te krijgen z'n jawoord in de landelijke brievenbus te deponeren.

Ruud Verdonck

Afnemers te Rijswijk, Heiloo en Amsterdam hebben ons attent gemaakt op het feit dat 1 november 2000 niet op een dinsdag valt, maar op een woensdag. Dit in tegenstelling tot wat gemeld wordt in de publikatie 'Een nieuw behangetje dan maar?' in ons O. O. vierde jaargang nr 7. Wij vertrouwen erop dat alle afnemers hun agenda voor het jaar 2000 zullen bijstellen.

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET NEDERLANDS GENOOTSCHAP TER BEVORDERING EN VERBREIDING VAN NUTTELOZE KENNIS. OPGERICHT 14 JULI 1989 TE AMSTERDAM. VOORZITTER:JAN KUIJK, SECRETARIS/PENNINGMEESTER: RUUD VERDONCK, LID: ROB SCHOUTEN. 3e JAARGANG NUMMER 8

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden