Review

De dictatuur zit straks in een server

Jaron Lanier is een computerman van het eerste uur. Hij zag internet opkomen, hij ziet de macht van Wikipedia en WikiLeaks. Maar hij ziet ook de eigenheid van mensen ondersneeuwen, hij ziet ze maar al te vaak versmelten met de sjablonen van bijvoorbeeld Facebook en Hyves.

Jaron Lanier weet nog precies waarom hij begon met bloggen voor de Huffington Post – en waarom hij er weer mee ophield. Arianna Huffington, die de succesvolle website deze maand voor 233 miljoen euro verkocht aan internetbedrijf AOL, ging op zijn hand zitten.

„Het was op een of andere stomme bijeenkomst, Davos of TED, zoiets, waar de rijken en machtigen bij elkaar komen in elk geval. Ik zat buiten toen ze dat deed. Ik zei: pardon, Arianna, je zit op mijn hand. „Ja”, zei ze – met dat enorme accent van haar, ik kan het niet nadoen – „en veel mensen zouden fors voor dat voorrecht betalen”. Ik vroeg haar of ik toch maar mijn hand terug mocht hebben, want ik had hem voor andere dingen nodig. „In ruil voor je hand”, zei ze, „zul je voor mij bloggen.”

Lanier was ongetwijfeld een aanwinst voor de HuffPost. Hij is een van de aartsvaders van de internetgeneratie. Hij was erbij toen het allemaal begon in Silicon Valley. Hij was daar begin jaren tachtig naartoe verhuisd, met achterlating van een eenzame jeugd in New Mexico, waar hij zich met hulp van ingenieurs van een wapenlaboratorium had verloren in technische experimenten. In Californië maakte hij computerspellen voor Atari. En dankzij die ervaring werd hij een van de grondleggers van de ’virtuele realiteit’, het verkennen en beleven van afgelegen of niet-bestaande omgevingen met behulp van aan computers gekoppelde brillen en kledingstukken.

Hij is een originele en eigenwijze denker, zoals blijkt uit zijn onlangs verschenen boek ’You are not a gadget’. Het is een manifest, uit het hart geschreven, in een zoekende stijl waarin je voelt dat hij zijn vrienden uit Silicon Valley niet al te veel verdriet wil doen. Maar hij gruwt nu eenmaal van het utopia waarin velen van hen zijn gaan geloven. Waarin het web een soort wereldbrein wordt, oneindig wijs dankzij de combinatie van het gezonde verstand van miljoenen.

Hij noemt het ’cybernetisch totalisme’. De overeenkomst met ’totalitair’ is daarbij geen toeval, want een fijne nieuwe wereld wordt dat niet, denkt hij, als het er van komt en als bijvoorbeeld Wikipedia daar een voorproefje van is. De internet-encyclopedie, elke maand door 400 miljoen mensen gebruikt, is nuttig, grotendeels correct en al met al een wonderbaarlijke prestatie van al die duizenden vrijwilligers. Maar ook: vlak, saai, zonder ruimte voor persoonlijke brille of hartekreten. De hele organisatie van Wikipedia is er juist op gericht die zo snel mogelijk uit te wissen.

Dat zou niet zo erg zijn, als die elders nog aan bod kwamen. Maar de deskundigen die hun bijdrage aan Wikipedia leveren, nemen zelden meer de moeite om hun kennis ook uit te stallen in originele websites. En als ze het al doen, zijn die websites voor de gewone internetter onzichtbaar: de zoekresultaten die Google verstrekt over hun favoriete onderwerp worden gedomineerd door onaandoenlijke feitensites als Wikipedia.

En wat voor kennis is gaan gelden, geldt ook voor mensen, klaagt Lanier. De persoonlijke website is vervangen door het keurslijf van Facebook, waar iedereen dezelfde vragen over zichzelf beantwoordt en bij ’burgerlijke staat bijvoorbeeld moet kiezen uit negen antwoorden, van ’vrijgezel’ tot ’het is ingewikkeld’.

Maar goed, hij blogde voor Arianna. Voor niets, zoals de meeste medewerkers van de Huffington Post. „Dat gaf niet, ik had een boek te verkopen... en ik was een van hun beste, ik stond bovenaan de lijst van meest gelezen blogs. Maar ik deed mezelf er schade mee. Om in die rol succes te hebben, moet je elke dag je publiek veroveren, de vaart erin houden, vermaken, inspelen op vooroordelen of je daar juist tegen verzetten. Het trivialiseerde me.”

Dat besef kwam sterk opzetten na een column over de vorige president, de zeker door HuffPost-lezers gehate George W. Bush. „Het was kort na orkaan Katrina. Ik realiseerde me dat ik enorm veel bezoekers zou scoren door over hem iets genuanceerds te zeggen. De menigte zou doldraaien. En ik deed het nog ook. Maar daarna kapte ik er mee. Zoiets kan je echt naar het hoofd stijgen, iets slechts met je doen. Ik ben liever waarachtig dan succesvol.”

De kloof tussen die twee kwaliteiten dreigt op het internet alleen maar te groeien, en daar kan de nu zoveel miljoenen waard geachte HuffPost nog op een andere manier last van krijgen. „Ik was laatst op een bijeenkomst in San Francisco over het probleem van de content farms: bedrijven die waardeloze inhoud op het web zetten, die zo is gekozen en geschreven dat ze hoog eindigt in de zoekresultaten en zodoende advertenties kan tonen aan mensen die daar terechtkomen.

„Die rommel is lange tijd geaccepteerd, maar in het laatste jaar, de laatste maanden, is er kennelijk een grens overschreden: ze bedreigen de broodwinning van Google. Dus Google moet iets doen. Ze moeten strenger worden in hun berekeningen van de waarde van de inhoud van websites. Maar dan zijn dus ook de toekomstige verdiensten van de Huffington Post afhankelijk van de genade van Google’s rekenmethoden. Is het niet komisch absurd? Al die mensen die zo graag gehoord willen worden, afhankelijk van een gevecht tussen algoritmen.”

Volgens de internet-ideologie in zijn zuiverste vorm maakt dat allemaal niet uit. Of ze nu door mensenhand of door een computer op het net wordt gezet, alle informatie vindt op een of andere manier wel zijn weg naar een plek waar ze van pas komt. En de wereld wordt er dus alleen maar beter van als informatie niets in de weg wordt gelegd: niet door bedrijven of mensen die zeggen dat ze er het auteursrecht op hebben, en niet door regeringen die er de gevolgen van vrezen.

Die eerste belemmering is goeddeels opgeruimd door diensten waarmee je die muziek- en filmbestanden kunt uitwisselen. De tweede wordt luidruchtig bestreden door WikiLeaks. Over beide onderwerpen is Lanier een vloekende in de kerk.

„WikiLeaks profiteert van de sympathie die de underdog krijgt, ze lijken op revolutionairen die vervolgd worden en die gunnen we dat het goed voor hen afloopt. Maar in feite zijn ze behalve revolutionair ook enorm machtig. Wij techneuten zijn aan de winnende hand. We schiepen internet om een tegenmacht in het leven te roepen, en dat is gelukt. En als je die maatstaf aanlegt, is het optreden van WikiLeaks opeens zo aantrekkelijk niet meer.”

„Dat zie je vooral in hun laatste activiteit, het publiceren van de Amerikaanse diplomatieke ambtsberichten. Dat is een manier om tegen de overheid te zeggen: barst maar. Ze dragen niet alleen een filosofie van openheid uit, maar ook dat ze aan sommige organisaties gewoon een hekel hebben.”

„En dat doen ze in beide opzichten enorm stom. Ze zijn net als Google en Facebook: ze scheppen de illusie van openheid, maar zelf zijn ze heel geheimzinnig, een soort inlichtingendienst. Je ziet het ook aan de chantage die WikiLeaks pleegt: we hebben versleutelde bestanden, die kunnen we in één klap in de wereld brengen. Dat is een puur machtspel. Sinds wanneer ligt onze sympathie bij chanteurs? Wij hackers zijn niet aan de gang gegaan om machtover andere mensen te krijgen.”

Hij was er bij toen de hackers (in de goede betekenis van het woord: virtuoze en idealistische programmeurs) ’aan de gang gingen’. Bij die eerste vergaderingen, waarin die ideologie werd geformuleerd, zoals later uitgedragen door de Electronic Freedom Foundation en in radicalere vorm door Julian Assange van WikiLeaks.

„Ik had zo kunnen eindigen hoor –ik had technische kennis, ik kon schrijven, communiceren, met computers werken, en het heeft een enorme aantrekkingskracht. Maar ik had iets tegen de eigendunk die ervan afstraalde. Alsof we Che Guevara in de jungle waren, en de ene vorm van onrechtvaardige macht tegenover de andere moesten stellen. Het was toen eigenlijk voorbarig van me om me daar zorgen over te maken, maar ik zag duidelijk waar het toe kon leiden. Je kunt wel revolutie maken, maar je weet niet of dat wat volgt, beter is dan wat er voor kwam. Als je, zoals in Egypte, wilt dat op een revolutie iets beters volgt, dan moet je niet beginnen om veel macht te geven aan schimmige figuren. Dat is een vreselijk zaadje dat maar beter niet tot boom kan uitgroeien.”

Afgezien van de manier waarop WikiLeaks werkt, is de doelstelling verkeerd. „Als je zegt dat er geen geheimen meer mogen bestaan, gaat iedereen tegen elkaar doen alsof. Als diplomatieke post niet meer veilig is, gaat iedereen elkaar dingen op de mouw spelden. De hele wereld gaat dus minder goed functioneren – dat lijkt me toch niet handig.”

De dag dat geen snipper overheidsinformatie veilig is voor de lekkers en hackers van WikiLeaks is nog ver weg, als die ooit komt. Maar op een ander gebied is de transformatie waar de hackers van het eerste uur naar uitkeken zo goed als voltooid: steeds meer mensen die een niet-materieel product maken, kunnen daarvan niet meer leven. Omdat tekst, muziek en films vrijwel kosteloos gekopieerd en verspreid kunnen worden – en de gemiddelde internetgebruiker dat maar al te graag doet.

Misschien dat Lanier daar zelf wat gevoeliger voor is dan andere internetpioniers, omdat hij ook nog musicus is. „Een van de dingen die me te denken gaven, was dat mijn vrienden, succesvolle musici, opeens niet meer de inkomsten hadden waar ze voor hun middelbare leeftijd en hun pensioen op rekenden. Dan kun je zeggen: die hebben pech, het zijn harde tijden. Maar voor je op die manier accepteert dat mensen wegwerpartikelen zijn, moet je toch wel even goed nadenken.”

De techniek was al een bedreiging voor de broodwinning van groepen mensen lang voor het internet werd uitgevonden, maar volgens Lanier gaat het nu zo ver dat de maatschappij er fundamenteel door verandert. „Daar ben ik nu een nieuw boek over aan het schrijven. Ik praat er met veel mensen over, en waar het op neerkomt is dat de middenklasse verdwijnt. Een echte middenklasse, dat is niet alleen een groep mensen met voldoende geld om rond te komen, dat is een groep die de nodige invloed heeft. Zonder middenklasse heb je geen democratie, wat er ook in de wetboeken staat.”

„En online is er nu eigenlijk geen middenklasse. Je hebt de supermachtige rijken, die de servers beheren, vol met geheime informatie, en je hebt de mensen die dingen gratis doen, met gratis programma’s, in een informeel circuit – en die verder niets te vertellen hebben. Dat gaat enorm wringen. Dat is de kern van de ontwikkeling van onze soort: hoe zorgen we ervoor dat macht gespreid is. En wat zal het zijn waarmee mensen invloed krijgen? Ik weet het nog niet. Geld in ieder geval niet. Want steeds meer wordt gratis, en zogenaamd open. Maar het is een platteland van openheid, dat kastelen van geheimhouding omringt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden