De dichter zoekt het zelfverlies

Oplossen in iets groters: dat mystieke verlangen ontketende een revolutie in de poëzie, ontdekte Jaap Goedegebuure. 'De mysticus is wel vaak een psychiatrisch geval.'

In zijn nieuwe boek 'Wit licht' onderzoekt literair criticus Jaap Goedegebuure het mystieke verlangen van Nederlandse dichters, maar als je hem vraagt wat mystiek eigenlijk is, schiet hij in de lach: "Ja, haha! Eenwording hè, met iets groters. De mysticus wil loskomen van zijn eigen ik. Dat idee vind je in alle mystiek terug. Waar dat grotere dan uit bestaat: uit God, de natuur, het Al of het Niets, dat verschilt per traditie. Maar alle mystici willen worden verlost van hun ego."

Het is de ochtend na de zelfgekozen dood van Joost Zwagerman en in de gang van Goedegebuure's Haagse woning, met de jas nog aan, is het aanvankelijk moeilijk over iets anders te praten. "Hij moet helemaal óp zijn geweest", zegt Goedegebuure.

Het afgelopen jaar groeiden de schrijver en de criticus naar elkaar toe: Zwagerman onderzocht 'het mystieke niets' in de schilderkunst en scheef vlak voor zijn dood in Trouw-katern Letter & Geest over 'het witste schilderij', Goedegebuure onderzocht het mystieke verlangen binnen de poëzie. "In mijn boek 'Wit licht' had ik een heel hoofdstuk ingeruimd over mystiek in de schilderkunst, maar Oek de Jong zei me dat het vloekte met de rest. Toen heb ik het aan Joost Zwagerman gegeven."

Die zou komende dinsdag ook het eerste exemplaar in ontvangst nemen, maar uit de mails die Goedegebuure de laatste weken ontving werd hem duidelijk dat Zwagerman de drang 'de grens over te gaan' niet lang meer zou kunnen tegenhouden. "Zijn dood is een klap voor me, geen verrassing."

Veel van de dichters die voorbijkomen in 'Wit licht', van Herman Gorter tot Gerard Reve, hebben manische trekken.

"Een mysticus is natuurlijk ook een psychiatrisch geval, niet zelden op het hysterische af. Er is dan ook geen énkele grote mysticus uit de christelijke traditie die niet in moeilijkheden is gekomen met het kerkelijk gezag. Meister Eckhart is na zijn dood alsnog veroordeeld op beschuldiging van ketterij. De middeleeuwse mystica Hadewych schrijft over geestverwanten die op de brandstapel zijn gezet en beseft dat ook zij gevaar loopt. Geen wonder: de mysticus wil opgaan in God en doorbreekt daarmee niet alleen een grens, maar ook een taboe. Daarbij heeft de mystiek - zeker bij vrouwelijke mystici - duidelijk een erotisch aspect. Die vrouwen willen een worden met de Gekruisigde.

Er komen nogal wat christelijke mystici voorbij in 'Wit licht': Hadewych, Ruusbroec, Teresa van Avila. Toch begint u het boek met de stellige zin: 'Mystiek is niet het monopolie van gelovigen'.

"Om te waarschuwen: mensen, dit is geen christelijk boek. Onze voorstelling van mystiek is heel sterk gekleurd door onze traditie, maar als je wat verder kijkt, zie je dat mystiek zich veel breder manifesteert. In het taoïsme, niet eens een geloof, speelt het mystieke een doorslaggevende rol. Bij zen gaat alles om leegmaken. Je moet tegenover een witte muur gaan zitten mediteren totdat alle voorstellingen en beelden oplossen."

Uw boek eindigt in het nu, maar begint in 1890. Toen was Nederland toch nog echt een christelijk land?

"Maar niet in de poëzie. In de negentiende eeuw wordt het hele idee dat het bestaan zin krijgt door God betwijfeld - dat zie je al heel duidelijk bij de Franse dichter Baudelaire. Tegelijkertijd groeide de gedachte dat de kunst, en dus ook de poëzie, die rol konden overnemen. Voor de romantici stond de kunstenaar dicht bij God, omdat ook hij, dankzij de verbeelding, beschikt over scheppend vermogen. Sommige dichters dachten zelfs dat ze gelijk aan God waren. Dat lees je terug in de beroemde dichtregel van Tachtiger Willem Kloos: 'Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten.'

Is dat mystiek?

"Bepaald niet! Kloos sloot zich juist bewust op in zijn individuele ivoren torentje. Hij wilde helemaal niet één worden met iets groters, want dat zou neerkomen op zelfverlies. Terwijl de mysticus zelfverlies juist nastreeft; die wil als het ware eerst kapotgemaakt worden om daarna één te worden met een groter geheel. Die behoefte op te lossen zie je wél heel sterk bij Herman Gorter (1864-1927). Die wilde voortdurend opgaan in het Al, in de natuur, in zijn geliefde en ook in het socialisme. Dat mystieke verlangen wordt bij Gorter alleen nooit vervuld. Hij bereikte nooit de innerlijke rust van zijn tijdgenoot J.A dèr Mouw (1863-1919), maar die werd dan ook sterk beïnvloed werd door de oude Indiase mystiek. Hij noemde zichzelf als dichter wel Adwaita, de 'tweeheidsloze'."

Het christendom bood die inspiratie niet?

"Dat was eind negentiende eeuw een volkomen verkalkt instituut, een fossiel. Als alternatief ontstond in die tijd een wijdvertakt spiritueel reveil met rozenkruisers en vrijmetselarij, theosofie en allerhande varianten van de mystiek. Dèr Mouws werk is van die trend een duidelijk voorbeeld. Hij vindt het christendom niet alleen onzin, maar ook muf, ouderwets, akelig en benepen. Als hij dan via Schopenhauer de Indiase Upanishaden ontdekt denkt hij: Dat ís het.

In diezelfde tijd wordt ook Spinoza in Nederland herontdekt. Diens idee dat God en natuur samenvallen is geweldig belangrijk geweest voor Herman Gorter. Zijn grote gedicht 'Mei' is één liefdesverklaring aan de natuur. Of neem deze regels over de lente: 'Wij voelen als twee / hooge, op stengel verhoogde lenterood-bloemen / midden in de lichtzee - / de lente is gekomen'. Je voelt het sterke verlangen op te gaan in iets anders. Natuurbeleving en erotiek zijn bij Gorter trouwens sterk met elkaar verbonden, godsbeleving en erotiek ook. 'O kon ik zijn in u, / O kon ik maar zijn niets, / Geheel in u, in u.' Is die 'u' hier God of is het een vrouw? Ik denk allebei."

Heeft de mystiek de dichtkunst vernieuwd?

"Ik denk van wel. Je ziet dat heel duidelijk bij Gorter. Om zijn verlangen naar zelfverlies te verwoorden moest hij de taal als het ware geweld aan doen. En bij Paul van Ostaijen, die andere grote vernieuwer van onze poëzie, was het net zo. Heb je zijn handschriften wel eens gezien?" Goedegebuure staat op om een bruin schrift uit de kast te pakken. Als hij het openslaat, zien we schuine, rechte, grote en kleine letters naar alle kanten van de bladzijde springen. "Moet je zien. De taal ontploft! En het interessante is: als Van Ostaijen dat schrijft is hij diep in de middeleeuwse mystiek gedoken. Hij móét Hadewych hebben gelezen; maar dat hij Meister Eckhart kende, weten we zeker.

"Ook onze eigen tijdgenoot Hans Favery (1933-1990) liet zich trouwens door hem inspireren: hij stierf met Eckhart op zijn nachtkastje. Maar Eckhart is dan ook de radicaalste en daarmee de modernste van alle middeleeuwse mystici. Hij schrijft ergens dat we God eigenlijk zouden moeten bidden om van Hem te worden verlost. Dat hij een paar decennia geleden is ontdekt in Japan, verbaast me niets. Daar vinden ze dat hij dichter bij het zenboeddhisme staat dan bij de christelijke mystiek.

"Ik heb daarover wel gebakkeleid met Willem Jan Otten, want die vindt dat je Eckhart helemaal niet los kunt maken van Jezus. Maar volgens mij hebben de Japanners het juist heel scherp gezien. Je moet de goden als vliegen van je afslaan, maar dat betekent niet dat je het goddelijke ontkent, het betekent dat er beelden tussen jou en God in staan."

Vindt u dat zelf een inspirerend inzicht?

"Sorry, het klinkt ontzettend arrogant, maar nog voor ik dit boek schreef, was ik er al achter dat alles wat je over God zegt, God tekortdoet. Al bedenk je honderdduizend namen, niet een is de goede. Denk maar aan het verhaal van Mozes bij het braambos die Gods naam vraagt en te horen krijgt: 'Ik ben wie ik ben'. Of denk aan het sprookje van Repelsteeltje. Als je je naam noemt, geef je anderen vat op jezelf. Die gedachte komt in de poëzie van de negentiende eeuw heel sterk op. De idee van iets dat alles ontstijgt, maar niet kan worden ingevuld. Het blijft open, moét open blijven. Want het is niet alleen dát je het niet weet, je wílt het ook niet weten."

Herman Gorter

Jaap Goedegebuure: Wit Licht. Poëzie en mystiek in de Nederlandse literatuur van 1890 tot nu; VanTilt, Nijmegen; 253 blz. euro 19,95. Het boek verschijnt komende week.

Gerard Reve (1923-2006)

Edwin Fagel (1973 - )

Martinus Nijhof (1894-1953)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden