De dichter is op leeftijd

Is de Nederlandse poëzie ingedut? Of is de jury van de VSB Poeziëprijs gewoon blind voor vernieuwing? Op vrijdag wordt de nieuwe laureaat bekendgemaakt. Wat viel er dit jaar te kiezen? Erik Jan Harmens gaat de vijf genomineerden langs en stelt vast dat er weinig nieuws gaande is. Vethip doen levert nog geen poëzie op die nadreunt.

Dit jaar wordt voor de vijftiende maal de VSB Poëzieprijs uitgereikt, de belangrijkste poëzieprijs in het Nederlandse taalgebied. Eerdere laureaten waren onder meer Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar en Rutger Kopland. In de afgelopen twee jaar was er iets vreemds aan de hand met de prijs. Tweemaal op rij presteerde de jury het om de belangrijkste dichtbundels die in dat jaar verschenen waren, links te laten liggen.

In 2005 verscheen Joost Zwagermans geruchtmakende ‘Roeshoofd hemelt,’ een compromisloos tweeluik over gekte in een hyperconsumptiemaatschappij, verwoord in enerzijds vrije verzen en anderzijds als een dwangbuis knellende sonnetten. De bundel kwam als een dreun aan en verdeelde de wereld van poëzieliefhebbers voor het eerst in lange tijd in medestanders en tegenstanders. Er was ook ’In de naam van de hond’, waarin Ilja Leonard Pfeijffer zijn eigen hijgende en hitsige poëtica opblies door zo’n heftige mate overvloed van woorden („al laat ik stenen zweven zij zullen mij hun spook laten zoeken / in blonde krochten blaffend met jodelend smoel en wind door mijn builen”) dat het bijna ondraaglijk werd. Een ongenadige spraakwaterval van 140 pagina’s waarmee Pfeijffer in één klap zijn hele oeuvre op het spel zette. Dat moet je durven.

En wat deed de jury van de VSB Poëzieprijs? Die nomineerde bundels van Peter Ghyssaert, Esther Jansma, Roland Jooris, Martin Reints en de uiteindelijke winnaar Mark Boog. Waar de Nederlandstalige poëzie manmoedig in opmars was, draaide de VSB-jury op haast sadistische wijze de klok een paar slagen terug. Al zullen de bundels van Zwagerman en Pfeijffer misschien niet naar de smaak van de jury geweest zijn, dan nog oogde het grotesk om dit rumoer terzijde te schuiven ten faveure van vijf dichters die vooral rust en kalmte in de poëzie leken voor te staan.

Het volgende jaar was het weer raak. Je moet zuinig zijn met superlatieven, maar de bundel ’Liedjes’ van Nachoem Wijnberg („Als ik het opschrijf / denk je dat je het kan zingen / terwijl je weet dat je het niet kan zingen, / je denkt dat je weet waar het op lijkt”) kwam in de buurt van wat ik een meesterwerkje zou noemen. Het hartverscheurende rouwbeklag ’Schuim’ van Alfred Schaffer brak daarnaast een ieders klomp („Hoe wij ruchtbaarheid verdienden, alsmaar naar je bleven kijken,/sprakeloos, op en op en op, de pijn verbeten en dat alles vieren wij”). In ’Schuim’ werd diep menselijk leed doorgegeven en vooral de verbeten ironie, zoals in bovenvermeld citaat, maakt indruk.

En welke bundels nomineerde de VSB-jury? Al Galidi, Dirk van Bastelaere, Anneke Brassinga, Joke van Leeuwen en de uiteindelijke winnaar Tomas Lieske. Van dat kwintet kon alleen Al Galidi echt verrassend genoemd worden, al leken zijn keuzes meer op toeval dan op talent te berusten. De vluchteling uit Irak schreef bijvoorbeeld: „In de brandende zomer, / dorstig en ver van de rivier / zag ik een watermeloen/op de grond liggen / als een naakte, groene vrouw op een strand.” Een watermeloen die doet denken aan een groene vrouw, dat is natuurlijk ontzettend grappig, maar of het de bedoeling van de dichter was om op de lachspieren te werken, dat waag ik te betwijfelen.

Dit jaar moest de VSB-jury naar eigen zeggen een keuze maken uit 87 dichtbundels, al vermeldt website De Contrabas (www.decontrabas.com) er 128. Hoe het ook zij, de jury moet er een zware kluif aan gehad hebben, want 2007 was een nogal teleurstellend poëziejaar.

Ik had veel verwacht van Rogi Wiegs bundel ’De kam’, maar Wieg beperkte zich vooral tot een non-fictieverslag van een hevig verwarde man („Ik doe het met anderen die ik niet eens een haar / zou geven. Zelfs geen schaamhaar, alleen mijn / dode zaad, uit de ijskoude penis van een verdwaalde / gedropen”). In ’Nieuwe herinneringen’, wat een magnifieke pastiche op het werk van de Franse geheugenfetisjist Marcel Proust had kunnen worden, houdt Remco Campert het gemakshalve maar bij bedeesde regels als: „Antwerps meisje / dat ik in mijn hart draag / wat heb ik toch gedaan / met mijn leven.” Ja, dat kennen we nou wel.

Tjitske Jansen publiceerde een boeiende tweede bundel (‘Koerikoeloem’), waarin ze de lezer tegen zijn wil in veranderde in een voyeur („Er was een dag waarop ik steeds moest overgeven, wat ik niet erg vond, / omdat het me teruggooide in de tijd, me deed denken aan toen mijn / pleegvader tegen me zei: ’Nu zou ik je willen schilderen’.”). Anderzijds deden de observaties wel heel erg denken aan dagboeknotities.

F. van Dixhoorn ging helemaal los, gebruikmakend van maar heel weinig woorden, in het cijfers-en-lettersspel getiteld ’Twee piepjes’:

2. huid haren ogen

3. glimlachen

een signaal

u heeft niets te vrezen

kiest u maar

en dan kiest u

natuurlijk

alle zestien

Een onvatbare musicologische exercitie, die omwille van die onvatbaarheid natuurlijk niet per definitie genomineerd had hoeven worden voor de VSB Poëzieprijs.

Wél genomineerd zijn dit jaar Jan Baeke (’Groter dan de feiten’), Christine d’Haen (’Innisfree’), Jacques Hamelink (’De Dame van de Tapisserie’), Leonard Nolens (’Bres’) en Anne Vegter (’Spamfighter’).

De 51-jarige Baeke leidt de lezer als een filmregisseur door een mediterrane provinciestad, waar ogenschijnlijk niet al te veel gebeurt („Ik heb het raam dichtgedaan om de zomer niet te horen”), behalve dan dat een man en een vrouw in een hotelkamer en op straat om elkaar heen draaien („Het plein niet opnieuw te moeten verklaren, niet opnieuw / het moment dat wij niet anders kunnen / dan elkaar aanraken, vervagen, oplossen in het verkeer”), waarna de stad zich als vanzelf openbaart als een metafoor voor een levenslange liefdesrelatie („Jouw handen vielen mij op. Ze leken ziek, afwezig / de hele stad doorkruist, overal geleden”). Die reis maken we allemaal en Baeke voert de lezer dan ook moeiteloos mee, ieder naar zijn eigen stelsel van straten en stegen.

De 84-jarige Vlaamse Christine d’Haen gedraagt zich in ’Innisfree’ als een betweter die de lezer wil overdonderen met verwijzingen naar Ezra Pound, Pindaros, Geoffrey Chaucer, James Joyce en nog een heleboel genieën meer. Maar wat je dan vooral overhoudt, is een aantekeningenschrift van een gepensioneerde lerares met een kop vol kennis. „Mooi Ierland, die over haar kinderen schreit, / Verschrikking van Brittanniës Christenstrijd. / Zichtbaar onzichtbaar zielen-Faeryland.”

De 69-jarige Jacques Hamelink doet in het 144 pagina’s dikke, op vroegmiddeleeuwse wandtapijten geïnspireerde boekwerk ’De Dame van de Tapisserie’ een poging tot magnus opus, met vormvaste gedichten die zo’n beetje aan de hele wereldgeschiedenis willen refereren, om te beginnen aan Kosovo. Die kick-off maakt nog wel indruk („Dat hij een stalknecht is is nog niet eens het ergst, maar dat hij / een stalknecht gekweekt in de stal van stalin en net zo’n kakkerlak is”), maar uiteindelijk verzandt de woordenbrij in een eindeloze voor niet-intellectuelen verboden overdracht van feiten in de categorie bruine-Triviant-vraag: „Zo opent de sacerdos alter X, in de Leviet de Galicische boer, van binnenuit / de beide mendeuren Gods voor de lichtgestaltenis wagenwijd.”

Ook de 60-jarige Leonard Nolens heeft veel pagina’s nodig, 104, maar zijn poëzie is helder als gezeemd glas. In de bundel ’Bres’ portretteert hij de generatie waar hij deel van uitmaakt, en dat is een generatie die ’zweeg na mei vijfenveertig’ en de twintigste eeuw beleefde ’met de precisie van een losgeslagen tong’. Nolens gaat met zichtbaar genoegen over de grenzen van het emotioneel toelaatbare: „Heimwee stinkt als patrijzen al jaren / Gekeeld en schoon aan de haak”. Of: „Wij nemen elkaar de maat / Met de mateloze centimeter van Gods afwezigheid”. Of het poëzie van nu is betwijfel ik, maar poëzie van toen kan ook intrigeren.

De 49-jarige Anne Vegter tenslotte, is de benjamin van het gezelschap. Na het lezen van met name d’Haen en Hamelink, oogt haar poëzie vet hip („is your sleep your way to weigh the beeeeeeeeeeep*”). De ik-figuur wil een ’negerrrrrrr’ zijn, die uiteindelijk ’een blank leven’ leidt „in een stad van grote mensen, / in de zekerheid van een aantal onopgeloste vraagstukken”. De dichter Vegter zakt in ’Spamfighter’ nogal door het ijs, omdat de regels vaak hol zijn als ongevraagde e-mailreclame: „Ze had onstilbare dorst en het werd ochtend en de dag begon / vol voortekenen die zich loom en onverzoenlijk voor haar uitstrekten. / Toets 1 om de boodschap nogmaals te horen, 0 om te verwijderen.” Die laatste woorden lijken een sterke weergave van de huidige keuzemenutijd, maar de poëzie is uiteindelijk te weinig doortastend. Weinig dreunt na. De avond is ’een vrijplaats van uithalen’. De aarde is ‘een rondtollende klontering / vaste en vloeibare delen bedekt met populaire kleverigheid’.

Als de vijf genomineerde bundels voor de VSB Poëzieprijs iets moeten zeggen over de huidige stand van de Nederlandstalige poëzie, kun je concluderen dat de beste dichters van Nederland en Vlaanderen dichters op leeftijd zijn. De gemiddelde leeftijd van de kanshebbers is immers 62,5 jaar oud. De tweede conclusie is dat de beste poëzie bij uitgeverij Querido verschijnt. In dit geval betreft het maar liefst vier van de vijf bundels!

Over wie de prijs wint doe ik verder geen voorspelling. Er zijn heus mooie gedichten geschreven, maar ik las nauwelijks poëzie op het scherp van de snede. Om die reden zal ik het poëziejaar 2007 snel vergeten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden