De dichter en de dominee

De dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) raakte in de laatste jaren van zijn leven bevriend met de dominee J. T. Doornenbal (1909-1975). Bart Jan Spruyt schreef een boek over deze destijds zeer populaire predikant. „Achterberg droeg de last van een moord met zich mee. Wat de kern van Doornenbals leven was blijft een geheimenis.”

Hij noemde hem ’dé dichter’ en zijn ’goede vriend’. Hoewel zij uit dezelfde omgeving kwamen – Gerrit Achterberg uit Langbroek, J. T. Doornenbal uit Doorn – leerden ze elkaar pas kennen in 1952. De vrijgezelle predikant fietste naar de Mariahoeve in Hoonte, waar de dichter sinds 1944 woonde met zijn vrouw Cathrien van Baak. Daar begon de vriendschap, schreef Doornenbal later. „Ik zal die dag nooit vergeten.”

Dat bezoek aan Achterberg was een spontane opwelling geweest, zoals deze romanticus en poëzieliefhebber ook brieven schreef aan Adriaan Roland Holst en aan Martinus Nijhoff.

Doornenbal stond destijds in Oene, nadat hij eerder verbonden was geweest aan de gemeenten van Woubrugge en Kesteren. Hij was predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk, in een gemeente van orthodoxe snit; in zijn preken en wekelijkse kerkbodeartikelen legde hij de zeldzame combinatie tussen bevindelijke diepte en ’katholieke’ breedte.

De vriendschap tussen de beide mannen was geheel wederkerig. Doornenbal bewonderde Achterberg en citeerde hem dikwijls in zijn preken en kerkbodestukjes. Het beroemde gedicht ’Eben haëzer’, dat ’merkwaardige vers’ waarin Achterberg zijn gevoel voor zijn vader en vaderhuis vertolkte, was een van zijn favoriete.

Besloten zaterdagavond bij ons thuis.

Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur.

Er was geen ziel meer buiten op dat uur;

de blauwe boerderij een dichte kluis.

Daar woonden wij bijeen met man en muis.

Door koestalraampjes viel een richel vuur

uit goudlampen op deel, eeuwig van duur

en stil van lijnkoeken en hooi in huis.

Mijn vader celebreerde er de mis:

de koeien voeren, plechtig bij de koppen.

Hun tong krult om zijn handen als een vis.

Een schim, diagonaal tot in de nokken.

Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken.

Zijn aderen beginnen te verkalken.

Doornenbal haalde die regels zo vaak aan „dat ik ze soms in de gemeente heb horen nazeggen door mensen die nooit een dichtbundel in handen krijgen”. Hij citeerde ook uitdrukkingen die Achterberg in hun samenzijn had gebezigd. Zo had de dichter gezegd dat je in de roman ’Koningskinderen’ van C. Rijnsdorp de godzaligheid zelfs in de koffie proeft. Hij had ook gesproken over de ’oude stilte’ die in Doornenbals studeerkamer hing.

Achterberg logeerde geregeld in de pastorie, altijd samen met zijn vrouw Cathrien. Soms ging hij met Doornenbal mee op huisbezoek. Samen zaten zij ook te midden van de Oenense bevolking bij een huwelijksjubileum dat op de deel van een boerderij gevierd werd. Doornenbal citeerde Achterberg als kroongetuige in de toentertijd hevige discussie over het ’ritmisch’ zingen van de psalmen in de kerk. „Het was natuurlijk koren op mijn molen, toen vorige week de grootste van onze moderne dichters zei dat hij helemaal niet hield van het vlugge zingen in de kerk van tegenwoordig, waarbij een mens geen tijd heeft om te denken aan wat hij zingt.”

Achterberg, die in 1952 in Leusden ging wonen, reed Doornenbal van station Amersfoort naar diens ouderlijk huis in Doorn, en reed hem ook naar de zieken in Oene. Een portret van Doornenbal stond in Leusden op de schoorsteenmantel. Vaak was Achterberg bezorgd over diens gezondheid. Hij wilde een buitenlandse reis met hem maken om ervoor te zorgen dat hij zou herstellen. „Zie, dat was Gerrit Achterberg voor mij. Hij was een vriend voor me, meer dan ik voor hem.”

Tijdens de logeerpartijen in de pastorie werd ’na dagen van kwelling’ overnacht ’menig vers geboren’. Achterberg was dan, in de herinnering van Doornenbals huishoudster Stijntje van Dijk, ’zeer geconcentreerd’. „Ik moest hem dan maar geen koffie of thee brengen, zijn zenuwen waren tot het uiterste gespannen. Soms ging het maar om een paar regels. Zolang die niet op papier stonden, was hij ongenietbaar. Dan hoorde je hem opeens schreeuwen: ’Ik heb het gevonden!’, en dan kwam hij zijn gedicht voorlezen. Dat gebeurde soms in het holst van de nacht. De dominee, zijn huishoudster en wie er verder ook maar in de pastorie logeerden, werden door belgelui uit hun slaap opgeschrikt. Iedereen stond op en begaf zich naar de voorkamer, waar Achterberg even later plechtig binnenstapte en zijn versregels declameerde. Daarna kon iedereen zijn slaapkamer weer opzoeken.”

Achterberg kon met Doornenbal ook over zijn gedichten praten. Hij vroeg hem om raad, en wilde weten wat hij van bepaalde regels vond.

In augustus 1961 brachten Doornenbal en Achterberg een bezoek aan het graf van de dichter Willem de Mérode in Eerbeek. Achterberg had een ’biezondere voorliefde’ voor diens gedicht ’Voorbereiding’ dat gaat over Gods oordeel en de verzoening door Christus; daarin vond hij volgens Doornenbal ’zeker iets van zichzelf’ terug.

Over het gezamenlijke kerkhofbezoek schreef Doornenbal: „Het graf ligt naast vele andere graven, door een zerk gedekt, met de naam van de dichter en enkele versregels van hemzelf die spreken van geborgenheid in God, ook daar waar de rechte lijn van het leven door Hemzelf gebogen wordt. Er was een diepe vrede in de natuur die middag. Mild zonlicht straalde over het kerkhof. In zulke ogenblikken kun je je verdiepen in alles wat je weet van het leven van hem die hier zijn laatste rustplaats vond, en van zijn verzen, die de neerslag zijn van zijn innerlijke strijd en zielenood, maar ook vervuld zijn van de vergevende liefde van God, die over alles heen komt. Als iets van die liefde het hart vervult, is heel de schepping vol vrede. Het oude land glansde in het middaglicht, heel de natuur was in rust. We vonden de hofstee waar de dichter in zijn laatste jaren heeft gewoond en dachten ons in hoe hij er zijn gangen gehad moet hebben onder de oude eikenbomen en langs de korenvelden, waar het gemaaide graan nu in gouden schoven stond en naar de schuren gereden werd op geheel dezelfde wijze als hij het heeft gezien. Het was een bijzondere middag, die we niet gauw vergeten zullen.”

Op het kerkhof groeven Doornenbal en Achterberg samen wat heidepolletjes uit en pootten die langs de steen „in een bepaalde gevoelsopwelling van ’t ogenblik (we vonden ’t graf wel wat erg kaal!)”.

Op 17 januari 1962 ontving Doornenbal bericht van het plotselinge overlijden van Achterberg. Hij ging direct naar Leusden. Op de dag van de begrafenis sprak Doornenbal thuis met de aanwezigen een gebed uit, en op het graf bad hij het onzevader. (Een andere predikant, ds. M.J.Wagenvoorde, leidde de plechtigheid.)

Hij bezocht Cathrien nog een enkele keer. Als hij in de kerk van Leusden moest preken, was hij blij haar gezicht te zien. Jaren later woonde hij nog de begrafenis bij van Achterbergs vader, op het hem zo vertrouwde kerkhof van Neerlangbroek. „Het is voorbij nu, zoals zoveel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. ’Afgeschreven op een steen’.”

Doornenbal wist uiteraard van Achterbergs verleden. Hij wist dat de dichter in 1937 zijn hospita had doodgeschoten, maar hij heeft er nooit rechtstreeks iets over gezegd of geschreven.

Kort na het begin van hun vriendschap had Doornenbal zich gestort op een studie van Achterbergs werk. In juni 1953 moest hij daarover voor de Rotary in Epe een lezing geven. Hij zei daar dat het woord in de poëzie van Achterberg tot ’een ding en een daad’ werd; het verleden werd bezworen tot het heden en het ogenblik in de tijd tot eeuwigheid. „Zo moest ons schrijven zijn!”, voegde Doornenbal eraan toe. „Maar een dominee is geen dichter, en kerkbodestukjes zijn geen verzen. Een dominee heeft een andere taak: hij moet preken maken, preken die altijd zullen mislukken, evenals trouwens alle echte gedichten. Ook dat werd me duidelijk bij het moeizaam doorworstelen van Achterbergs werk.”

Zijn gedichten, zei Doornenbal in Epe, hadden hem ’op een zeer bijzondere wijze’ gegrepen. Ten eerste omdat ze al het vergankelijke zagen als een gelijkenis: „Alle aardse liefde en aardse schoonheid wekken vermoedens van een volmaakte schoonheid, die onaantastbaar toeven achter de verschijnselen der zichtbare dingen.” Ten tweede hadden de gedichten hem „telkens weer kracht en steun gegeven, waar ze spreken van genade en vergiffenis, tegenover schuld en schande. En het is daarin waarschijnlijk dat zijn leven en werk voor mij en voor anderen hun grootste en meest blijvende waarde behouden zullen, voor hen namelijk wier leven evenzeer gebroken is als het zijne was, en die daarin verlossing van node hebben, en de troost der vergeving.”

Doornenbal zelf was nogal verguld met zijn lezing. Kort daarop schreef hij aan Gerrit en Cathrien Achterberg: „Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit een preek met zoveel voldoening heb gehouden. Ik kon er ’s nachts niet van slapen!! Het voorlezen van enkele verzen vooral vond biezondere ingang bij de leden. Met zeer grote blijdschap heb ik dit werk mogen doen, al kostte het wel wat moeite. Ik zal dit niet vergeten.”

Na Achterbergs overlijden drong Doornenbal nog dieper door in zijn eigen verwantschap met de dichter. Op grond van een artikel dat hij elders had gelezen, schreef hij dat er eigenlijk drie soorten dichters waren. De begaafden, die een goed vers kunnen maken maar het hoogste niet bereiken en daar ook niet naar verlangen. De tragischen, die hun ideaal nooit bereiken en altijd weer vertwijfeld terugzinken. En ten slotte de verkorenen en begenadigden, die het vergund is door het woord het grensgebied tussen tijd en eeuwigheid te doorbreken.

Precies zo zijn er ook veel begaafde (en onbegaafde) dominees, veel tragische dominees en een heel enkele begenadigde dominee. Doornenbal rekende zichzelf tot de tragische dominees, die op de manier van Sisyphus telkens weer opnieuw moeten beginnen. En Achterberg was een tragisch dichter.

„Altijd is dat leven moeilijk geweest, vanaf zijn jeugd. Eigenlijk was het alleen maar nood. Nood om wat hij wilde en niet kon. Zo was ’t in zijn jonge jaren. En zo was ’t in zijn dichtersschap, dat één schreeuw geweest is naar de volmaakte gemeenschap met wat voorgoed verloren is en hier nooit meer bereikt kan worden, naar herstel van wat onherroepelijk geschonden is door de schuld van ons leven. Want al was er wel de rust van de vergeving, de nood bleef altijd en onveranderlijk en daarom de drang om door middel van het woord de grens over te gaan, die ons scheidt van het volmaakte.”

Beiden, dichter en dominee, staan voor de opdracht de doodslinie te doorbreken en de grens tussen eeuwigheid en tijd over te steken. Dat is de diepste reden waarom preek en vers uiteindelijk altijd zullen mislukken. „Het is altijd nood en zal ook altijd nood blijven, wil er werkelijk iets geboren worden dat wezenlijke waarde heeft. Dat geldt voor ieder vers en voor iedere prediking. De hunkering naar de volkomenheid blijft er dan en het verlangen de grens te overschrijden naar de volmaaktheid en het eeuwige. En welke weeën daartoe doorworsteld worden, weet slechts hij die ze uit ervaring kent. En zeker kent hij dan ook de teleurstelling, de terugval, wanneer het niet gelukt de doodslinie te doorbreken. Hij kent de ledigheid, de pijn en de wanhoop. Overdrijf ik en dramatiseer ik dingen? Misschien! Maar ze zijn een feit – bij sommigen. Bij dichters en bij dominees. En ze moeten voort. Ze worstelen voort, ondanks alles. Van vers tot vers, van prediking tot prediking. Omdat het nood is. Omdat de nood hun opgelegd is. Omdat er anders niets overschiet dan de leegte, de vertwijfeling, de dood.” Eigenlijk zouden dichters en dominees, vond Doornenbal, hun krampachtig en radeloos pogen moeten leren opgeven.

Van die krampachtigheid en radeloosheid bij Achterberg getuigt de strofe uit ’Graalridder’ (1938) die zijn uitgever Bert Bakker bij de begrafenis citeerde:

Uit mij wordt opgeborgen,

in Christus’ arsenaal,

het radelooze zorgen,

dat ik mij voor den morgen

het vers van heden haal

De zielsverwantschap tussen Achterberg en Doornenbal berustte erop dat het leven van Doornenbal ’evenzeer gebroken’ was als dat van Achterberg, en dat zij daarom beiden „verlossing van node hadden, en de troost der vergeving”. Achterberg droeg de last van een moord met zich mee. Wat de kern van Doornenbals leven was blijft een geheimenis.

Hij had het daar wel over, over die paulinische ’doorn in zijn vlees’, maar hij heeft zijn levensverhaal slechts één keer durven vertellen: tegen de ’oefenaar’ Dirk Rustige uit Hierden. Bij hun eerste ontmoeting, in de pastorie van Oene, had Rustige hem „doorzien en alles van mij begrepen”. Hij voegde eraan toe: „Hij heeft er mij niet om verworpen.”

Net zoals Doornenbal Achterberg had begrepen en hem niet had verworpen.

In een televisie-uitzending van ’Literaire ontmoetingen’ op 13 november 1963 onder regie van Hans Keller werden toespelingen gemaakt op ’het drama in Achterbergs leven’. Doornenbal keek samen met Achterbergs weduwe naar de uitzending. Zij waren geschokt. Op advies van Doornenbal hing Cathrien sindsdien een doek over de beeldbuis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden