De Denker als icoon van het niet-denken

Broken Thinker. Beeld Holleman/Kocken

In 2007 werd Rodins iconische standbeeld ‘De Denker’ gestolen. De metaaldieven schiepen met hun slijptol onbedoeld een nieuw icoon. Een icoon van het niet-denken.

Hoe laat je zien dat iemand nadenkt? Daarover hoeven we niet lang na te denken. Zet hem of haar op de punt van een stoel, de rug gebogen, een elleboog rustend op een been, de kin rustend op de rug van de hand, de blik schuin naar beneden gericht. Talloze variaties zijn er van deze pose; het is een ware ‘meme’ geworden. Het Groninger Museum probeerde voor zijn Rodintentoonstelling van de pose zelfs een rage op Twitter te veroorzaken, met de hashtag #thinkingchallenge. Een pr-medewerker zei: “Denken is het nieuwe planking”.

Terwijl het allerminst vanzelf spreekt dat men zo denkt. Socrates dacht staand op het marktplein, Aristoteles al lopend met zijn leerlingen, Epicurus zittend op de grond in zijn tuin. En toch heeft de karakteristieke pose van De Denker alle andere overschaduwd. Wie wil tonen dat hij nadenkt gaat zitten alsof de gedachten zo zwaar zijn dat het hoofd gestut moet worden om niet van de romp los te rollen, alsof de cruciale gedachte die op het puntje van de tong ligt ook op de punt van de stoel gedacht moet worden, en alsof hij zo in zichzelf gekeerd is dat hij zowat opkrult, zich opsluit in zijn gedachtenpaleis als een slak in zijn huis.

De Denker is een icoon van het denken. Maar staat niet juist de vanzelfsprekendheid waarmee deze pose keer op keer gekopieerd en gepersifleerd wordt, als een icoon van het denken, haaks op het denken? Want het denken tracht immers iets te denken wat niet vanzelfsprekend is - anders hoefden we niet te denken. Maar wanneer men ons dan vraagt te doen alsof we denken, nemen we als vanzelf - gedachteloos - deze pose aan. Zo wordt De Denker dus veeleer een icoon van het niet-denken.

Is ook de vernielde Denker een icoon? En zo ja, een icoon van wat? Van het vernielde denken, het kapotte of beschadigde denken?

De vernietiging van een icoon kan op zichzelf weer een icoon worden. Het beeld van de rokende Twin Towers werd iconisch doordat het uitentreuren herhaald werd en vanuit alle denkbare perspectieven getoond. Daarmee slaagde niet alleen de opzet van de daders om wereldwijd gevoelens van angst in te boezemen, maar zo werd ook een heilloze oorlog tegen de terreur gelegitimeerd. Elk beeld van terreur is tegelijkertijd de terreur van het beeld.

Zo dramatisch is de vernieling van De Denker natuurlijk niet, en bovendien gaat het hier niet om de moedwillige destructie van een icoon. Niettemin is het beeld van de vernielde Denker, het vernielde icoon van het denken, zelf iconisch te noemen. De kapotte Denker is, a fortiori, een icoon van het niet-denken. In diverse media zijn de dieven beschimpt vanwege hun domheid. Niet alleen hadden ze geen flauw benul van de waarde van hun buit, die ze wilden omsmelten voor een paar honderd euro aan brons, maar bovendien leidde een versnipperde routeplanner op de plaats delict de politie regelrecht naar hun schuilplaats.

Had de vernielde denker tentoongesteld moeten worden als een icoon van het niet-denken? 

Toen in 2011 Andres Serrano’s geruchtmakende foto Piss Christ in een galerie in Zuid-Frankrijk door een bezoeker met een hamer bewerkt werd, besloot men de tentoonstelling kort erop weer te openen met het beschadigde werk, als een icoon van intolerantie en iconoclasme (terwijl het werk zelf in zekere zin natuurlijk al iconoclastisch is). Telkens wanneer er een kunstwerk vernield wordt, laait de discussie op: restaureren of in gehavende staat tentoonstellen? Het Singer Museum is voor het laatste teruggeschrokken; men wil geen monument oprichten voor vandalisme, en men wil geen precedentwerking. Voor je het weet eisen vandalen auteursrecht op.

En toch: de vernielde Denker - als icoon van het niet-denken - zet aan tot denken, wellicht nog meer dan een gave Denker, dat juist door zijn iconische status welhaast tot een idée reçue is geworden. De Denker vergaat het immers zoals zo menig iconisch kunstwerk: we lopen er langs, maken een foto (of selfie) en lopen weer verder. Het beeld van de vernielde Denker, daarentegen, is onalledaags. Het is een beeld dat te denken geeft.

Wat denkt De Denker? 

Bij beelden als de Discuswerper of de Poseidon van Artemision is een soortgelijke vraag - wat werpt de werper? - banaal, een vraag naar de bekende weg. Maar in het geval van De Denker is het lijdend voorwerp van de activiteit niet alleen onzichtbaar, maar bovendien van een geheel andere aard dan dat van de werper. Een gedachte ligt niet, zoals een discus of een speer, voor het oprapen - ze laat haar komst niet afdwingen. Denken is dan ook niet zonder meer een activiteit, maar evenzeer een houding. Een afwachtende houding: we wachten op dat wat zich te denken geeft.

Dat wekt tevens de wrevel tegen het denken op. We zeggen: “Niet denken, maar doen!” Zodra iets onze aandacht heeft gegrepen, ons in beweging brengt en aanzet tot handelen, kan een te grondige analyse, een te lang doorvragen, ons aanvankelijke enthousiasme om zeep helpen. De denker wordt een tobber, een melancholicus, zoals de engel in de beroemde prent van Dürer (wiens pose een treffende gelijkenis met Rodins denker vertoont).

Rodin lijkt zijn Denker te hebben willen indekken tegen het verwijt van passiviteit en inactiviteit: hij is opvallend gespierd, en kijk eens naar die enorme handen en voeten, de brede schouders. Rodins grote voorbeeld was zoals bekend Michelangelo, die als modellen vaak steensjouwers en havenarbeiders inzette. De Denker wekt dan ook niet de indruk een denker van beroep te zijn: veeleer een arbeider die zijn werk tijdelijk heeft neergelegd om een en ander te overdenken. Zijn curieuze hoofddeksel - laatste zichtbare herinnering aan de Florentijn Dante, wiens Divina Commedia de inspiratiebron van het beeld vormde - valt uit de toon bij zijn gespierde naakte lichaam.

In 1906, daags voor de onthulling van het beeld voor het Pantheon in Parijs, en in een periode dat Frankrijk in economisch zwaar weer verkeerde, zei Rodin: “Het is tegelijkertijd een sociaal symbool en een schets van het ‘Monument voor de Arbeid’, waarover we dromen om het op te richten ter ere van de nationale arbeid van de werkers van Frankrijk. […] De Denker  op zijn sokkel droomt al die dingen, en men kan er zeker van zijn dat in zijn geest geen ijdele utopieën zullen ontkiemen, en als hij droomt van een geleidelijke verbetering van zijn lot zullen over zijn lippen geen goddeloze woorden komen; zijn gebaar zal niet dat zijn van een provocateur die valse beloftes doet.”

Wat opvalt: het voorbehoud, of zelfs het wantrouwen, tegen het denken. Ja, de Denker denkt, maar wees gerust, hij droomt niet zomaar in het wilde weg - geen ‘ijdele utopieën’, laat staan ‘goddeloze woorden’ of ‘valse beloftes’ - maar vruchtbare gedachten. Waarmee we opgelucht adem kunnen halen: de denker is eigenlijk een doener.

Maar hoe zit het met de vernielde Denker? Met zijn geamputeerde been en zijn doorkliefde arm, lijkt hij niet langer in staat tot fysieke arbeid. Als Rodins Denker bedoeld was als ‘Monument voor de Arbeid’, dan is de vernielde denker wellicht een monument voor de arbeidsongeschiktheid. De vernielde denker is als het ware veroordeeld tot denken, omdat hij niet langer kan doen: een gecastreerde, impotente denker. Toch zouden we dat niet als een gebrek moeten bestempelen, het is mogelijk de vernielde denker als een monument van het geëmancipeerde denken te beschouwen, van een denken dat zich aan het juk van de praxis ontworsteld heeft, bevrijd van de verplichting om functioneel te zijn.

Wie denkt er eigenlijk nog wel eens? Het lijkt een absurde vraag: we leven in een informatiemaatschappij, een kenniseconomie, in het tijdperk van het cognitief kapitalisme; steeds meer mensen zijn hoogopgeleid, en hoofdarbeid is belangrijker dan handarbeid. Ook buiten de economische sfeer groeit de interesse in het denken: terwijl de kerken leeglopen zoekt men zijn heil in filosofie, van oosterse dan wel westerse origine. Kortom: denken is hot.

Desalniettemin is het geen betekenisloze vraag of we wel eens denken, als we denken niet begrijpen als het oplossen van een gegeven probleem, het beargumenteren van een standpunt, of het bewijzen van een stelling. In al die gevallen staat ons een duidelijk doel voor ogen, waarvoor we weliswaar onze denkkracht inschakelen, maar dat het denken tegelijk beperkt. “De wetenschap denkt niet”, aldus Martin Heidegger in zijn opstel Wat heet denken? Hij wil maar zeggen dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen de activiteiten van de wetenschapper, die volgens een op voorhand vaststaande methodologie, op basis van geldige premissen en via een logische gevolgtrekking tot een sluitende conclusie komt, en de denker, die een veel ongewisser terrein betreedt. Heidegger: “Er is vanuit de wetenschap naar het denken geen brug, maar slechts de sprong. Waar hij ons heen brengt, daar is niet alleen de andere kant, maar een totaal ander oord.”

In het spoor van haar leermeester constateert Hannah Arendt een omkering in onze houding ten opzichte van denken en doen in de moderne tijd. Bij de antieke filosofen diende het denken geen praktisch doel, maar was het de weg naar de contemplatio, oftewel het schouwen of aanschouwen van de waarheid, een waarheid die niet eenvoudigweg door woorden overdraagbaar was. Wie deze hogere staat had bereikt was losgesneden van iedere praktijk. De omkering bestaat er volgens Arendt in dat het denken in de moderne tijd het doen dient, terwijl de notie contemplatie volstrekt betekenisloos is geworden.

Denken moet zeker vandaag de dag tot (liefst meetbare) resultaten leiden: bedrijfsethiek, Heidegger voor managers, mindfulness om stress en arbeidsuitval te reduceren. De praktische mens ziet het denken slechts als een middel om zijn doel te realiseren. Hij verdeelt de aarde onder in termen van grondstofreservoirs en vakantiebestemmingen; de dieren in voedingsmiddelen en ongedierte, de mens in klanten en concurrenten. Hij ziet geen verschil tussen een standbeeld en een lading brons ter waarde van € 350. Ook dat maakt de kapotte denker tot een icoon van het niet-denken: het is immers het resultaat van het onvermogen van de praktische mens, die zuiver op nut uit is en in een beeld slechts een grondstof ziet waar munt uit is te slaan. Een schandaal dat ons eraan herinnert te denken - een memento cogitare - en oproept te denken, voor het te laat is.

‘Eén beeld zegt meer dan duizend woorden’, luidt een bekend gezegde. Maar juist het denken lijkt moeilijk in beelden te vatten. Beeldhouwers willen een verhaal vertellen, maar omdat ze dat - anders dan dichters of romanschrijvers - met een enkel beeld moeten doen, proberen ze doorgaans het moment vast te leggen waarop de spanning het hoogste punt bereikt, opdat zowel de voorgeschiedenis als het vervolg van het vastgelegde moment zich laat raden. De beelden zijn slechts fragment, een freeze-frame, maar ze vertellen het hele verhaal.

Welk moment wordt door De Denker vastgelegd, en welk verhaal wordt daarmee verteld? Het moment, en het verhaal, van het denken, allicht. Maar we kunnen niet invullen wat er aan vooraf is gegaan en wat zal volgen. Hoe lang zit de denker al te denken, en hoe lang zal hij er nog zitten? Het denken onderscheidt zich zoals gezegd van het rekenen of berekenen, alsook van het leren of begrijpen van iets, die stuk voor stuk een duidelijk begin- en eindpunt hebben; op een gegeven moment is men dan uitgedacht. Maar aan het denken komt nooit een einde, het is nooit af, en blijft dus altijd fragmentarisch. Misschien is dat wat het beeld van de fragmentarische denker zo krachtig maakt: het is alsof hij, post factum, zijn eigen desintegratie overdenkt. 

Dit is een ingekorte versie van een essay dat Thijs Lijster schreef voor www.brokenthinker.nl. Deze site van kunstenaars Arnoud Holleman en Gert Jan Kocken is gewijd aan De Denker als icoon.

Thijs Lijster

Thijs Lijster (1981) is universitair docent kunst- en cultuurfilosofie aan de faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen, en postdoc onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen. Vorig jaar publiceerde hij ‘De grote vlucht inwaarts. Essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld’.

De Lotgevallen van een Denker

Auguste Rodin schiep De Denker als figuur in ’De hellepoort’, een nooit voltooid tableau. Hij werkte de figuur in 1880 uit tot een bronzen beeld en maakte meerdere afgietsels.

In de beeldentuin van het Singer Museum in Laren kwam een vroeg afgietsel (in totaal zijn er 25) terecht. Dat beeld werd, samen met zes andere beelden, in januari 2007 gestolen. De dieven probeerden het in stukken te zagen om een paar honderd euro met het brons te verdienen. Twee dagen later werden ze aangehouden; het beeld werd opgegraven in de tuin van een van de twee hoofdverdachten. Zij kregen in 2008 4 en 4,5 jaar gevangenisstraf.

De toegetakelde Denker werd korte tijd geëxposeerd, om geld in te zamelen voor restauratie. Maar was herstel wel wenselijk? Het Cleveland Museum of Art exposeert immers ook een gehavend exemplaar, dat in 1970 met springstof van zijn sokkel was geblazen.

De discussie leidde in Laren tot slaande deuren in het bestuur. Het museum bood tijdens een Parijse veiling nog op een intact exemplaar, maar dat ging weg voor ruim 3 miljoen - ver boven het budget. Sinds 2010 is De Denker weer in Laren te zien. Gerestaureerd, en niet meer in de tuin.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden