De demografische kaart

In 1845 verscheen 'De toestand van de arbeidersklasse in Engeland in 1844', geschreven door een 24-jarige jongen die door zijn vader, een rijke textielbaron uit het Duitse Wuppertal, naar diens katoenfabriek in Manchester was gestuurd om het bedrijf te leiden: Friedrich Engels.

Deze jongen verkent Manchester. "Men komt, via een smal pad langs de oever, in deze chaos van éénkamerkrotten. In een ervan, nauwelijks zes bij vijf voet groot, zag ik twee bedden - en wat voor bedden! - die met een trap en een haard net de hele ruimte vulden. Overal puin en afval voor de deuren; of er bestrating onder lag, was niet te zien."

Drie jaar later publiceerde Friedrich (28) samen met zijn vriend Karl Marx (29) het Manifest van de Communistische Partij, met de beroemde oproep tot geweld: "De communisten verklaren openlijk dat hun doel slechts bereikt kan worden door de gewelddadige omverwerping van iedere tot nu toe heersende maatschappelijke orde. De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen. Proletariërs aller landen, verenigt u!"

Het was de kapitalist Charles Booth die enkele decennia later de armoede in het rijke Londen in kaart bracht. Hij was een briljante zakenman met public spirit.

Als 22-jarige wees runde hij met zijn broer het handelshuis in lederwaren van hun vader. Van de erfenis bouwde hij twee stoomschepen - de Booth Steamship Company - en opende een lijndienst op drie Braziliaanse kuststeden. Even later kwam New York. Hij voorzag het belang van rubber en investeerde in de aanleg van een haven in de miraculeuze stad Manaus, het hoofdkwartier van de rubberhandel, gelegen in de verre regenwouden van Brazilië, aan de Amazone, 1500 kilometer van de zee. Booth werd er steenrijk van.

Maar de rijke zakenman kon de verpaupering in Londen niet aanzien. Voor zijn eigen personeel regelde hij pensioen en winstdeling. Volgens de socialisten leefde een kwart van de bevolking onder erbarmelijke omstandigheden. Hij had een hekel aan onbewezen stellingen, hij wilde feiten en cijfers. Met een klein team ging hij op onderzoek, straat voor straat, steeg voor steeg: het huis, de krot, de gezinssamenstelling, werk, geld, geloof, overtuigingen - alles bracht hij in kaart. Avonden en weekenden, jarenlang, wijdde hij aan zijn onderzoek naar de working class. Nu ja, working? Er heerste grote werkloosheid. Elke dag moesten de dagloners op jacht naar werk.

Booth maakte plattegronden van de Londense wijken, waarop in zeven kleuren het scala van rijkdom tot armoede staat aangegeven. Upper class. Middle class. De gegoede burgerij. Dan komt er nog een gemengde wijk en dan komen de armen, de armeren en de armsten: de lowest class - 'verdorven en half crimineel'. Het is de eerste demografische kaart. De kaart toont aan dat een derde van Londen in armoede leeft.

Het werd het levenswerk van Booth: 'Life and Labour of the People in London'. Zeventien delen in zeventien jaar. Het onderzoek had grote invloed. Het maakte de 'armoedegrens' zichtbaar en het zorgde voor het eerste ouderdomspensioen in 1908.

Booth bewees het gelijk van de socialisten: dat een kwart tot een derde in armoede leefde. En hun ongelijk: dat er wat aan te doen viel zonder geweld. De revolte van een kaart.

Belinda Norman-Butler: Victorian Aspirations, The Life and Labour of Charles and Mary Booth (1972). Kees Tamboer: Het Parool (5/5/1993, 12/4/1995, 25/2/1998)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden