De crisis voorbij

Het bleef akelig stil op de vraag van koningin Elizabeth aan topeconomen waarom niemand de crisis had zien aankomen

Het was een vorstin die kort na de val van Lehman Brothers de juiste vraag aan de voor de hand liggende personen stelde. Bij de opening van een nieuwe vleugel van de befaamde London School of Economics in november 2008, nog geen twee maanden na het faillissement van de Amerikaanse bank, vroeg koningin Elizabeth aan het uitgelezen gezelschap van internationale topeconomen: "Waarom heeft niemand dit zien aankomen?" Het werd vervolgens angstig stil, het antwoord bleef uit.

Er volgde een uitgebreid onderzoek van de Britse academie voor wetenschappen en in juli 2009 werd er een brief bezorgd op Buckingham Palace. Majesteit, zo schreven de wetenschappers, wij weten eerlijk gezegd niet waarom niemand van ons deze ongekende catastrofe heeft voorspeld. De beste verklaring is dat niemand het totaaloverzicht had.

In zijn boek 'Geld' probeert de Britse macro-econoom Felix Martin dat totaaloverzicht wél te geven en uit te leggen waarom het vijf jaar geleden fout móést gaan, waarom we nog steeds in de financiële narigheid zitten, en wat de beste methode is om eruit te komen. Hij heeft een lange aanloop nodig, want hij vertelt en passant de hele geschiedenis van geld (in zijn woorden 'de ongeautoriseerde biografie'). Maar elke bladzijde is het lezen waard. De auteur beschikt over de gave de ingewikkeldste problemen glashelder uit te leggen.

Geruststellend in Martins boek is de nuchtere constatering dat er eigenlijk niks nieuws onder de zon is. In 1866 was er ook al een bankencrisis in de westerse wereld. Sterker: de Romeinen kenden in 33 na Chr. al een kredietcrisis, met alle bekende trekken van dien, zoals een instortende huizenmarkt en een stroom faillissementen. En steeds zijn we eruitgekomen. Dat zal dit keer ook wel weer gebeuren, mits we de juiste analyse van het probleem maken (dat is het allerbelangrijkste) en daar de correcte conclusie uit trekken.

Centraal in Martins boek is de vraag wat we onder geld moeten verstaan. Voor sommigen, en niet de minsten, is geld de waarde van wat er in een munt zit, meestal zilver. En op papiergeld staat de garantie van de uitgevende instantie dat het briefje de aangegeven waarde vertegenwoordigt. Geld vergemakkelijkt het ruilen (een koe tegen twee schapen). Aristoteles, John Locke en Adam Smith gingen van dit klassieke geldbegrip uit.

Martin zet de drie gerenommeerde heren moeiteloos opzij. Ze hebben grote verdiensten gehad, maar van economie hadden ze geen kaas gegeten. Geld is veel meer dan 'een ding', een ruilmiddel, betoogt de auteur, en hij haalt het voorbeeld aan van de bewoners van het eiland Yap in de Stille Oceaan, ten oosten van de Filippijnen.

Toen de Duitsers dat ruim een eeuw geleden ontdekten en koloniseerden, zagen ze tot hun grote verrassing dat de primitieve bewoners een hoog ontwikkeld monetair systeem kenden rond de fei. Dat waren zware ronde stenen met een diameter tot wel drie meter. De fei waren te groot om vervoerd te worden.

Bij een transactie tussen twee personen ging de munt dan ook niet fysiek in andere handen over, nee, die bleef gewoon op z'n plaats liggen, soms zelfs op de bodem van de zee. Maar de fei wisselde wel van eigenaar, en dat wisten de betrokkenen. De munt was een symbool van onderlinge schulden en tegoeden.

De Brit John Maynard Keynes was onder de indruk toen hij het voorbeeld van het eiland hoorde. Hij gaf het via zijn geschriften ook een ruimer platform. "We zouden veel kunnen leren van de logische manier waarop de inwoners van Yap met hun geld omgaan", schreef hij in 1915. Felix Martin op zijn beurt is weer gecharmeerd van de denkbeelden van Keynes, de grootste econoom van de vorige eeuw die als geen ander door had wat de functie van geld is.

De schrijver heeft ook andere favorieten, zoals Walter Bagehot, midden negentiende eeuw redacteur van het toen al gezaghebbende blad The Economist. In diens analyse van de bankencrisis van 1866 wees hij er al op dat de overheersende theorie over geld als goud en zilver niet klopte. "Handel in Engeland wordt grotendeels gedreven met geleend geld."

Geld is geen grondstof die uitgewisseld kan worden, maar is overdraagbaar krediet, aldus Bagehot. Daarbij is vertrouwen essentieel, benadrukte hij, en Martin is het daar hartgrondig mee eens.

Aan dat vertrouwen schort het in deze eeuw opnieuw: vertrouwen van consumenten en producenten in de economie, en vertrouwen in de banken. Martin is hard in zijn oordeel over de rol van bankiers, hij gebruikt zelfs het woord banksters, een samentrekking van 'bankers' en 'gangsters'. Als het goed gaat, strijken ze de winsten op, als het fout gaat, moeten de belastingbetalers voor de schade opdraaien. Dat is oneerlijk en is ook niet uit te leggen.

Uit Martins woorden valt op te maken dat hij het liefst de hele bankensector zou nationaliseren, dan komen én de winsten én de schade in één hand. Maar daar zitten te veel nadelen aan. De andere oplossing, alles in private handen zonder overheidsbemoeienis, is ook niet wenselijk, dat hoeft volgens hem geen verdere uitleg. Hij komt uit bij een soort tussenvariant die verder gaat dan de huidige voorstellen om het toezicht op banken te verscherpen. Dit pleidooi op de slotpagina's is minder overtuigend dan zijn analyse en beschrijving van de rol van geld en valuta. Het boek is overigens uitstekend vertaald - ook dat komt de leesbaarheid ten goede.

De Tilburgse hoogleraar economie Marcel Canoy gaat in zijn vlot geschreven boek 'De Triple A-econoom' eveneens in op de crisis en de rol van de banken daarin. Hij is milder dan Martin. Canoy bepleit de consumentenbank te scheiden van de zakenbank - wat op termijn tot een zuiverder rolverdeling leidt - en het loskoppelen van het vastgoed van andere bancaire activiteiten. Verder moet er 'iets' aan de salarissen van bankiers worden gedaan, en het toezicht moet simpeler 'zonder dat het tandeloos wordt'.

Canoy gaat voor anker bij Adam Smith die het bij hem, anders dan bij Martin, in het geheel nog niet verkorven heeft. Integendeel: "Smith was bereid de vrijheid van bankiers te beperken als het bredere maatschappelijke belang in het geding was." De bekende Britse econoom komt voortdurend terug in het boek, net als twee andere kanonnen in wier naam een A zit: Aristoteles en Thomas van Aquino, vandaar de term 'Triple A-econoom' in de boektitel. Deze imaginaire figuur gebruikt het gedachtengoed van het illustere drietal "om oplossingen te bedenken voor hedendaagse problemen".

En dat zijn er nogal wat. De Triple A-econoom van Canoy heeft het naast de bankencrisis ook over de vergrijzing, de pensioenen, het hoger onderwijs, verkeer en vervoer, de zorg (het specialisme van de schrijver), immigratie en globalisering. En bij elk probleem noemt de auteur niet alleen de klassieke oplossingen die de cynicus en de cijferfetisjist (ook wel 'enge econoom' genoemd) voorstaan, maar ook de opvatting van de Triple A-econoom.

Dat levert soms verrassende conclusies op. Maar in enkele gevallen wordt een open deur ingetrapt, zoals in het hoofdstuk over de woningmarkt. Daarin staat dat "fiscale instrumenten, financiële producten en woningbouwbeleid op elkaar afgestemd moeten zijn en op zijn minst elkaar niet meer moeten tegenwerken". Daar kun je moeilijk tegen zijn.

Verfrissend is het laatste deel, met de veelzeggende titel 'De ramen open'. Daarin neemt de auteur de niet-economische termen 'zelfreflectie' en 'mededogen' in de discussie op en houdt een hartstochtelijk pleidooi voor Europa. Niet zo verwonderlijk, want Canoy werkte vroeger bij Bepa, de denktank van voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie. En momenteel is hij verbonden aan het onderzoeksbureau Ecorys dat in menig rapport de zegeningen van de Europese Unie en de euro heeft bezongen. Ook daar maakt Canoy geen geheim van.

Maar bij alle anti-Europageluiden van gevestigde partijen en vooraanstaande wetenschappers is het aangenaam weer eens te mogen lezen wat voor gigantische voordelen de Europese samenwerking de lidstaten heeft gebracht, niet in de laatste plaats Nederland: economische voorspoed, vrede en de kracht om grensoverschrijdende problemen op te lossen. Niet zo gek dat de Triple A-econoom daar een groot voorstander van is.

Felix Martin: Geld. De ongeautoriseerde biografie. (Money. The Unauthorised Biography) Vert. Robert Neugarten en Carla Zijlemaker. Business Contact, Amsterdam/Antwerpen; 336 blz. euro 34,95

Marcel Canoy: De Triple A-econoom. Voorbij cijfers en cynisme. Boom, Amsterdam; 272 blz. euro 24,90

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden