De crisis redt oude fabrieken

Industrieel erfgoed wordt met meer creativiteit dan ooit tot leven gewekt. Zuinigheid zorgt ervoor dat de ziel van de oude gebouwen behouden blijft.

De sluiting van de Prodentfabriek in Amersfoort kwam eigenlijk te laat voor projectontwikkelaars. Jarenlang had het gebouw de ontwikkeling van het gebied langs de Eem geblokkeerd. Even verderop was al begonnen met de aanleg van wat het nieuwe stadscentrum moest worden. Aan de overkant van de Eem rukte de woningbouw op. Maar toen in 2011 de laatste tube tandpasta van de lopende band rolde, had niemand meer belangstelling om iets te doen met het kloeke gebouw uit 1936. De crisis had toegeslagen en projectontwikkelaars likten hun wonden.

Voor 2008 was industrieel erfgoed nog geliefd bij investeerders. Het opknappen van oude fabrieken bleek een goede manier om een heel gebied op de kaart te zetten. De Westergasfabriek in Amsterdam had daarvoor in de jaren negentig de trend gezet. Met veel geld was het complex omgebouwd tot een culturele hotspot. Op de vleugels van de 'dotcom'-boom werden ook elders oude fabrieken omgebouwd tot landmark van nieuwe woonwijken en sfeervol decor voor concerten en tv-producties. De industriële uitstraling maakte het makkelijker om woningen en kantoren eromheen te verkopen. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij delen van de aardewerkfabriek Société Céramique in Maastricht en later ook bij de ECI-fabriek in Roermond.

Veel subsidie

"Het waren projecten met veel subsidie. Ambitieus, groots en van bovenaf gepland", zegt Peter Nijhof, die al vanaf de jaren zeventig ijvert voor het behoud van oude fabrieken en het gezicht is geworden van deze niche in de erfgoedwereld. Vandaag neemt hij afscheid van zijn werk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Lang niet altijd bleef het karakter van de fabrieken goed behouden, vindt hij. "Je kunt vaak niet meer zien hoe er geproduceerd werd. De apparaten zijn eruit verdwenen, het patina van de tijd is weggepoetst. De gebouwen werden op die manier een lege huls."

Als in 2008 de bankencrisis uitbreekt, komen grootschalige plannen stil te liggen. De culturele sector, die voor zoveel nieuw leven in oude fabrieken had gezorgd, krijgt het krap door alle bezuinigingen. In Hengelo stokt het twintigjarenplan voor de herbestemming van het Stork-complex. In Groningen blijft een duurzame autoluwe woonwijk op het terrein van de gasfabriek beperkt tot een paar woonblokken. Deventer stopt met grootschalige plannen voor de oude haven. En Amersfoort weet nog net een paar beeldbepalende gebouwen rond het Eemplein neer te zetten, maar niemand spreekt meer van een nieuw stadscentrum.

De behoefte aan ruimte en de liefde voor oude fabrieken is niet verdwenen. Schipper Bosch, die zich profileert als duurzame belegger, koopt in 2013 de Amersfoortse Prodentfabriek. Niet om er een mooie woonwijk naast te bouwen, maar om er een aantrekkelijke werkplek van te maken. Veel geld voor de verbouwing is er niet, maar dat geeft niet. Telkens als er huurinkomsten zijn, wordt een stukje opgeknapt. Vaak is daar maar weinig voor nodig: de nieuwe gebruikers vinden de fabriekssfeer prachtig, met gebroken tegeltjes en een oude hijsinstallatie. Bovendien kunnen de huurders veel zelf doen, dat scheelt in de kosten. Een keramisch atelier, dat gewend is te werken met cement, heeft zijn eigen betonnen vloer gestort. Wie er nu komt, kan onder de oude fabriekschoorsteen op houtvuur bereide gerechten eten. Er zijn winkeltjes en een galerie en op de binnenplaats staan de moestuinbakken van de Nieuwe Stadsboeren.

Slow planning

De Prodentfabriek is een mooi voorbeeld van het nieuwe model van herbestemmen, waarin oude fabrieken geleidelijker worden ontwikkeld zodra zich kansen voordoen. "Het wordt kleinschaliger, organischer en lokaler", zegt Peter Nijhof. "Het is slow planning. Een blauwdruk voor de lange termijn bestaat niet meer. Er is ook veel minder de neiging om alles op te knappen. De zware machines zijn allang verkocht, maar de nieuwe generatie gebruikers is veel zuiniger op wat nog zichtbaar is. De crisis van 2008 heeft uiteindelijk tot meer behoud geleid dan al onze pogingen daarvoor."

Ook De Hallen in Amsterdam zijn een goed voorbeeld van dit nieuwe herbestemmen. André van Stigt wist na de crisis beweging te brengen in de slepende renovatie van een leegstaande tramremise. Twintig jaar lang werd het ene na het andere plan afgeserveerd. Van Stigt was de motor achter het behoud van het Olympisch Stadion, Pakhuis De Zwijger en vele andere culturele plekken in de stad. Hij begreep dat hij op een andere manier naar geld moest zoeken dan hij gewend was en richtte met buurtbewoners en andere betrokkenen de TramRemise OntwikkelingsMaatschappij op. Die haalde 14 miljoen euro op bij particuliere beleggers. Om een goede mix aan gebruikers te krijgen, liet hij kapitaalkrachtige huurders, zoals een hotel, meer betalen dan de fietsenmaker.

Kunst tussen buizen

Sinds de opening eerder dit jaar trekken bezoekers in drommen naar de zeven gerenoveerde hallen. Wie omhoog kijkt, ziet hoe slim Van Stigt het complex renoveerde. In grote delen van de remise kwam geen licht. Vóór de crisis zouden daar nog dure lichthoven zijn aangelegd. Maar Van Stigt bedacht dat in de donkere delen een bioscoop en een tv-studio moesten komen. Goedkoop en leuk. De lichtere hallen werden een food court, een bibliotheek en een winkelpromenade.

Nog basaler is de ombouw van de oude veevoederfabriek CHV in Veghel. Stefan van de Ven, een bouwondernemer, kocht het fabriekscomplex in 2008, midden in de crisis. De Coöperatieve Handels Vereniging was toen net vertrokken en een plan om er huizen te bouwen was spaakgelopen. Van de Ven was onder de indruk van de grote maalinstallaties en liet de meeste machines staan. Wie er nu komt, waant zich opnieuw in een voederfabriek. Nieuwe loopbruggen geven je op elk niveau een andere blik op de vele kranen, buizen en trechters. Tussen het staal staan - bijna terloops - kunstwerken opgesteld. In het complex zijn restaurants en een bioscoop gevestigd. De vrijwilligers van het techniekmuseum dragen ook bij door een stukje van het complex te onderhouden. In de toekomst wil Van der Ven er een coöperatie van maken, zoals ook een eeuw geleden de coöperatieve fabriek begon.

Zonder bevlogen mensen als Van de Ven en Van Stigt lukt het niet. Hun organische, kleinschalige aanpak wordt nu overgenomen door overheden. In Deventer kondigde de gemeente in 2011 met het motto 'arm maar sexy' een andere aanpak aan voor de herontwikkeling van het Havenkwartier. De plannenmakers waren gei¿nspireerd geraakt door de burgemeester van Berlijn, die met dezelfde slogan aangaf dat een stad zonder geld toch aantrekkelijk kan zijn voor kunstenaars en de creatieve industrie. In plaats van één grote ontwikkelaar schoven tientalllen partijen aan, allemaal met eigen ideeën. Inmiddels hebben zich in de oude havengebouwen kunstprojecten gevestigd en wordt een silo omgebouwd tot food court met streekproducten. Op wisselende plekken staat een mobiele hotelkamer, die zich overal nestelt waar vrije ruimte is.

In Zaandam omarmt zelfs het Rijksvastgoedbedrijf inmiddels het idee van slow planning voor de herontwikkeling van het Hembrugterrein. Langs het IJ lagen meer dan een eeuw lang de Rijks Artillerie Inrichtingen, totdat Defensie er in 2000 vertrok. Plannen voor een nieuw gebruik van het terrein strandden. Investeerders schrokken terug voor de meer dan honderd half vervallen gebouwen en de vervuilde grond, waarin misschien nog mosterdgas begraven lag.

Het Rijksvastgoedbedrijf besloot de ontwikkeling in eigen hand te nemen, maar veel geld was er niet. De daken werden waterdicht gemaakt en de mythe van het mosterdgas ontzenuwd. In de eerste paviljoens kwamen een designwinkel, meubelmakers en een galerie. Zodra zich kansen voordoen, worden ook andere gebouwen opgeknapt. Het terrein is daarom voorlopig een prettige mix van vervallen en opgeknapte panden.

In afwachting van nieuwe huurders worden sommige gebouwen voor tijdelijke evenementen en tentoonstellingen gebruikt, zoals het onlangs opgeleverde waslokaal, met een prachtige houtskeletstructuur en langgerekte daklichten. De dichte bomenrijen op het terrein, die als 'plofbos' de schokgolven van de munitie moesten tegenhouden, zorgen voor een ontspannen sfeer.

Plekken met een ziel

Hoe vervelend de economische stagnatie voor de samenleving ook is geweest, voor het industrieel erfgoed heeft het goed uitgepakt. Oude fabrieken worden met meer creativiteit dan ooit tot leven gewekt. De organische ontwikkeling, met veel verschillende partijen, maakt de herbestemmingsprojecten voor bezoekers ook interessanter. De fabrieken die grootschalig werden ontwikkeld, zoals de Van Nelle Fabriek, zijn vaak gesloten bastions, waar je alleen onder begeleiding in mag. De nieuwe projecten zijn door het grote aantal betrokkenen veel opener. Je kunt er heerlijk tussen oude machines dwalen en nieuwe bewoners ontmoeten die liefdevol over hun plek vertellen. De fabriekshallen zijn meer dan een decor voor evenementen of makelaarspraatjes geworden, het zijn plekken met een ziel.

De zwarte en grijze silo markeren de kop van het Havenkwartier in Deventer.

Op het Zaanse Hembrugterrein staan vervallen en opgeknapte panden.

Bram Vermeer is journalist en mede-auteur van het boek Terug naar de fabriek. 25 industriële iconen met nieuwe energie, dat vandaag verschijnt. Het is voor 25 euro te koop in de boekhandel en via www.terugnaardefabriek.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden