De crisis is niet anoniem

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Hoe kon het zover komen? Aan het einde van dit bewogen jaar blikt econoom Arie van der Zwan terug. „De kredietcrisis leek onafwendbaar. Toch berust zij op concrete keuzes die zijn gemaakt en op concrete beslissingen die zijn genomen.”

Arie van der Zwan

In de wetenschap die zich bezighoudt met de economie is evenwicht een sleutelbegrip. Maar in de realiteit van het economisch leven is evenwicht ver te zoeken. Het afgelopen jaar is dat pijnlijk duidelijk geworden.

Wat begon met de ondergang van enkele hypotheekbanken in Amerika en Schotland draaide uit op een crisis van ongekende vorm en draagwijdte die de financiële sector op internationale schaal getroffen heeft. De reële economie wordt er nu in meegesleept. Centrale banken en overheden moesten er met kolossale bedragen aan te pas komen om een ineenstorting af te wenden en het financiële verkeer gaande te houden.

Hoe kon het zover komen?

Een antwoord op die vraag ligt besloten in de hausse die de financiële sector in de achterliggende jaren heeft doorgemaakt.

De vastgoed- en aandelenmarkten die elkaar versterkten waren de drijvende krachten achter die expansie, niet alleen van de financiële sector maar van de economie als geheel. Het was niet de reële economie die de vastgoed- en aandelenmarkten daarbij op sleeptouw nam – wat de normale situatie is – het lag veeleer andersom: winsten op onroerend goed en de aandelen joegen de reële economie aan.

Daarin school ook de zwakte. De prijsopdrijving zoals wij die de afgelopen jaren hebben meegemaakt had een kunstmatig karakter. Bovendien creëerde die prijsopdrijving een maatschappelijk klimaat en mentaliteit waarin kwalijke praktijken en malversaties die daarop inhaakten konden gedijen.

De kranten staan er dezer dagen weer bol van hoe gerenommeerde (financiële) instellingen hun kritische zin lieten varen en zich tot onbegrijpelijke beleggingen hebben laten verleiden. Het aandeelhoudersbelang stond daarbij voorop. De soliditeit die ze aan hun polis- en rekeninghouders verplicht zijn, werd daarbij ten achter gesteld.

PCM, de uitgever van onder meer Trouw, de Volkskrant en NRC Handelsblad is er – op kleinere schaal – een goed voorbeeld van hoezeer de belangen van lezers en werknemers genegeerd werden in een louter financiële operatie die de aandeelhouders forse winsten opleverde en de onderneming met een schuld van 300 miljoen achterliet. Daardoor is de continuïteit van PCM op het spel gezet. Het antwoord op de vraag hoe het mogelijk is geweest dat de bestuursstaf van PCM hieraan heeft meegewerkt schuilt in de opties die het management in het kader van die operatie kreeg toebedeeld. De uitoefening daarvan was niet gekoppeld aan het resultaat van de onderneming maar aan dat van de aandeelhouder, terwijl bestuurders wettelijk gehouden zijn zich naar het ondernemingsbelang te richten.

Het morele bederf dat hieruit spreekt heeft wijd om zich heen gegrepen. Het rapport dat op last van de Ondernemingskamer over PCM is gemaakt, breekt hierover terecht de staf. Opmerkelijk is het oordeel over Apax, het Britse investeringsfonds dat zonder het leveren van enige toegevoegde waarde in een paar jaar tijd aan PCM 130 miljoen verdiende. Niettemin menen de rapporteurs dat Apax „in grote lijnen gehandeld heeft zoals van een private equity-investeerder verwacht mag worden”. Alsof er op Apax, dat meerderheidsaandeelhouder van PCM was geworden, geen enkele zorgplicht zou rusten. Nog afgezien van het feit dat Apax de bestuurstop van PCM aan zich bond met opties en daardoor het negeren van hun wettelijke plicht uitlokte.

Het oordeel van de rapporteurs op dit punt is illustratief voor de geest van de tijd die we op het punt staan af te sluiten. De vertrouwensbreuk die daarvan het gevolg is laat zich niet eenvoudig repareren door met grote bedragen aan bestedingsimpulsen de economische groei nieuw leven in te blazen, zoals overheden geneigd zijn te doen. Hoe wenselijk het stabiliseren van de onroerendgoedmarkt uit opportuniteitsoogpunt ook mag zijn – de banken zien de dekkingswaarde van hun hypotheken en daaraan gerelateerde beleggingen met de dag slinken – de ervaring leert dat een economische crisis die door een financiële crisis wordt ingeluid, dieper gaat en langer duurt. De actuele signalen wijzen daar ook op.

De snelheid waarmee de crisis internationaal om zich heen grijpt en ook sterke groei-economieën als China raakt, de slagen die de auto-industrie internationaal te verwerken heeft gekregen – om van de toeleveringsbedrijven niet te spreken – de snelle omslag op de markten voor producten als chemie en staal, ze onderstrepen het ervaringsgegeven dat we een crisis als deze niet in een of twee jaar te boven zijn. Er zal een saneringsslag voor nodig zijn om tot evenwichtiger en op vertrouwen berustende relaties terug te kunnen keren.

Daarmee in strijd lijkt het verrassende gegeven dat de koopkracht van de bevolking zich vooralsnog goed houdt en volgend jaar wellicht nog toeneemt. Tenminste als de Voorjaarsnota 2009 geen roet in het eten gooit. Maar veeleer dan een opsteker is dat een verontrustend gegeven want het is prijsdaling in reactie op vraaguitval die daarvoor verantwoordelijk is. En uitgerekend die prijsdaling leidt tot verdere bezuiniging door de bedrijven die toch al met krimp te maken hebben.

Zelfs ten tijde van de donkerste crisis, die in de jaren dertig van de twintigste eeuw, ging de koopkracht om diezelfde reden aanvankelijk ook omhoog. Wie een vast inkomen had en niet bedreigd werd door verlies van baan of vermogen zat toen goed – net als nu het geval is. Maar naarmate de recessie doorzet en de werkloosheid om zich heen grijpt verandert het beeld. De opvang van de werkloosheid zal de overheid dwingen haar uitgaven te vergroten terwijl haar belastinginkomsten en aardgasbaten dalen. Om het gat niet te groot te laten worden zal de overheid de lasten voor de burger verzwaren.

Deze crisis is niet alleen financieel-economisch van aard maar ook een crisis van de instituties die belangrijke pijlers van onze maatschappelijke orde zijn: de werking van onze markten en het daarop uitgeoefende toezicht.

De vrije markt wordt geprezen om zijn doorzichtigheid, zijn vrije toetreding, de onafhankelijkheid van de marktpartijen die met elkaar concurreren en het toezicht dat het geordend functioneren ervan in de gaten houdt. En dit alles ten gunste van de welvaart van de burger. De financiële sector laat zien hoe ver dit ideaalbeeld afstaat van de werkelijkheid. De exorbitante winsten waren te danken aan ondoorzichtigheid van de markt die voor de betrokken zakenbanken – vrijwel zonder uitzondering Amerikaanse firma’s – zorgvuldig werd gecultiveerd. Hun inspanningen waren erop gericht de markt onderling te verdelen en de concurrentie op afstand te houden. Gesteund door hoge bonussen en dito winstverwachtingen zetten ze hun producten op de markt. De banken en financiële instellingen die deze producten wereldwijd afnamen gingen als lemmingen achter elkaar aan, blind voor de risico’s hun ondergang tegemoet.

De vrije markt is een ideologisch geladen concept dat door framing geloofwaardigheid verkregen heeft. In feite staat de werking ervan in het teken van belangenbescherming. Van enige consistentie tussen leer en praktijk is op dit punt geen sprake. In de VS al helemaal niet. Ben Bernanke, de baas van de Amerikaanse centrale banken (de Federal Reserve) zei afgelopen augustus op hun jaarlijkse symposium: „De economische storm die vorig jaar opstak is nog niet gaan liggen en heeft geleid tot de uitdagendste omstandigheden sinds mensenheugenis.” Deze opmerkelijke woorden moeten door grote ongerustheid zijn ingegeven, Bernanke zag de bui toen al hangen. De economische omstandigheden bleven volgens hem zwak door oplopende werkloosheid en hoge inflatiedruk, een combinatie die in de jaren tachtig stagflatie werd genoemd.

Inmiddels zijn de Verenigde Staten in een regelrechte recessie beland die zo ernstig is dat velen daar met jaren van depressie rekening houden. De woorden die Bernanke sprak waren daarom ook zo opmerkelijk aangezien hij naliet de vinger op de zere plek te leggen. Het was immers zijn eigen Fed die door renteverlagingen en kredietverruiming de inflatie had aangewakkerd, in plaats van die te bestrijden zoals zijn missie luidt.

De verklaring van deze dubbelzinnigheid is dat deze maatregelen er ook toen al op gericht waren de disfunctionerende financiële sector van de ondergang te redden. Zoals de Nederlandse econoom Willem Buiter op dat Amerikaanse symposium opmerkte: „De Fed volgt Wall Street trouw en gelooft wat het hoort.” Met Buiter kunnen we concluderen dat „het gevaarlijk is en ongezond als er naar deze vaak vertekende kijk op de werkelijkheid wordt geluisterd”.

We mogen rustig zeggen dat deze vertekende werkelijkheid door de eigenbelangen van Wall Street werden ingegeven. Maar Bernanke en de zijnen meenden dat ze niets anders konden, dat ze met de rug tegen de muur stonden. Als ze gedaan hadden wat ze moesten doen was de knal enorm geweest. Volgens de prikkeltheorie die in het neoliberalisme centraal staat en waarvan uitgerekend de financiële sector zo gecharmeerd zegt te zijn, zou die knal niet geschuwd hebben moeten worden. Maar in de praktijk lijkt het voor de aanhangers van die leer nogal uit te maken aan welke kant de klappen vallen. Door op grote schaal op te treden, het bankwezen liquide te houden en in feite hun risico’s over te nemen, hebben de centrale banken en overheden vooralsnog een ineenstorting weten te voorkomen. Maar nu zijn het de overheden zelf die deze risico’s lopen. En nu ze deze stap eenmaal hebben gezet, worden ze meegezogen in volgende steunrondes waarvan al sprake is, nog afgezien van de stroppen die bij de overgenomen banken aan het licht komen. Het is zeer onzeker wat ons hier nog te wachten staat. Het maakt overheden er ook afkerig van om kwalijke praktijken aan de kaak te stellen en om in te grijpen. Hun eerste prioriteit is onrust voorkomen en de economie stabiliseren.

Zo heeft de Fed inmiddels met een dramatisch gebaar de rente tot praktisch nul verlaagd, nu om het spook van deflatie te lijf te gaan. Door het lenen nóg gemakkelijker te maken, hoopt de Fed de bestedingen te stimuleren. En dat terwijl de crisis in de VS veroorzaakt is door structurele overbelening. Die politiek kan geen standhouden. Ze zal de bron zijn van verdere instabiliteit. Deze instabiliteit is gelegen in de werking van de vrije markt, die toe is aan ingrijpende hervormingen.

„Het kapitalisme is een monster dat door zijn dynamiek een grote welvaartscheppende potentie bezit maar als het niet beteugeld wordt, de neiging heeft alles (zichzelf inbegrepen) te verslinden.” Deze oude waarheid deed het eerst opgeld in conservatieve kringen in Engeland tijdens de industriële revolutie. Zij riep grote weerstand op door haar ontwrichting van het platteland en de sociale verhoudingen. Eind negentiende, begin twintigste eeuw raakten verlichte liberalen overtuigd van dit inzicht en baseerden daarop hun politiek-maatschappelijke project: beteugeling van het kapitalisme. Sociaal-democraten zijn daar schoorvoetend in gevolgd; pas na de Eerste Wereldoorlog namen ze afstand van hun revolutionaire aspiraties en bekeerden ze zich tot het reformisme.

Wat we op dit moment ondergaan zijn precies de gevolgen van deze zelfde waarheid. Hoe komt het toch dat elke generatie de gevolgen moet ondervinden alvorens ervan overtuigd te raken? De oorzaak daarvan is de andere kant van de zaak: „Beteugel het kapitalisme en het boet aan dynamiek in.” Die beteugeling kan zo verstikkend werken dat de geesten rijp worden voor een paradigmawisseling en de beteugeling wordt afgezworen.

Reagan en Thatcher zagen dat de tijd daarvoor aan het eind van de jaren zeventig rijp was. Links had geen antwoord op de depressie die toen om zich heen begon te slaan en de anti-krachten wonnen snel terrein. Medio jaren tachtig waren de visie en het beleidsprogramma van Reagan en Thatcher algemeen aanvaard. De eerste resultaten waren gunstig, de keerzijde werd pas later duidelijk. Maar toen was het te laat.

Als de beslissende stappen eenmaal gezet zijn en de beteugeling is afgeworpen, dan komt er een zichzelf versterkend proces op gang dat ten slotte uitmondt in een krach. In eerste aanleg een beurskrach die gevolgd wordt door economische neergang. Ten tijde van het superkapitalisme neemt die krach de vorm aan van een superkrach. Het scenario is niet anders dan bij vorige gelegenheden.

Hoezeer deze crisis velen in hun directe bestaan ook zal raken, er zit ook iets goeds in.

De weg ligt nu open om af te rekenen met het systeem dat tot deze crisis leidde en moest leiden. Het is aan de huidige generaties om het kapitalisme (opnieuw) te beteugelen en dienstbaar te maken aan bredere maatschappelijke belangen dan het enge aandeelhoudersbelang.

Op afstand bezien was deze crisis onafwendbaar. Zij berust niettemin op concrete keuzes die gemaakt zijn en op concrete beslissingen die zijn genomen. Het zou dan ook naïef zijn om te denken dat de kredietcrisis anoniem is en wel ontvangers telt, maar geen aanwijsbare afzenders.

Deze crisis roept morele en politieke vragen op. De morele vraag luidt hoe leiders in verantwoordelijke posities zulke onverantwoorde risico’s hebben durven nemen, veelal mede uit persoonlijk gewin en met uitbanning van elk gemeenschapsbesef.

Vanuit de politiek gezien kun je je afvragen hoe politieke leiders de tekenen van dit economische en morele bederf, die er al jaren waren, in de wind hebben kunnen slaan en goedpraten. Opvallend is het hoe deze direct betrokkenen – geheel voorspelbaar – de vraag naar de verantwoordelijkheid afweren met de formule: „We moeten nu de crisis bezweren en oplossingen vinden. Terugkijken leidt af van de oplossing.”

Maar terugkijken heeft wel degelijk zin.

Opmerkelijk is het hoezeer de media in de Verenigde Staten – waar de crisis volop heeft toegeslagen en juist mensen raakt die er geen enkele verantwoordelijkheid voor dragen – wel indringend terugkijken en openlijk de schuldvraag stellen: is deze werkelijkheid van de financiële sector nu de spiegel die ons wordt voorgehouden? Zit de maatschappij nu eenmaal zo in elkaar, reageert de mensheid zo?

Dit is het geliefde antwoord van de direct verantwoordelijken – en niet zonder argumenten. Ja, het is waar dat het aandeelhouderskapitalisme effectief wist in te spelen op de hebzucht van mensen.

Het is onmiskenbaar dat dit aandeelhouderskapitalisme waarvan we nu de val meemaken, heeft gesteund op een brede coalitie van (vermeende) belanghebbenden. Zolang de koersen en de huizenprijzen omhooggingen, waanden zij zich winnaars die van de keerzijden geen weet wilden hebben. Nu weten en voelen zij dat er ook verliezers zijn.

Het is ook waar dat het bijvoorbeeld voor bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen moeilijk was zich te onttrekken aan de waan van de beurs en hun beleid te richten op solide doelen op de lange termijn in plaats van op schijnwinsten op de korte termijn. Ze liepen gerede kans om door de beurs te worden afgestraft. Maar deze redeneringen zijn niet sluitend.

De tekenen van het morele bederf, van de zelfverrijking en van de onverantwoorde risico’s waren allang duidelijk. En de verantwoordelijke instanties – de bestuurders en hun toezichthouders voorop – hadden hun verantwoordelijkheid moeten nemen door in te grijpen.

In dit verband wijs ik op een interessant interview in NRC Handelsblad (6 november 2008) met Niek Hoek, bestuursvoorzitter van Delta Lloyd, waarin hij afstand neemt van zakenbanken en financiële analisten die de afgelopen jaren beweerden „dat je de hoeveelheid eigen vermogen die je in een onderneming gebruikt, zo minimaal mogelijk moet houden. Met de briljante frase: je moet efficiënt gebruikmaken van je kapitaal. En alles in het belang van de aandeelhouder. Maar wij verzetten ons tegen dit ongebreidelde aandeelhouderskapitalisme. En waarom? Aandeelhouders zijn daar op lange termijn niet hij gebaat. Bovendien, als wij 65 miljard aan bezittingen hebben, dan is ongeveer 60 miljard daarvan van onze polishouders en 5 miljard van onze aandeelhouders. Het is te gek voor woorden dat je je bedrijf dan alleen in het belang van de aandeelhouders moet runnen.” Aldus Hoek met een waarheid als een koe, die niet alleen voor Delta Lloyd geldt maar ook voor ING en Aegon en eveneens voor ABN Amro en al die anderen.

Hoe kwamen bestuurders en toezichthouders ertoe om deze essentialia uit het oog te verliezen en te spelen dan wel te laten spelen met tegoeden van polishouders, spaarders en andere stakeholders in de onderneming?

Die vraag zullen we in zijn volle omvang moeten stellen aan de verantwoordelijke bestuurders, hun raden van commissarissen en de officiële toezichthouders. Dat de financiële instellingen de suggestie hebben gewekt dat hun faits et gestes waren gesanctioneerd aangezien de toezichthouder niet had ingegrepen, pleit de toezichthouder niet vrij. Het drukt hem met de neus op de noodzaak om juist tijdig in te grijpen. Financiële instellingen hebben de grenzen van het toezicht opgezocht en overschreden zonder dat het toezicht zich daar tegen keerde. Niet alleen de financiële instellingen verschuilen zich achter elkaar (’Andere deden het toch ook?’) ook de toezichthouders. Als de Amerikaanse centrale bank in zijn rentepolitiek Wall Street tegemoetgekomen is en zich ook in het toezicht lankmoedig heeft opgesteld, is dat dan voor de Europese Centrale Bank een reden om de financiële wereld binnen de Europese Unie eveneens ongemoeid te laten? Het heeft er veel van weg dat dit de denkwijze was. Het wordt tijd dat ook de media binnen de Europese Unie deze vragen aankaarten; de direct betrokkenen zullen het niet doen, de politiek alleen als ze daartoe door de publieke opinie gedwongen wordt.

Het aandeelhouderskapitalisme is een uitwas die hele samenlevingen in een toestand van verwarring, morele ontreddering en in een uiterst riskante economische positie heeft gebracht. Het is waar dat elk beleidsparadigma het in zich heeft om, als het de overhand krijgt, te worden toegepast tot over de grenzen van zijn werkbaarheid heen. Zo is het ook gegaan met het keynesianisme, dat in stagflatie zijn Waterloo vond. Maar de gevolgen daarvan zijn niet te vergelijken met wat zich nu afspeelt. Willen we deze uitwas uitbannen – althans voor enige decennia – dan zit er niets anders op dan het kapitalisme opnieuw te beteugelen.

Deze crisis zal ook zijn stempel zetten op de geopolitieke verhoudingen in de wereld. De kaarten in de wereld worden juist ten tijde van crises opnieuw geschud.

De crisis in de jaren dertig hielp de Verenigde Staten om hun leiderschap definitief te vestigen, de crisis van de jaren tachtig maakte dat Japan het lichtende voorbeeld werd. Het heeft er alles van dat China als sterkste mogendheid uit deze crisis te voorschijn zal komen. Het wordt onmiskenbaar door de crisis geraakt, voornamelijk als gevolg van hun teruglopende export naar de Verenigde Staten en Europese Unie. Maar China beschikt over overschotten op zijn handelsbalans en begroting, en over een van de grootste deviezenvoorraden ter wereld. Het heeft dan ook aangekondigd de economische koers te verleggen door het gat dat in de export geslagen is te compenseren via stimulering van de binnenlandse vraag. Een pakket van maatregelen ter waarde van niet minder dan vierhonderd miljard dollar zal het hiertoe inzetten.

De Chinese leiders laten zich daarbij ook door sociale overwegingen leiden. Grote delen van de Chinese bevolking hebben in de achterliggende jaren werk gevonden in de exportindustrie. Hun banen staan nu op de tocht. Het zal een hele toer zijn om de sociale spanningen die daarvan het gevolg zijn beheersbaar te houden. Als de Chinese leiders daarin slagen hebben ze een proeve van bekwaamheid afgelegd; ze hebben niet alleen het land bij een opgaande conjunctuur tot expansie kunnen brengen, maar het ook door een crisis heen geloodst. Dat zal hun zelfvertrouwen ten goede komen en hun prestige in de wereld vergroten.

De uitgangspositie van China is gunstig, dat kun je van de VS niet zeggen. Terwijl de VS elke financiële ruimte meer dan hebben opgebruikt heeft Barack Obama met zijn team niettemin aangekondigd in de bestrijding van de crisis dezelfde weg te gaan als China. De paradoxale situatie doet zich voor dat China daar op korte termijn alle belang bij heeft, al was het alleen maar om Amerika voor een ineenstorting te behoeden, met alle gevolgen voor de Chinese exportindustrie en de waarde van het bezit aan dollars en dollargerelateerde waardepapieren. Maar op de langere termijn zullen de financiële problemen die het gevolg zijn van de structurele overbesteding in de VS alleen maar toenemen. Met alle gevolgen voor de financieel-economische stabiliteit in de wereld. Daar komt bij dat de VS een geschiedenis hebben in het oplossen van hun financieel-economische problemen. Vanaf de crisis in de jaren dertig hebben ze – bijvoorbeeld door de dollar te laten zweven – veel van hun problemen afgewenteld op de rest van de wereld. Ten tijde van de Vietnamcrisis en gedurende het beleid van Reagan is deze lijn onverminderd doorgezet, om over het beleid van Bush jr. maar te zwijgen.

Ook in de woorden die Obama sprak bij de benoeming van zijn team op defensie en buitenlands beleid viel te beluisteren dat het belang van de Verenigde Staten vooropstaat. Europa doet er goed aan zich dit te realiseren. Terwijl de VS zich de afgelopen jaren hebben laten verleiden tot twee uitzichtloze militaire operaties die hun financiële spankracht ondermijnden en hun internationale positie verzwakten, heeft China in Zuid-Amerika en Afrika bilaterale overeenkomsten gesloten die het verzekert van grondstoffen, energie en een afzetmarkt.

Leiderschap berust niet alleen op militaire macht maar juist en vooral op morele kracht: door de wereld een economisch en sociaal systeem voor te houden dat tot aansprekende prestaties blijkt te komen. De industriële kracht van de VS, gepaard aan de succesvolle middenklassemaatschappij en aansprekende way of life vormden de basis voor de hegemonie gedurende de afgelopen decennia. De uitstraling die daarvan uitging wordt nu node gemist. De VS hebben hun krediet – financieel en moreel – verspeeld.

Europa zou er verstandig aan doen zich op alle gebied minder afhankelijk van de Verenigde Staten te maken en een eigen weg te gaan. De tijd van het Amerikaanse voorbeeld is voorbij.

Arie van der Zwan is econoom. Onlangs verscheen van hem bij uitgeverij Balans 'Van Drees tot Bos – zestig jaar succes en mislukking’. In de jaren tachtig was hij president-directeur van de Nationale Investeringsbank.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden