De corrumperende consensus in het minderhedenonderzoek

In mijn column van 23 november vorig jaar vroeg ik mij af hoe het te verklaren is dat de enorme massa onderzoek naar de allochtone bevolkingsgroepen ons niet heeft gewaarschuwd voor de problemen waarmee we nu ineens, lijkt het wel, worden geconfronteerd. Ik zocht de verklaring in een combinatie van factoren: de macht van maatschappelijke taboes, de optimistische ideologie van de sociale wetenschappen en het streven van de onderzoekers de politieke opdrachtgevers niet met ongemakkelijke feiten lastig te vallen.

Naar aanleiding van deze column vestigde Hans Werdmölder mijn aandacht op een artikel van zijn hand dat deze kwestie veel diepgaander aan de orde stelt. Het verscheen onlangs in Socialisme & Democratie, het maandblad van de Wiardi Beckmanstichting, maar hoewel ik het nummer in huis had, was zijn bijdrage mij ontgaan.

Dat is jammer want Werdmölder is een insider die weet waarover hij het heeft, zich zeer gedegen heeft gedocumenteerd en tot stevige uitspraken komt. Zijn voornaamste conclusie luidt dat het debat over de multiculturele samenleving in de afgelopen twintig jaar geheel beheerst werd door de ideologie van politieke correctheid en dat de overgrote meerderheid van de onderzoekers in deze sector daarin kritiekloos is meegegaan. Deze pijnlijke volgzaamheid schrijft Werdmölder toe aan de nauwe band tussen het minderhedenbeleid en het wetenschappelijk onderzoek, met als gevolg een inteeltsfeer waarin onaangename feiten buiten beschouwing bleven.

Mijn uitspraak dat 'niemand bijt in de hand die hem voedt', wordt door Werdmölder tegelijk bevestigd en toegelicht: 'Onderzoekers die niet-politiek correcte issues aan de orde stellen, komen niet of nauwelijks in aanmerking voor overheidsopdrachten. 'Wie betaalt, bepaalt', zo luidt de ongeschreven beleidsregel'.

Inmiddels begint ook de dagbladpers wakker te worden. In een uitvoerig artikel in de Volkskrant van vorige week zaterdag brengt Martin Sommer een hele reeks feitelijke voorbeelden bijeen die bij elkaar hetzelfde verontrustende beeld opleveren. Direct betrokken onderzoekers en goed geïnformeerde waarnemers komen aan het woord en ze aarzelen niet toe te geven dat de verwevenheid tussen universitaire onderzoekers, beleidsambtenaren en linkse partijen algemeen erkend wordt.

Het gevolg is dat de teneur van de vele honderden researchrapporten in grote lijnen overeenkomt. Twee kenmerken vallen op. In de eerste plaats stellen de onderzoekers zich consequent op het standpunt van de allochtonen. Indien er problemen zijn, dan moeten die in de Nederlandse samenleving worden gezocht. Maar die samenleving telt niet echt mee. In het recent verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 'Nederland als immigratiesamenleving', worden niet meer dan drie alinea's aan de 'ontvangende samenleving' besteed. Die ontvangers deugen trouwens vaak niet: in de grote steden bestaat een verwerpelijke weerstand tegen nieuwkomers.

In de tweede plaats worden de bevindingen zo positief mogelijk gepresenteerd. Zo spreekt men van het 'onderwijssucces'. Wie de schoolvorderingen van allochtone kinderen vergelijkt met hun vaak analfabete ouders, ziet natuurlijk winst; gemeten ten opzichte van hun Nederlandse leeftijdsgenoten blijkt het beeld heel wat minder florissant.

Een ander voorbeeld: volgens prognoses neemt de allochtone bevolking in 2030 toe tot drie miljoen. Dat aantal valt best mee, heet het, want drie miljoen komt neer op 20 procent van de bevolking, een duidelijke minderheid. Maar wie weet dat over een halve eeuw in de twintig grootste steden van ons land het overgrote deel van de bevolking van allochtone herkomst zal zijn, voelt zich minder gerustgesteld.

Het zal na dit alles niemand verbazen dat de lopende maatschappelijke discussie over de multiculturele samenleving, door de wetenschappers en hun ambtelijke opdrachtgevers niet is voorzien. De twee meest verontrustende kwesties -de dreigende segregatie in de samenleving en de splijtzwam van de islam- komen in de talloze studies niet of nauwelijks aan de orde. Buitenstaanders als Frits Bolkestein en Paul Scheffer hebben er nadrukkelijk aandacht voor gevraagd, maar de wetenschappelijke 'makelaars in minderheden', zoals Sommer ze noemt, hebben het collectief laten afweten.

Zijn artikel maakt begrijpelijk hoe het kwam dat de rauwe kreten van Pim Fortuyn zoveel bijval vonden: eindelijk gaf iemand stem aan een publiek gevoel van ergernis dat officieel niet mocht bestaan. Dat dit decennialang kon voortbestaan, is een politiek schandaal van de eerste orde; al kan als troost gelden dat 'de politiek' inmiddels ongenadig is afgestraft.

Blijft het wetenschappelijk schandaal: de eenzijdig-politieke inkleuring van de onderzoeksopdrachten, de geneigdheid zo dicht mogelijk tegen het beleidscircuit aan te kruipen en de bereidheid van vele minderhedenonderzoekers tegen genoegzame betaling hun wetenschappelijke vrijheid en hun intellectuele vrijmoedigheid in te leveren.

Wat velen al langer vreesden, is hier bewaarheid geworden: dat de groeiende afhankelijkheid van de universiteiten van 'vreemd' en 'geoormerkt' geld, voor de onafhankelijkheid van de wetenschap een dodelijk gevaar kan betekenen. In ieder geval stuiten we hier op het zoveelste voorbeeld van de corrumperende werking van onze polderconsensus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden