De componist van de klankwolken

De Hongaarse componist Ligeti maakte in de jaren zestig furore. In zijn composities liet hij bestaande muziek over elkaar heen buitelen. Later componeerde hij de opera ’Le grand macabre’. Hij stierf deze week op 83-jarige leeftijd in Wenen na een lang ziekbed.

Het jaartal 2001 betekende in de jaren zestig niet alleen een toekomstvisioen voor filmmaker Stanley Kubrick. Voor György Ligeti, die maandag na een zwaar ziekbed overleed in Wenen, zou het jaartal (de titel van Kubricks beroemdgeworden sciencefictionfilm ’2001: A Space Odyssey’) voor altijd synoniem blijven met zijn wereldwijde doorbraak als componist. Door Kubricks ongevraagde gebruik van delen uit ’Atmosphères’ en ’Requiem’ als filmscore, maakte een breed publiek kennis met Ligeti’s statische klankwolken.

Ligeti’s taal sprak sindsdien tot de verbeelding. Van alle avantgarde-componisten vond zijn muziek het gemakkelijkst de weg naar de podia. Veelzijdig, vernieuwend en toch herkenbaar, voortbouwend op tradities van Ockeghem tot en met Bartók en van Afrikaanse ritmiek tot Midden-Europese volksmuziek: Ligeti ’recombineerde’ alles wat hem interessant leek.

Het is veelzeggend dat Ligeti de eerste componist is van wie het complete oeuvre al bij leven in een cd-serie werd vastgelegd, in het ’Ligeti Project’ (aanvankelijk door Sony, later door Teldec). In dirigent Reinbert de Leeuw en het Asko/Schönberg Ensemble vond hij de ideale vertolkers voor de ensemblewerken voor het nog steeds lopende cd-project. Ligeti had een bijzondere band met Nederland, bijvoorbeeld met het Haags Conservatorium (Componistenproject 1996) en het Concertgebouworkest. „Bernard Haitink voerde me in de jaren zeventig en tachtig vaak uit in het Amsterdamse Concertgebouw. Daar ben ik hem zó dankbaar voor!”, zei hij destijds.

Hoewel Ligeti geruime tijd in Hamburg woonde, werd hij als joodse Hongaar geboren in Transsylvanië, Roemenië. Het gezin verhuisde al snel naar Hongarije, waar Ligeti in de Tweede Wereldoorlog aan het conservatorium studeerde en als Jood door de Nazi’s in 1943 naar een werkkamp werd gedeporteerd.

Na de oorlog bleek dat hij zich als componist niet kon ontplooien in het verstikkende communistische klimaat. Naast zijn liefde voor het werk van Bartók, raakte hij geïnteresseerd in de muziek uit het Westen die hij aan de hand van de spaarzaam doorgesijpelde partituren leerde kennen. Ligeti luisterde veel naar de ’verboden’ radiozenders, waar hij niet meer dan flarden opving van de Duitse avantgarde-muziek. Zijn nieuwsgierigheid naar die andere muziek kreeg visionaire proporties: Ligeti droomde van een „statische muziek, zonder harmonie, melodie en ritme; een neutrale klank, iets tussen ruis en klank”. In 1956 vluchtte Ligeti naar het Westen, waar hij al snel zijn eerste baanbrekende orkestwerken zoals ’Atmosphères’ componeerde.

Aan het eind van de jaren zeventig had Ligeti zijn klankwolkentechniek volledig uitgewoond en zocht hij naarstig naar een nieuwe taal in de ’citatenmuziek’. Een voorlopige uitkomst in de periode die Ligeti zelf kenschets als zijn ’postmoderne crisis’. Een inzinking met als paradoxaal hoogtepunt de bizar-humoristische opera ’Le Grand Macabre’ (1977), die zich afspeelt in Breughel-land. Hoewel het werk onmiskenbaar ligetiaans is, hoor je citaten van Beethoven, Schubert, Mozart, Rossini, Verdi, Offenbach, en niet te vergeten Ligeti zelf over elkaar heen buitelen.

De ’anti-anti-opera’, zoals de componist ’Le Grand Macabre’ wel noemde, werkte uiteindelijk bevrijdend. Vanaf de jaren tachtig keerde Ligeti, dertig jaar ervaring rijker, terug naar zijn muzikale wortels als erfgenaam van Bartók. Bartóks voorliefde voor volksmuziek vertaalde zich bij Ligeti in zijn interesse voor de Balinese gamelan en de complexe ritmiek uit Afrika. Zo leende hij het mechanisch-machinale gedrag uit de pianola-muziek van de vergeten Amerikaan Conlon Nancarrow. Voorbeelden van de ’nieuwe Ligeti-klank’ zijn het ’Pianoconcert’ en het recentere hoornconcert ’Hamburg Concerto’.

Toen Trouw hem in 2002 interviewde in Felix Meritis in Amsterdam, zei Ligeti: „Ik heb nog honderden ideeën; dat is het probleem niet. Het probleem is de tijd. Als God het me toestaat, wil ik nog wat langer leven en meer composities schrijven.” Hij had plannen voor een tweede opera over Lewis Carolls’ personage Alice, en voor een bundel met zijn essays. De laatste werken die hij voltooide waren de ’Weöres-liederen’, de achttiende piano-etude ’Canon’ en het zevende deel van zijn hoornconcert ’Hamburg Concerto’.

Na 2001 (het jaartal dat ooit Ligeti’s belofte betekende) trok de componist zich, door ziekte gedwongen, terug bij zijn vrouw in Wenen. „Natuurlijk hoop ik dat mijn muziek niet gestorven is na deze serie”, zei hij over zijn verzamelde werken op cd.

Om er ligetiaans aan toe te voegen: „Als mijn werk daarna nog wordt gespeeld, dan zou je de opnames moeten beschouwen als een archeologische vondst. Een soort inscripties die je op een metafysische manier moet begrijpen, en die iedereen anders kan interpreteren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden