De citrusboom, de wijngaard en de oude wijnput

Jasser Arafat zag het onlangs zo voor zich: een klein meisje dat op een dag de Palestijnse vlag zal hijsen boven de Palestijnse hoofdstad Jeruzalem. De jeugd heeft de toekomst. Maar wat zal de geschiedenis van dat meisje zijn?

'Een sardineblik genaamd Gaza en een dor gebeente genaamd Jericho', schreef de inmiddels overleden dichter Nizar Qabbani in 1995. Dat was alles wat er nog over was van Palestina. De regels werden geschreven twee jaar na de totstandkoming van de Oslo-akkoorden, waarin voor het eerst officieel sprake was van de vorming van een onafhankelijke Palestijnse staat.

Maar die staat was niet het Palestina in het hoofd van de dichter. In zijn Palestina rook het naar amandelbloesem, niet naar vuilnishopen. Je had er uitzicht op een olijfgaard, niet op een militaire controlepost. Het brood dat je at kwam uit de tabun, de kleine oven van het huis, en niet uit handen van de United Nations Relief and Works Agency for Palestinian Refugees in the Near East. Het bestond al een hele tijd niet meer, dit Palestina, en je was er zelf nog nooit geweest, maar je wist er de weg, van je vader of je opa. De citrusboom, de wijngaard en de oude waterput, dat was het vaderland, het verleden en de toekomst. Tot 1993. 'Oslo' maakte korte metten met de platonische liefde voor andermans land en stelde er iets concreets voor in de plaats, een natie, met een vlag en een paspoort, een sardineblik en een dor gebeente.

Hoe diep gevoeld ook, de Palestijnse weemoed over het verloren land en de verloren tijd is in de loop der jaren een van de grootste clichés van het Midden-Oosten geworden. Een veel bezongen tempo doeloe, die in tegenstelling tot het islamitisch fanatisme en het enthousiasme voor Saddam Hoessein wél geschikt is voor de Palestijnse public relations.

Een paar jaar geleden raakte ik op de Corniche van Beiroet in gesprek met een man, die vertelde dat hij uit Akko, nabij Haifa, kwam. 'Ben je daar wel eens geweest', vroeg hij. Ja, daar was ik wel eens geweest. Mooi stadje.

'Ik nog nooit', zei hij, wat te denken gaf.

Toen vroeg hij: 'Wil je soms naar Shatila? Ik woon in Shatila. Alle toeristen willen naar Shatila.'

Het begon me te dagen dat hij dit gesprek al eens eerder had gevoerd. En waarom ook niet? Natuurlijk was het kamp een toeristenattractie. Puur Libanon, net als de ceders en de tempelruïnes van Baalbek. Na de massaslachting van 1982 is het een van de weinige Palestijnse vluchtelingenkampen die wij bij naam kennen. 'Sabra en Shatila' is een soort embleem van de Libanese burgeroorlog, van Palestijns martelaarschap, van Israëls moreel failliet en van de slepende Midden-Oosten-problematiek in het algemeen.

We spraken dus af die middag thee te gaan drinken bij zijn grootmoeder in Shatila. Het was er zoals je zou verwachten als je de cijfers kent: overbevolkt, ruim zesduizend mensen beneden de armoedegrens. En tijdens de thee kwam de scène die ik al honderd keer had gelezen of gezien op de televisie: grootmoeder stond met veel puffend misbaar op en pakte van een plank een trommeltje, waaruit ze de sleutel haalde van het huis dat de familie tot 1948 had bewoond. Ik vroeg waar het huis stond. Ze noemde een onbekend dorp. 'In Galilea', verduidelijkte ze. Mijn gids keek betrapt. 'Oma' bleek niet zijn eigen oma te zijn, oma was alle Palestijnse oma's.

Wat zal de geschiedenis zijn van de staat Palestina-in-wording? Is het de geschiedenis van een verloren paradijs, waarvan de oma's tegen beter weten in nog steeds de sleutels bewaren? Of is het de geschiedenis van een revolutie, van een ontluikend nationalisme, met de stichting van de staat als eindpunt? Is de Palestijnse geschiedschrijving niet louter een verontwaardigd commentaar op de geschiedenis van Israël? Of bestaat er zoiets als een autonome Palestijnse geschiedenis?

En wat zijn Palestijnen volgens de Palestijnen zelf? Is het 'een volk dat bereid is op zijn benen te sterven, liever dan op zijn knieën te leven', zoals een intifada-liedje wil? Of zijn het beklagenswaardige slachtoffers, lijdend voorwerp van een geschiedenis die elders werd geschreven? Wat is hun gemeenschappelijke ervaring? Hun nationale identiteit?

'Een land zonder volk voor een volk zonder land.' Wij kunnen ons tegenwoordig misschien moeilijk voorstellen dat dit zionistisch adagium ooit geloofwaardig geklonken heeft. Toch is het nog niet zo heel lang geleden dat het concept van een 'leeg' Palestina in Europa en in Israël op de schop ging. Een Israëlisch historicus haalde recentelijk de anekdote aan van de twee Oostenrijkse rabbijnen die in 1897 rondreizen in Palestina om te onderzoeken of het gebied geschikt is voor joodse kolonisatie. 'De bruid is beeldschoon', rapporteren zij aan Theodor Herzl in Wenen, 'maar ze is al met een ander getrouwd'.

Rond diezelfde tijd ontving Herzl ook een brief van de burgemeester van Jeruzalem, Yusuf Diya al-Khalidi. In de brief stelde deze dat het zionisme 'in theorie een natuurlijk en juist idee' was, maar dat

Palestina al bevolkt was. Alleen met 'kanonnen en slagschepen' zouden de zionisten het land in handen kunnen krijgen. 'In Godsnaam', besluit hij daarom, 'laat Palestina met rust.'

Een land zonder volk. En toch. Vormde de Arabische bevolking van Palestina voor de komst van de joden wel een 'volk', of liever: een natie?

In zijn boek Palestinian Identity (1997) wijst Rashid Khalidi op het lokaalpatriottisme van de Palestijnen. De 'natie' van de Palestijn is zijn dorp of zijn stad. Een Palestijn wil niet terug naar Palestina, hij wil terug naar Haifa, naar Akko, of naar zijn verdwenen dorp in Galilea. Er bestond een grote rijkdom aan zogenaamde fada'il-literatuur in Palestina. Fada'il betekent zoiets als 'de geweldige kwaliteiten van...', en men kan daarachter een willekeurige plaatsnaam in Palestina invullen. Naar deze lokale trots verwijzen ook veel toevoegingen aan persoonsnamen: al-Maqdisi (de Jeruzalemiet), al-Khalili (de Hebroniet), al-Nabulsi (de Nabloesiet). Maar een binding aan het land als geheel?

In zijn Day of the Long Night (1998) vertelt de christelijke Palestijn Jamil Toubbeh dat een joods klasgenootje hem in 1947 enthousiast mededeelt dat hij het Terra Sancta College in Jeruzalem gaat verlaten om naar een kibboets te gaan. Daar zal hij leren schieten met een pistool om zijn land te verdedigen. Toubbeh is stinkjaloers, vooral op dat pistool, en diep gekwetst als hij vervolgens hoort dat hij als Arabier niet kan delen in de kibboetsdroom. Begrijpen doet hij het echter niet helemaal. 'Waarom zou hij een land willen verdedigen dat niet in oorlog is met een ander land?', vraagt hij zich af, zonder zich te realiseren hij zelf dat 'andere land' is. De naïviteit van Toubbeh als zestienjarige is misschien achteraf wat aangezet, maar de boodschap is duidelijk. Op het krachtige, moderne nationalisme van de zionisten, op hun overrompelende liefde voor het land Palestina als geheel, hadden de Arabische Palestijnen in 1947 geen antwoord dan alleen de simpele vraag: maar zijn wij niet allen Palestijnen?

Voor de meeste Palestijnse historici is het draaipunt in hun geschiedenis het jaar 1948, of het jaar van de Nakba, de Catastrofe, toen meer dan 700.000

Palestijnen op de vlucht werden gejaagd en de staat Israël werd uitgeroepen. De Nakba en haar gevolgen is wat de Palestijnen na 1948 met elkaar verbond en hun een soort negatieve nationaliteit bezorgde. De meest wezenlijke Palestijnse ervaring, schrijft

Khalidi, speelt zich af bij een grensovergang, wanneer de Palestijn door de autoriteiten van het land waar hij woont gevraagd wordt om uit de rij te stappen voor een speciale ondervraging. Papieren zijn altijd een probleem. 'Dat elke Palestijn aan dit soort vernedering wordt onderworpen, bewijst al dat zij een volk vormen,' schrijft Khalidi wat cynisch.

Maar ook ver voor 1948, zelfs voor het begin van de joodse kolonisatie eind negentiende eeuw, bestond volgens Khalidi al het gevoel van de Palestijnse gemeenschap als natie. Ofschoon het gebied was opgedeeld in twee Ottomaanse bestuurseenheden werd Palestina door de bevolking als een geografische eenheid beschouwd, die ook als zodanig moest worden verdedigd tegen indringers van buiten. De literatuur uit de achttiende en negentiende eeuw van de Fada'il al-Quds ('de Deugden van Jeruzalem') beschrijft de stad Jeruzalem en de andere heilige plaatsen in Palestina, van Gaza tot Hebron en van Hebron tot Safad. In de ogen van de bevolking vormden deze plaatsen vanwege hun speciale religieuze status voor moslims en christenen (joden waren er bijna niet) een heilige, onvervreemdbare ruimte. De ruwe schending van dit gebied door de kruisvaarders zat er na al die eeuwen nog diep in.

Als de zionistische beweging in 1910 op het punt staat een aanzienlijk stuk land te verwerven nabij al-Fula (tegenwoordig Afula), ontstaat er groot protest onder de plaatselijke bevolking, waarbij ook het kruisvaardersthema weer opduikt. Op het land staat namelijk een door Saladin gebouwd kasteel, en de Turkse overheid zou dit erfgoed, symbool van de overwinning op de kruisvaarders, zomaar willen verpatsen! Istanbul reageerde karakteristiek, met een schouderophalen: men zag spoken in Palestina. Dachten ze nou echt dat die anderhalve zionist een bedreiging vormde?

Het kasteel bij Afula was overigens door de kruisvaarders gebouwd, en niet door Saladin. Maar deel van het natie-zijn, schrijft Ernest Renan, is zijn eigen geschiedenis verkeerd te begrijpen. Als er geen geschiedenis voor handen is, dan moet die worden uitgevonden. Nationalisme kan niet bloeien dan alleen op de mythe van een glorieus verleden.

Een tweede component van een nationale identiteit, zeggen de theoretici, is het bestaan van 'de Ander': zonder de Ander is er geen Wij.

Het boek Before their Diaspora (1984) van Walid Khalidi vertelt de geschiedenis van de Palestijnen aan de hand van honderden chronologisch geordende foto's uit de periode 1876-1948. De foto's zijn volgens de auteur en samensteller in de eerste plaats gekozen om hun documentaire kwaliteit, niet om hun esthetiek. Wat onmiddellijk opvalt aan de foto's is dat de Ander, de joodse kolonist, vrijwel niet in beeld komt. En ook als de joden wel in beeld komen, meer en meer naarmate het boek vordert, blijft het camerastandpunt Palestijns.

Het boek is nadrukkelijk onsentimenteel. Veel foto's zijn groepsfoto's: we zien schoolklassen, sportclubs, padvinders, politieke delegaties, trouwerijen, ambachtslieden en fabrieksarbeiders, christelijke en moslimse hoogwaardigheidsbekleders. Het is niet de bedoeling dat wij het verschrikkelijk gaan vinden dat al dit moois nu allemaal is verdwenen. Wat de auteur beoogt is de weergave van een soort 'natuurlijke' continuïteit van het Palestijnse leven voor 1948. Daarnaast moet duidelijk worden dat het groeiende politiek zelfbewustzijn van de Palestijnen niet uitsluitend gevormd werd door de aanwezigheid van joodse kolonisten. Het volgde een zelfstandige koers die vergelijkbaar was met de omringende landen waar ook nationalismes en natie-staten ontstonden, maar dan zonder de zionistische uitdaging. De laatste foto's van het boek zijn actiefoto's van verwoesting en vlucht. Ze vormen een schril contrast met de geposeerde foto's van de zelfbewuste, mondaine middenklasse op de voorgaande pagina's.

Walid Khalidi is ook de samensteller van het boek All that Remains (1992). Terwijl in Before their Diaspora de nadruk lag op de stedelijke middenklasse, staan nu de in '48 verwoeste boerendorpen centraal. Behalve dat dit encyclopedische werk een j'accuse vormt aan het adres van de Israëlische strijdmachten, is er ook iets anders aan de hand. Sinds de jaren tachtig is onder Palestijnse wetenschappers de bestudering van het platteland populair. Dit boek maakt deel uit van een grotere golf publicaties over de Palestijnse dorpen. Terwijl de stedelijke intellectuelen gewoonlijk altijd neerkeken op de ongeletterde Palestijnse boer, wordt de boer door hen nu naar voren geschoven als de personificatie van het Palestijns nationalisme. De zucht naar een authentieke Palestijnse cultuur leverde een keur aan etnografische studies op. Volksvertellingen, besnijdenisceremonies, oogstrituelen, spreekwoorden en zelfs agrarisch gereedschap kregen nu volop de aandacht. Sommige onderzoekers voerden hun folkloristische bevindingen nog veel verder. Zo zou de traditionele Palestijnse klederdracht afstammen van de Kanaünieten, niet toevallig een volk dat er al was toen Jozua met zijn Hebreeën het beloofde land binnentrok. Bij al die aandacht voor het platteland zit zeker ook wat schuldgevoel: veel Palestijnse wetenschappers zijn afkomstig uit stedelijke families en wonen nu in het buitenland, meest in Amerika, waar zij werkzaam zijn op verschillende universiteiten. Het zijn de boerenfamilies die in de vluchtelingenkampen terechtkwamen.

En hoe zit het met de geschiedschrijving over de periode na 1948? Over het Israëlisch-Palestijns conflict zijn bibliotheken vol geschreven. Wie zich wil informeren, kan sociologen, theologen, historici, economen of literatuurwetenschappers van elke denkbare politieke snit raadplegen. Marxisten, liberalen, religieuzen en postmodernen venten allemaal hun eigen theorieën en oplossingen uit. Het hele doodvermoeide conflict dreigt tot symbolen, stereotypen en slogans te worden teruggebracht. Raja Shehadeh, een advocate en mensenrechtenactiviste uit Ramalla, schrijft: 'Soms, als ik in de heuvels loop, kom ik voor een olijfboom te staan, en terwijl ik ernaar kijk, transformeert hij voor mijn ogen in een symbool van de samidin ('de onverzettelijken': degenen die ondanks Israëlische druk aan hun land vasthouden), van onze strijd en ons verlies. Op dat moment word ik van de boom beroofd.' Om de boom de boom te laten zal de Palestijnse geschiedschrijving over de periode na 1948 een poging moeten doen tot ontpolitisering. Dat kan bijvoorbeeld door de politieke retoriek zelf aan de orde te stellen. Een goed voorbeeld van zulke geschiedschrijving is

Armed Struggle and the Search for Peace (1997) van Yezid Sayigh, een rijk gedocumenteerd boek dat kan gelden als een standaardwerk over de Palestijnse nationale beweging van 1949-1993. Een van de clichés over deze periode is dat in de jaren zestig een nieuwe generatie, de Jil al-Thawra (de Generatie van de Revolutie), de Jil al-Nakba (de Generatie van de Catastrofe) afloste. Met andere woorden: het oude lijdensverhaal, dat vooral oog had voor het verleden, maakte plaats voor een revolutionaire drang die gericht was op de toekomst. Voortaan zouden de Palestijnen, door het opnemen van de wapens, hun eigen lot in handen nemen. Sayigh vindt dit PLO-retoriek. Het is waar dat de nationalistische gevoelens zich op den duur in de PLO samenbalden, juist omdat de PLO zich bediende van heroïsche, revolutionaire taal ('de totale bevrijding van Palestina'). Maar intussen had de PLO niets anders voor ogen dan het voortbestaan van de PLO zelf, en vooral: de internationale erkenning van de PLO als de Palestijnse staat-in-ballingschap. De Oslo-akkoorden verschaften de PLO die erkenning en daarom gaat ze tegenwoordig door het leven als de Palestijnse Autoriteit, die misschien op den duur de 'Arabische Republiek Palestina' mag heten.

Wat leren de Palestijnse kinderen straks over de geschiedenis van deze PLO-staat? De intifada was niet de verdienste van de PLO, maar deze dankt aan de intifada wel haar erkenning. Haar moreel gelijk ontleent de PLO aan de honderdduizenden vluchtelingen in Libanon, Jordanië en Syrië, maar na Oslo zijn de vluchtelingen allen gevoeglijk vergeten. Het zal een hele opgave worden om hier nog een smakelijk nationaal epos uit te brouwen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden