De Citroenvlinder: Citroentje moet zich behelpen met roltong

De lente is in aantocht, collega Koos Dijksterhuis constateerde het vorige week al. De dagen worden merkbaar langer, de tjiftjaf en de koolmees zijn gaan fluiten, de stadse tortel heeft al eieren uitgebroed en de eerste bloemetjes van klein hoefblad en speenkruid zijn gesignaleerd. Intussen zijn ook de eerste winterslapers ontwaakt. De ijsbeertjes van Ouwehands Dierenpark zijn naar buiten gekomen. Dat zijn dieren die van nature overwinteren in een warm hol en terend op hun vet, maar veel dieren kennen die luxe niet. De citroenvlinder bijvoorbeeld.

Citroenvlinders (Gonepteryx rhamni) houden een winterslaap, maar niet lekker ergens binnen en zonder te beschikken over een grote vetvoorraad om langzaam te verbranden. Hoe ze het precies doen is me niet helemaal duidelijk, met een lijfje vol antivries of door zich gewoonweg stijf te laten bevriezen en dat dan te overleven, maar dat een vlinder van nog geen gram buiten een vorstperiode kan overleven, is bijna een wonder. Ze overwinteren als volwassen vlinder door zich te verbergen in een groenblijvende plant - een klimop, conifeer of desnoods een grote graspol. Vroeg in het voorjaar komen ze weer tot leven.

Dan moet er worden gepaard en daarna moeten de eitjes afgezet op een geschikte waardplant. Terwijl de meeste familieleden van de citroentjes, zoals koolwitjes en oranjetipjes, daarvoor kruisbloemigen benutten, zet de citroenvlinder haar eitjes af op twee nauw verwante struiken, sporkenhout (Rhamnus frangula) en wegedoorn (Rhamnus cathartica - daar komt uiteraard ook hun soortnaam rhamni vandaan). In de loop van de zomer verpoppen de groene rupsen en komen de vlinders tevoorschijn. De ouders zijn intussen overleden. Het gevolg van deze levenscyclus is dat je twee maal per jaar citroenvlinders kunt zien vliegen; in het voorjaar de ouders die hebben overwinterd en op zoek zijn naar een partner en een struik, en later in de zomer en nazomer de tweede generatie, die in de loop van het najaar aan de overwintering begint. Daartussenin zit een korte periode, eind juni begin juli, waarin slechts weinig citroentjes rondfladderen. Ze zijn dan rups of pop. Maar nu in de nawinter zijn er de vroeg wakker geworden overwinteraars, die om te eten op zoek moeten naar de nog zeldzame bloemen. Een vroeg bloeiend klein hoefblad, een overenthousiast speenkruidje of een vergeten dovenetel, om daar de nectar uit te zuigen.

Volwassen vlinders lijken ernstig gehandicapt als het op eten aankomt. Ze hebben namelijk geen kaken, geen monddelen om mee te knippen, knagen, bijten of kauwen. In tegenstelling tot hun rupsen, die stevige monddelen bezitten waarmee ze het ene groene blaadje na het andere naar binnen werken, moet de volwassen vlinder zich behelpen met zijn roltong, een lang draadvormig rietje. In rusttoestand zit dat als een horlogeveer opgerold verstopt in de kop en wanneer de vlinder zich wil voeden ontvouwt de roltong zich. Via dit vaak centimeters lange rietje kan de vlinder nectar uit een bloem zuigen; de erin opgeloste suikers dienen het dier tot voedsel. Feitelijk is een vlinder daarmee even onbeholpen als een patiënt die na een zware operatie is aangewezen op sondevoeding via een slangetje.

Jelle Reumer is directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden