De charme van de periferie

Terwijl we hier bij ons moeizaam naar de eerste lentedagen toekruipen, viert Australië in een schitterende nazomer het ene cultuurfeest na het andere: steden als Sydney, Perth en Adelaide hebben elk hun eigen ambitieuze kunstenfestival. Veel van wat daar wordt gepresenteerd kennen we ook op de Europese podia, maar de Australische context - een vreemde mengeling van uitbundig exotisme en Britse keurigheid - verleent er telkens toch weer andere accenten aan. Bovendien is men er zich uitdrukkelijk bewust van wat men de charme van de periferie zou kunnen noemen: Australiërs willen de wereld graag tonen dat er nog iets anders bestaat in de internationale Engelstalige gemeenschap dan Londen en New York. Waarmee ze natuurlijk meteen ook laten zien hoe belangrijk de mening van die centra voor hen doorweegt. Net de ambivalentie van de positie maakt hun festivals ook interessant.

Dergelijke festivals, dat verschijnsel kennen we ook bij ons, hebben zo elk hun eigen karakter: een stad geeft zich altijd een beetje bloot in zijn programmatie. In Sydney bijvoorbeeld is een dergelijk gebeuren er altijd op gericht de multiculturaliteit, de progressiviteit en de openheid van de stad te benadrukken, maar tegelijk heeft het allemaal ergens wel iets van groot spektakel, schreeuwerige publiciteit en spetterende feesten - de sfeer van de beruchte Mardi Gras met zijn internationale gay en lesbian parties. Het is alsof Sydney aan de wereld wil tonen dat het ook nog wel iets anders heeft dan die ene prachtige opera aan de zee.

Meer dan duizend kilometer meer ten westen aan de zuidkust ligt Adelaide, de hoofdstad van South Australia, en het festival dat daar tweejaarlijks tijdens de eerste helft van de maand maart wordt gehouden zet een heel andere toon: het wil zich uitdrukkelijk meten met festivals als dat van Edinburgh. Je kunt er dus in een gevarieerd aanbod het ene concert na het andere gaan zien, met onder meer het Kronos Quartet (een afgeladen volle zaal, die de ene na de andere hedendaagse compositie uitbundig toejuicht) of Jordi Savall (verstild solo in een prachtig sobere kathedraal); je kunt er in het bestek van een paar dagen Messiaen, Gubaidulina en Scriabin gaan beluisteren, “Russisch constructivisme op de piano”, Rossini in klavierbewerkingen, maar ook het Australian String Quartet met een Beethoven-programma, het Amsterdams Barokorkest met Ton Koopman, of een Australische vesie van Mozarts Toverfluit. Als er één ding is waar ze in deze enigszins pronciale maar aangename stad een hekel aan hebben, dan is het aan het eendimensionele. Wellicht daarom dat ze dan toch, als organisator dit jaar, de hippe, enthousiaste Barrie Kosky uit Melbourne hebben aangetrokken. De enigszins victoriaans aandoende hang naar degelijkheid werd op die manier soms verrassend gecompleteerd met programmaties die in een uit de Britse geest ontsproten gemeenschap toch nog altijd voor moeilijkheden of censuurproblemen kunnen zorgen: zo bijvoorbeeld de New Yorkse post porn modernist kunstenares Annie Sprinkle (op de naaktfoto van de aankondiging werden haar borsten in verscheidene kranten voorzien van een zwarte band met het woord censored erop), of zelfs, in de filmprogrammatie, moeilijkheden omwille van een naaktscène in Identificazione di una donna van Antonioni. En Malcolm McLaren, de man die de Sex Pistols groot maakte en die in een lange witty monoloog zijn hele verhaal aan de hand van een slides-show komt doen, kan in de plaatselijke kranten op weinig gulheid rekenen: men toonde zich vooral geërgerd over de blasé waarmee de show als cyber-event werd aangekondigd, en ging voorbij aan McLarens' schitterend cynische uitspraken over de Britse samenleving.

In de Biennale van de Australische hedendaagse kunst kan een plexiraam met Australische Blow-flies (van de kunstenaar Craige Andrae) nog op een stevige ouderwetse rel in de media rekenen, met talloze verontwaardigde brieven en een van intolerantie bol staande titel als Nonsense which masquerades as art should be banished. Kosky vecht er zich allemaal door met pretoogjes en een brede, zij het nu en dan vermoeide glimlach.

Het meest in het oog springend is het aanbod van de podiumkunsten: internationaal, gevarieerd en verrassend. De Handspring puppet company uit Johannesburg breng er haar poëtische, magische poppenkastversie van Woyzeck (verliefd op een mooie zwart-Afrikaanse Marie), het Deense Hotel Pro Forma is er met een Orfeo-bewerking, het spectaculaire La fura dels Baus uit Barcelona met haar laatste produktie M.T.M., er is een adembenemend mooie voorstelling van The whirling derwishes, een groep mystiek dansende moslim-priesters uit het Turkse Conya, een op veel effect gebaseerde show van de Israëlische Batsheva Dance Company, maar daarnaast ook bescheidener events als een exotische voorstelling rond de stichter van Adelaide, Colonel Light, gebaseerd op een tekst van de geïmmigreerde Britse schrijver Paul Carter, gespeeld op wisselende lokaties langs de rivieroevers van de Torens, in de door krekels en kleine vlammetjes betoverde nachtelijke warmte.

Het meest in de smaak van het brede publiek valt echter het Mali-theater uit Petersburg - en overweldigend getalenteerd gezelschap dat in twee shows van elk twee uur (Gaudeamus en Claustrophobia) in een afwisseling van Russische slapstick, bijtende kritiek op de hedendaagse Russische samenleving en de erfenis van het communisme elke avond voor bomvolle zalen zorgt. Australiërs lachen graag en luid: er wordt al gegierd van de pret als de eerste acteur zich op de scène vertoont, en dat gaat alleen maar in stijgende lijn, ook als de melancholie en de poëtische momenten voor verstilling zouden moeten zorgen. De Russische acteurs, de meesten met door de zon verbrande huid vanwege het uitblazen aan het hete strand van Glenelg in de baai van Adelaide, worden er zichtbaar door gestimuleerd.

Zelf reisde ik mee met het dansgezelschap van de New Yorkse choreografe Meg Stuart, die voor de Belgische vertegenwoordiging zorgde - haar dance company Damaged Goods heeft sinds enkele jaren haar vaste stek in Brussel. Het is opvallend hoe nieuwsgieirg en open een groot deel van het publiek op deze complexe, vaak sterke concentratie vereisende choreografieën reageert: rumour spreads als een voorstelling goed en boeiend is, en Meg Stuarts voorstellingen raken dan ook moeiteloos uitverkocht.

Het spreekt vanzelf dat het moeilijk is om tegenover dit internationaal aanbod nog produkties van eigen Zuid-Australische bodem te plaatsen die zonder meer stand kunnen houden. Enkele van deze voorstellingen - onder meer een door studenten bewerkte versie van een stuk uit Karl Kraus Laatste dagen van de mensheid - gespeeld in een industriële ruimte in de suburbs, vond ik ondanks het amateurisme in de regie meer dan de moeite waard, omdat dit soort voorstellingen iets overweldigends, naïefs en vitaals hebben, een soort van frisheid die men in dit land, dat zichzelf graag afficheert als de echte new young world, hoog in het vaandel voert. Andere voorstellingen (The black sequin dress) vallen dan weer hopeloos door de mand.

Zoals dat bij alle grote festivals hoort, is er ook hier ruimte voor een tegenprogrammatie vanuit de marge: het Fringe-programma biedt iedereen die de officiële voorstellingen te highbrow of te elitair vindt alle ruimte voor extravagante straatkunstenaars, min of meer toevallige shows en een plek om alternatief door te zakken. Tegelijk biedt het festival zelf een dergelijke alternatieve plek voor de ingewijden aan: met zo'n tweehonderd containers werd op een grote parking een ruimte gecreëerd waar alle artiesten en organisatorisch betrokkenen, op vertoning van hun Festivals Friends-pasje, tot laat in de warme nacht kunnen doorzakken op muziek van eskimobandjes of muziek uit de townships. De enige grote afwezige in dit internationale gezelschap is de Aboriginal: nagenoeg volkomen afwezig in het straatbeeld, geen actieve programmaties waar ze zelf in te vinden zijn, al helemaal geen actieve participatie in de programmering (de idee alleen al komt veel blanke Australiërs als volkomen absurd over), hoogstens een uiterst genuanceerd bedoelde discussie die de modale Europeaan moet duidelijk maken dat hij hier niets van begrijpt en daar geen mening over hoeft te vormen. De Australische rassenscheiding wordt, in deze van political correctness bol staande samenleving, steevast uitgelegd als een zaak van subtiel ecologisch bewustzijn en complexe culturele verhoudingen, waardoor elke rechtstreekse vraag bijna als een belediging voor de intelligentie wordt ervaren. Schrijvers als Robert Hughes (auteur van de grote studie over de kolonisatie, The fatal shore), of Bruce Chatwin (The songlines), worden hier meewarig glimlachend of zelfs geïrriteerd opzij geschoven. Toch blijf je achter met een soort angstige verbazing als je de paar Aboriginals die Adelaide rijk is 's avonds in een parkje ziet samentroepen, onaangedaan door al het fraais multicultureels in deze stad, schooiend naar een dollar of een sigaret. Even verderop staat, in de drukke winkelstraat Rundell Mall, een Aboriginal gitaar te spelen: tot mijn verbijstering hoor ik een perfecte imitatie van de nasale sound van Bob Dylan.

Naast deze wervelende programmatie - je bevindt jezelf meer dan eens nog uithijgend van de rush na een voorstelling al weer in de rij voor een volgende - organiseert Adelaide ook een inmiddels internationaal gewaardeerde Writers' Week, waarin meer dan dertig schrijvers aan bod komen. Geprogrammeerd in twee grote open tenten onder de palmbomen, recht tegenover de Festival Grounds, kan deze marathon van een week - met een verbijsterend tempo van zes tot acht individuele lezingen, twee panelgesprekken en minstens twee voorstellingen van nieuwe boeken per dag - op een eindeloze stroom van uiterst aandachtig luisterende bezoekers rekenen.

Elke tent heeft gemiddeld zo'n driehonderd bezoekers, die, als een lezing tegenvalt, moeiteloos in de tent aan de andere kant kunnen gaan meelachen met de stiff upper lip jokes van Rupert Thomson, Maclcolm Bradbury of de priemend intelligente statements van Annie Proulx, een enigszins hilarisch ogende les filosofie van Jostein Gaarder, de lijzig cool blijvende joodse dichteres Lily Brett (Australisch van geboorte, maar nu in New York verblijvend, iets wat haar tot prachtige persiflages inspireert), of de mooie verhalen over onbetreden landschappen van de Amerikaanse schrijver Barry Lopez. Hier heerst een milde sereniteit, een ontspannen openheid die je zelden in Europese zalen vindt. Bovendien staan er microfoons in de grote tenten, zodat het publiek op elk ogenblik vragen kan stellen aan de sprekende auteurs. Er gaat geen lezing voorbij of die vragen komen er, hoe verpletterend de hitte op sommige middagen ook is. Soms gaat het alleen over het feit dat iemand tot tranen toe bewogen is omdat hij of zij iemand heeft horen spreken wiens of wier boeken men hevig bewondert.

Voor schrijvers is het Adelaide-festival dan ook een klein festival. Dat heeft niet alleen met het publiek te maken, maar ook in belangrijke mate met een organisatorische vondst die deze writers' week bij schrijvers beroemd heeft gemaakt: als compensatie voor hun jetlag wordt de overseas writers een driedaagse retraite in een prachtige wijnvallei aangeboden, waar iedereen een eigen huisje ter beschikking krijgt, inclusief een schrijftafel, een terrasje en wat tuinstoelen. Bij het gekrijs van honderden collega's (een soort Australische papegaai) in hoge eucalyptusbomen, met in de verte de Provence-achtige heuvels, raakt iedereen met iedereen bevriend zodat het gezelschap in het openingsweekend uiterst opgewekt en tot alles bereid wordt afgekieperd voor een officieel diner in de zich tot feesten opmakende stad. Lichte euforie maakt zich van iedereen meester, en als de stroom van door grote Australische uitgevers georganiseerde booklaunches op gang komt (Random House, Allen and Unwin, Vintage, Chatto & amp; Windus, Penguin Australia), kan de week voor veel auteurs blijkbaar niet meer stuk. Dit 'cadeautje' aan de schrijvers heeft echter ook een goed berekende, efficiënte kant: het niveau van de debatten wordt door de inmiddels gegroeide onderlinge verstandhouding tussen de auteurs meteen stukken opgetrokken. Aan de andere kant heeft dit alles ook iets vluchtigs, want de oneliner-cultuur scoort hier erg hoog; er worden zelfs anthologietjes van gemaakt in de plaatselijke kranten. De meeste Engelstalige schrijvers weten dit en geven het publiek graag wat het verlangt. Festivaltijgers als Malcolm Bradbury spelen daar feilloos en lichtjes hilarisch op in. Alleen de schrijver J. M. Coetzee blijft bij dit alles ascetisch onbewogen, maar hij levert zich net zo goed met overtuiging uit aan het luisterende publiek.

Zoals je je kunt verbazen over de afwezigheid van de in veel gesprekken wél aanwezige Aboriginal wat betreft de programmatie van de podiumkunsten, zo kun je al evenzeer vragen stellen bij de bijna volledige afwezigheid van anderstalige auteurs in de Writers' Week: 'internationaal' betekent hier vooral de Angelsaksische internationale. Geen Oosteuropese, geen Spaanse, geen Duitse, geen Italiaanse schrijvers. Wat de Franse schrijvers betreft was het een beetje droevig verlopen: Amin Malouf en Jean Rouaud werden uitgenodigd, maar moesten beiden afzeggen. Er heerste bij de organisatie dan ook een beetje een gevoel van: aan ons kan het niet liggen. Uit Nederland waren twee schrijvers gevraagd, maar die waren beiden niet op de uitnodiging ingegaan. Een auteur als de Indiase Vikram Chandra woont en werkt dan weer al lang in de States. En verder waren er al evenmin Afrikaanse, Aziatische of schrijvers uit de islamwereld te bespeuren. Australië is in dit opzicht zijn complexe geografische en culturele positie misschien toch wel iets meer 'scope' verschuldigd: in bepaalde scholen kan men er inmiddels bijvoorbeeld het Chinees als tweede taal kiezen - en dat getuigt, gezien de nabijheid van de groeiende reus, alleen maar van realiteitszin.

Aan iemand van het Australische Goethe-Instituut vroeg ik waarom men bijvoorbeeld geen Duitse auteurs had uitgenodigd. Volgens hem lag dat aan het feit dat men hier van een geslaagde lezing een vlotte babbel verwacht, zonder toestanden met simultaanvertalingen en gebrekkig Engels sprekende auteurs, en moest men van het Australische publiek ook niet meer verwachten. Maar als ik de kwestie tijdens mijn lezing aankaartte en Poetry International in Rotterdam aanhaalde als voorbeeld - waar je op een dag Hongaars, Chinees, Italiaans, Amerikaans en Spaans kunt horen en vervolgens de vertaling krijgt - kreeg ik alleen maar enthousiast instemmende reacties bij het publiek. Het is dus niet duidelijk aan wie deze op New York en Londen gerichte invulling van het internationale ligt: heeft het te maken met de zeer duidelijk voelbare greep van de uitgeverijen op dit gebeuren - uitgeverijen die alle uit hun Britse moederondernemingen zijn gegroeid? Australië is een uiterst multiculturele gemeenschap, maar in literaire termen wordt daar haast uitsluitend in wat je alleen maar als een 'Britse' geest kunt aanduiden, over gepraat.

Maar dàt er over gepraat en nagedacht wordt, is overtuigend duidelijk. De affaire van de jonge Oekraïnse schrijfster Helen Demidenko vorig jaar - die een herhaaldelijk bekroond boek schreef met een wel erg van het gangbare beeld afwijkend verslag van de spanningen tussen joden en Oekraïners tijdens de tweede wereldoorlog - groeide in heel Australië uit tot een nationaal debat over literatuur en ethiek. Er verschenen minstens drie boeken die de hele zaak uitvoerig hebben uitgespit, en waarin zelfkritiek door intellectuele Australiërs niet werd geschuwd.

Al met al kun je er niet onderuit: alle Europese kwesties worden hier onder een subtropisch uitbundige zon met man en macht verdergezet - maar dan vanuit het besef dat ze dit alles heel anders willen invullen dan Europa zelf. Het zou goed zijn voor de Australische identiteit en de eigen problematiek als men zichzelf hier wat minder als de periferie, en Europa wat minder als de maat van alle dingen zou beschouwen. Misschien had Paul Keatings Labor-partij, die op meer autonomie aanstuurt ten opzichte van Londen, de verkiezingen van het weekend waarin het Adelaide Festival begon toch niet mogen verliezen - daar waren alle Australische auteurs het in elk geval over eens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden