De chantage van succes zet waarden op hun kop

Hoe traag wordt een dier getemd? In hoeveel tijd wordt een koraalrif gebouwd? Hoelang duurt het om een gletsjer te vormen? Hoelang duurt het om gras plat te lopen tot een pad? En hoelang duurt het om zich tot kunstenaar te ontwikkelen?

'Mannetje, mannetje, tumpe-té

Botje, botje in de zee

Isabel, mijn eigen vrouw.

Wil niet zoals ik wel wou.'

Ik herinner mij...

Wanneer komen de deugden in ons leven?

Ongetwijfeld heel vroeg. Van zo gauw men ons enige redelijkheid toedicht en ontvankelijkheid voor woorden en voor vermanende vingers, worden wij gevoed en gevoederd met moraal en deugdelijkheid. Er kleeft een sterke herinnering aan mijn eerste ontmoeting met de deugd bescheidenheid.

Ik herinner mij...

Ik herinner mij het verhaal van 'De Visser en zijn vrouw' dat mijn vader meermaals voorlas uit het grote boek met sprookjes van de gebroeders Grimm en waarvan ik het almaar weerkerende versje over het mannetje in de zee - wellicht vanwege zijn bezwerende muzikaliteit - nog steeds feilloos uit het hoofd kan opzeggen.

Een arme visser vangt op een dag een bot, die een betoverde prins blijkt te zijn en die hem smeekt hem zijn leven te laten. De visser smijt hem weer in het water. Maar als hij het gebeurde thuis aan zijn eer- en heerszuchtige vrouw vertelt, stuurt die hem terug naar de zee om aan de bot een beloning te vragen. De put waarin de visser en zijn vrouw woonden wordt omgeruild voor een hut en daarna voor een kasteel. Maar nog is de vrouw niet tevreden; telkens en telkens weer stuurt ze haar man naar de branding om het mannetje in de zee op te roepen en hem om nieuwe gunsten te vragen. De wolken worden steeds donkerder en dreigender, de zee kleurt van geel naar paars en zwart en wordt steeds onstuimiger. De vrouw wil koning worden en daarna keizer en dan nog paus. Tot ze ook de zon en de maan wil laten opgaan, tot ze met andere woorden onze lieve heer zelve wil zijn en om zoveel hoogmoed, heerszucht en ijdelheid door de bot gestraft wordt met een terugkeer naar haar oorspronkelijke put. Het verhaal maakte diepe indruk op mij en - ik laat in het midden of mijn interpretatie juist was of niet - ik ervoer het sprookje als een ernstige aanmaning om bescheiden door het leven te gaan, beleefd, niet veeleisend, niet aanmatigend.

Ik wil het hier echter niet zozeer hebben over mijn kinderlijke invulling van de deugd der bescheidenheid, maar wel over hoe die bescheidenheid vandaag losgemaakt kan worden uit het eenzijdige keurslijf van de moraal en geïnvesteerd kan worden in een meer omvattende levenshouding: hoe zij een attitude kan worden die ingaat tegen de aberraties van deze tijd, hoe zij een rol kan spelen in onze relatie ten opzichte van artistiek werk, hoe zij zich zelfs kan metamorfoseren in een methode, een manier van denken.

Ik kan niet verklaren waarom maar ik wou pogen de betekenis van de deugd bescheidenheid te ontrafelen beginnend bij de dood en bij het bos. En waar komen die twee mooier samen dan in de proloog van het eerste hoofdstuk van dat wonderlijke boek van Simon Schama 'Landschap en Herinnering': vanaf de grafheuvel van Giby waarop de namen van de honderden door Stalins veiligheidspolitie geëxecuteerde Polen prijken, kijkt men er uit over het door de eeuwen heen schijnbaar onaangetaste Poolse oerbos. De grootsheid van de natuur enerzijds en de onontkoombaarheid van de dood anderzijds dwingen ons tot buigen, tot bewonderen, tot (be)rusten.'S'incliner' zou men in het Frans samenvattend zeggen. Staande tegenover de grote dingen van het leven en de natuur past enkel nog een houding van nederigheid en bescheidenheid; staande tegenover de onafwendbare dood kan enkel nog stilte en innerlijkheid heersen. 'De ijdelheid van het dagelijks bestaan' krijgt er haar volle betekenis die zowel de pronkzucht als de vergankelijkheid omvat én verwerpt.

En weer komt ons het beeld voor de geest van de groten der aarde die in de Middeleeuwse dodendansen have en goed, sieraden en tekens van de macht achterlaten, zich in de kring begeven en verplicht worden de hand te reiken zowel aan hun arme onderdanen als aan magere Hein.

In 1928 zong Bertolt Brecht reeds in zijn Dreigroschenoper:

,,Denn die einen sind im Dunkeln

Und die andern sind im Licht.

Und man siehet die im Lichte

Die im Dunkeln sieht man nicht.'

Zonder in clichés te willen vervallen over het huidige belang van de media en de informatica kunnen we toch stellen dat we door de werking van die media getuige zijn van een democratisering van het succes. Het lijkt wel alsof een absolute overmoed, een gevoel van 'alles kan', dat zich ook omzet in 'ik kan alles' - een gevoel dat wellicht vergelijkbaar is met die overmoed bij de industrialisering in de negentiende eeuw - zich van de mens in dit digitale tijdperk heeft meester gemaakt. Een bescheidenheid ten aanzien van deze ontwikkelingen vindt wellicht zijn uitdrukking in een houding waarbij men met de twee voeten op de grond poogt te blijven, waarbij men het leven in zijn eenvoud blijft beschouwen en zich niet laat meeslepen in dromen van verovering en succes.

Andy Warhol zei reeds dat in Amerika iedereen wel eens de kans krijgt om gedurende tien minuten wereldberoemd te zijn. Jean Baudrillard gaf daaromtrent in zijn boek over Amerika ('Amérique') het voorbeeld van een man die het verkeerde vliegtuig nam en in plaats van gewoon in Oakland nabij San Francisco te belanden in Auckland, op Nieuw Zeeland terechtkwam: hij was de held van de dag, werd ontelbare keren geïnterviewd en er werd zelfs een film over hem gedraaid.

Succes wordt tegenwoordig als normaal beschouwd. Iedereen die maar even moeite doet, kan ervan meeproeven; er zijn wedstrijden en spelletjes genoeg waarbij men in de prijzen kan vallen. De chantage van het succes zet de gebruikelijke waarden op hun kop: wie niet in de prijzen valt, wordt een uitzondering. En wordt dat daardoor misschien opnieuw een na te streven ideaal? Zoals in die tekening van cartoonist Zak, waarop je een man naast een haast lege boekenkast ziet zitten; op elke plank staan een of twee dunne bandjes; en in een hoek van de tekening zegt de ene vriend-commentator tot de andere: 'hij leest enkel niet-genomineerde boeken'.

Het verlangen in het licht te staan blijkt vandaag een dwingende noodzaak geworden te zijn. In België heeft jarenlang een openbaar omroepsysteem van radio en televisie het medialandschap gedomineerd; toen daar zo'n tien jaar geleden een einde aan kwam voelde die openbare omroep dringend de behoefte zich aan te passen aan de zogenaamde uitdagingen van nieuwe commerciële concurrenten: de medewerkers van deze vroegere 'openbare' omroep werden niet alleen verplicht zich te buigen naar kijk- en luistercijfers maar zich ook te concentreren op vraagstukken als selfpromotion en imagebuilding. Het gevolg was een volkomen verkleutering van die openbare omroep.

In deze tendens worden tegenwoordig niet alleen politici maar ook voorheen serieus geachte commentatoren betrokken. Vanuit alle maatschappelijke milieus voelt men zich geroepen deel te gaan uitmaken van het mediacircus en zichzelf te promoten als wat wij nu B.V.'s noemen: Bekende Vlamingen. Ook eerbiedwaardige professoren die voorheen wijs en bescheiden door het leven gingen, blijken niet resistent voor de om zich heengrijpende mediageilheid. Je ziet dan sommige mensen die je om hun standpunten hoog acht, jarenlang weerstand bieden en je ziet ook hoe ze plots, eens 'gevraagd', opduiken in allerlei panelgesprekken en daarna in spelletjes, quizprogramma's en kookuitzendingen.

Ook culturele items 'genieten' van een algemene maatschappelijke opwaardering door de media-aandacht. Het discours omtrent kunst ging sinds het postmodernisme deel uit maken van de kunst zelf; maar tegenwoordig eist het discours meer en meer zijn zelfstandige plek op en acht zich zo belangrijk dat het de kunst zelf wil substitueren. Zij die nadenken over kunst, worden door het hele mediacircus in de war gebracht.

Zeldzaam zijn diegenen geworden die niet uit zijn op snel succes. Grote kunstenaars als Giacometti schreven het 'J'ai jamais réussi' in hun vaandel en voor Tarkovski was een geestelijke crisis altijd een teken van gezondheid. Men is het gewoon geworden op de pieken van de glorie te leven en weinigen zullen nog deze evidente, met-de-twee-voeten-op-de-grondse waarheid erkennen dat om bergtoppen te bereiken men ook door dalen moet gaan.

In zijn rede bij de in ontvangstneming van de Nobelprijs pleitte Günter Grass voor die schrijvers die zich niet scharen aan de kant van de overwinnaars in de geschiedenis maar die men terugvindt ,,op de plek waar de verliezers van historische processen langs de lijn staan en veel te vertellen hebben maar niet aan het woord komen. Wie hun een stem geeft', zegt Grass, ,,stelt de overwinning ter discussie. Wie zich tussen de verliezers begeeft, is een van hen'.

Ik begrijp de woede van die massa heel goed die in oktober 1996 door de straten van Brussel liep en wier betoging in ons geheugen blijft gegrift als 'De Witte Mars', diegenen die opkwamen tegen de laksheid van de overheid en van het juridische apparaat in verband met de vermoorde en de verdwenen kinderen. Was dit niet de woede van 'die im Dunkeln', van mensen die dag in dag uit in volle bescheidenheid hun best trachten te doen om eerlijk door het leven te gaan en die zich plots voor schut gezet voelen door hoger geplaatsten? Krijgt bescheidenheid in die maatschappelijke context niet niet alleen een morele maar ook een politieke betekenis?

Met het verdwijnen van het communisme als alternatief werd in de voorbije jaren onze relatie met de utopie overhoop gehaald. De democratisering van het succes heeft vervolgens de voor een mensenleven zo essentiële relatie met de droom, met het verlangen, verder ondergraven. Het schijnt alsof we binnen deze maatschappij aan al onze verlangens in één twee drie kunnen voldoen. Maar alle dagen confronteert de werkelijkheid ons ermee dat dat niet zo is.

In 1635 schreef de Spaanse auteur Pedro Calderon de la Barca: ,,Wij leven in een zonderlinge wereld waarin het leven zelf een en al droom is, en alle mensen dromen wat ze zijn tot ze ontwaken. Is glorie dan zozeer gelijk aan droom dat ware glorie leugenachtig is?'

Als het leven een droom geworden is, dan is de maatschappij een theater waarin wij rondlopen als acteurs, hopend op een applaus bij elke daad die wij verrichten.

Ik heb altijd gedacht dat je niet alleen 'met je tijd mee moet gaan' maar ook 'tegen de stroom in', dat je niet alles klakkeloos moet slikken wat in een tijd aan de orde blijkt te zijn. Tegenover de digitale euforie kan een stevige dosis aan bescheidenheid haar maatschappelijk nut bewijzen.

Helemaal op het einde van zijn toneelstuk Cyrano de Bergerac laat Edmond Rostand zijn held zeggen: ,,Wat zegt u? Het is nutteloos? Ik weet het! Men vecht niet met de hoop op succes! Neen! neen! het is veel mooier als het nutteloos is!'.

Dit personage Cyrano is wel het toppunt van bescheidenheid en timiditeit. De man in de schaduw. De man die zijn bescheidenheid zonder probleem ook als lafheid, gemakzucht, gebrek aan ambitie wil bekennen; een belangeloosheid die zich als nutteloosheid ontmaskert. Bescheidenheid is een schone deugd maar je komt er niet ver mee...

Maar moeten we dan wel zo nodig zo ver komen? En wáár moeten we dan komen?

Terug naar het bos en de bomen. In het autobiografische boek over zijn jeugd, 'Asunaro', beschrijft de Japanse auteur Yasushi Inoue zijn eigen leven als dat van de doodgewone boom, de asunaro, die elke dag tot zich zelf zegt: 'morgen zal ik een ceder zijn', en die het nooit wordt. De Afrikaanse auteur Ben Okri spreekt over de nutteloze boom die zich, zo vindt een voorbijganger, zou moeten schamen: ,,Vind je? zegt de boom. Kijk eens naar die nuttige boom daar. Die hebben ze omgehakt. En die prachtige plant daar. Daar maken ze kruiden van. En die mooie bloem hangen ze aan de muur en zetten ze op tafel. Mij laten ze met rust.' Okri beschrijft de zegen van het nutteloos zijn.

Ik denk dat het omarmen van de bescheidenheid een enorme vrijheid kan geven; wie niet verhangen is aan ambitie en succes, wie niet zonodig moet scoren, kan van de bescheidenheid een grote kracht maken; kan niet gekweld of gehinderd door ijdelheid vrij zijn eigen weg kiezen.

Wie op een toneel gaat staan pretendeert iets: hij wil iets vertellen, iets voorstellen. Acteurs en ijdelheid: die twee begrippen worden vaak in één adem genoemd. Men ziet een acteur vaak als die vlieg in de fabel van Aesopus, die zittend op de as van een strijdwagen tot zich zelve zucht: 'Wat een stof jaag ik toch op!'

Maar tegelijkertijd zijn acteurs ook mensen die elke avond het risico nemen op hun bek te gaan. Niet zelden zijn het eigenlijk timide personen, die niet zelf op de voorgrond willen treden, maar dat eventueel wel willen doen als zij vermomd kunnen zijn in de huid van een personage.

,,Een kunstenaar', schreef Andrej Tarkovski, ,,heeft de plicht terughoudend te zijn. Hij dient zijn gevoelens en betrokkenheid te beheersen, hij heeft het recht niet zijn hart onbeperkt uit te storten: hij dient in een Olympische kalmte aan iedere emotie vorm te geven. Alleen dan kan de kunstenaar uiting geven aan zijn bewogenheid.'

Is dit soort van hoogtepunt in de kunst niet het bereiken van een nulgraad -is dat misschien de ware betekenis van abstractie?- een nulgraad, die veel van doen heeft met een bescheidenheid, een terughoudendheid waarin niets nog gepretendeerd wordt, waarin de dingen zijn wat ze zijn in hun blote essentie, waarin niets nog 'ten toon gespreid wordt', waarin men afziet van alle mogelijke middelen om iets mooi of overtuigend te maken?

Wat een geluk dat het perfecte kunstwerk niet bestaat! Aan de nulgraad in de kunst beantwoordt een vorm van nulgraad in het denken. Die nulgraad in het denken heeft te maken met het proberen de dingen te zien zonder ze te interpreteren, met het proberen vaststellen dat de dingen slechts zijn wat ze zijn.

,,Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn', schreef Pessoa, ,,en dat er niks te begrijpen valt. De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan. De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen'.

Vroeg of laat doe je bij jezelf de ontdekking dat dé waarheid, dé objectiviteit, dé zekerheid waarin ouders en leraren je willen doen geloven niet bestaat; en het is spijtig dat je zoveel tijd nodig hebt om daar achter te komen. De complexiteit van de werkelijkheid verdraagt de vernauwing tot één enkele waarheid niet. Er is zoveel te weten, te ontdekken, te onderzoeken, dat we dit geheel aan kennis slechts met uiterste bescheidenheid tegemoet kunnen treden en van bij aanvang moeten beseffen, dat wat we werkelijk zullen doorgronden slechts een fractie van het kenbare is. De euforie omtrent de digitale revolutie kan dit besef niet aantasten.

De dagen van de grote zekerheden die alles in één keer willen omvatten zijn voorbij, zowel voor de kunst als voor de wetenschap: we worden achtergelaten met meer vragen dan antwoorden. Het is tijd nu voor een bescheidener denken, waarin de eenvormigheid plaats maakt voor het verbrokkelde, waarin de eenheid meer gevoeld wordt dan beleden, waarin aandacht overtuiging vervangt, waarin het geheim nog een hoekje heeft en waarin de verbeeldingskracht, bevrijd van de ijzeren banden om haar hart, de behoedzame of roekeloze stappen zet die zij nodig acht.

Heeft bescheidenheid - zowel in het domein van de kunst als in het domein van het denken - ook niet iets te maken met hardnekkig, jarenlang met iets bezig kunnen zijn zonder tussentijds applaus, met onderzoek dus, met de fascinatie voor heel trage processen, met het geduld van het wachten tot je iets kan bemeesteren? En heeft ook dát vandaag geen maatschappelijke dimensie? Bevestigt dat ook niet de bescheidenheid als 'politieke' tegenkracht?

Hoe traag wordt een dier getemd? In hoeveel tijd wordt een koraalrif gebouwd? Hoelang duurt het om een gletsjer te vormen of een schelp? Hoelang duurt het om gras plat te lopen tot een pad, om stenen te laten uitschuren door het water? En hoelang duurt het om zich tot kunstenaar te ontwikkelen, om meester te worden in een vak?

,,Men moet', zei Vaclav Havel, naar de wereld ,,luisteren en de polyfonie van haar vaak tegenstrijdige boodschappen horen. Men moet leren wachten, zoals men leert te scheppen'.

In de laatste film van Tarkovski, 'Het Offer', drukt Alexander, het hoofdpersonage, de overtuiging uit dat als je elke dag, op hetzelfde uur, dezelfde handeling blijft verrichten -logisch, systematisch, exact- dat dan de wereld zal veranderen. Aan het einde van die film zien we hoe zijn zoon, het jongetje dat niet kan spreken, met een emmer naar de dode boom loopt om hem water te geven, elke dag opnieuw, tot hij ooit...

In zijn boek 'De Thee-meester' beschrijft Yasushi Inoue de verschillende stadia die een Japanse thee-zetter gedurende zijn leven doorloopt: om de tien jaar een andere opdracht, van de doorgedreven imitatie van de leermeester, over het verzet tegen die meester, naar de absolute sereniteit bij die simpele daad van het schenken van thee. Wanneer ben je klaar met je vak? Nooit, tenzij op je sterfbed...

De weg naar het absolute bemeesteren van een vak is ook een weg die gekenmerkt wordt door uitpuring, door een constant zoeken naar een steeds grotere eenvoud. Het is een weg die men in eenzaamheid gaat, niet die eenzaamheid die iemand onrustig en verdrietig maakt, maar het goede alleenzijn dat men nodig heeft om die vormen te zoeken waarmee men uitdrukking kan geven aan zijn bedenkingen en gevoelens omtrent de wereld en het leven.

Het is ook de weg waarin men die oneindige vrijheid ervaart, beschreven door Primo Levi, van het plezier hebben in zijn werk en het zich grenzeloos overgeven aan dat plezier, het zich ondergeschikt maken aan de noden van de arbeid.

En dan vraag ik me ook af: heeft dit soort van verliefde bescheidenheid in het werk, dit dag aan dag 'zorgen' misschien iets met vrouw zijn te maken?

En dan is er nog dat verhaal van die Middeleeuwse Japanse schilders die op het toppunt van hun roem wegtrekken van het hof waar ze verblijven, van naam veranderen en in een andere stijl opnieuw beginnen.

En dan... Enzovoorts, enzovoorts.

Tot slot en ten tweeden male: van de bescheidenheid, de bomen en de dood.

Het bos van Giby, de asunaro van Inoue, de nutteloze boom van Okri, de dode boom van Tarkovski: wat hebben zij en de dood die hen omgeeft met bescheidenheid te maken? Waar komt dit alles samen? In de bescheidenheid als kracht? In de bescheidenheid als middel om te overleven? Of in het verhaal van Ovidius over de twee oudjes Philemon en Baucis: ,,En door hun armoe toe te geven en er tevreden mee te leven, maakten zij die licht'. Philemon en Baucis die de in mensengewaad vermomde Jupiter en Mercurius ontvangen en die hen als enigen in de hele streek van een vorstelijk maal voorzien -zoals het de gastvrijheid voor de vreemdeling past- en die aan het einde van hun leven -omdat de ene niet verder wil zonder de andere, omdat het hun vurigste wens is samen te sterven- door de goden in bomen veranderd worden. Dood zijn en toch verder leven dankzij hun bescheidenheid, dankzij het feit dat zij, in al hun armoede, gegeven hebben wat ze konden geven.

En dan...: zit er onder die wens samen te sterven niet de weinig bescheiden verwachting van een gelukkige liefde? Gaat niet elk gevoel, elke houding -ook de bescheidenheid- zwanger van haar tegendeel?

'Gelukkige liefde. Is dat normaal,

is het belangrijk, is het nuttig -

wat moet de wereld met twee mensen

die de wereld niet meer zien?'

vraagt Wislawa Szymborska zich af. Is dát wat we allemaal wel van het leven verlangen, namelijk om de weg met z'n tweeën te lopen, al niet meteen een uiting van hoogmoed? En geeft de wereld zoals hij vandaag draait ons niet op evidente wijze alle reden om boos en opstandig te worden? En die wereld niet te nemen zoals hij is? Moet de rustige bescheiden observator vandaag niet zijn jasje aan de haak hangen, de strijdbijl opgraven en op die lang verdwenen barricaden gaan staan? De opstandigheid is vandaag zeker een even geldige deugd als de bescheidenheid, maar daar moet dan maar een andere keer een ander verhaal over gehouden worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden