De burger en de politiek

Mr. H. A. F. M. O. van Mierlo, voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van D66, verzorgde gisteravond in Gouda de Coornhertrede. De Coornhertprijs voor sociale vernieuwing 1992, waaraan een bedrag van 100 000 gulden is verbonden, ging naar de Stichting Zwerfkinderen Nederland.

Zijn vader was ook taxichauffeur geweest. Hij zei het alsof hij zich verontschuldigde voor een erfelijke ziekte. De rit duurde lang. De stoplichten zaten tegen. De hitte was moordend. Bij de vierde opstopping knalde hij uit elkaar. Met een rood aangelopen kop begon hij te schelden. Aanvankelijk dacht ik dat hij de chauffeur van een auto naast ons op het oog had. Maar nee: gaandeweg bleek het president Jefferson te gelden. Hoe die het toch in zijn stomme hoofd had kunnen halen om hier in dit stinkende, bloedhete moeras de hoofdstad te bouwen. Terwijl honderd kilometer verderop in de Blue Ridge Hill's een prachtig alternatief met een heerlijk klimaat voorhanden was geweest en alleen vanwege eigen belangen had die stomkop voor het moeras gekozen en daar stond hij nou, met zijn kapotte airco. En zo tierde hij voort. Toevallig kende ik het verhaal van Jefferson, anders had ik hem vast niet kunnen volgen. Na nog een paar welgemikte beledigingen viel-ie stil. Hij zag er ineens weer een stuk geruststellender uit, verontschuldigde zich, en hernam zijn bonhomie. Ik was behoorlijk onder de indruk. Omdat zijn airco is uitgevallen, reikt een doodgewone man over honderdvijftig jaar heen, pakt een van de beste presidenten die het land ooit gehad heeft, bij zijn lurven en begint hem systematisch uit te schelden, totdat ie zijn gemoed voldoende heeft gelucht en hij zich weer kan schikken in zijn lot. De geschiedenis als psychiater. De politiek als divan.

Zou zoiets in ons land ook mogelijk zijn, dacht ik later. Bijvoorbeeld: Amsterdamse taxichauffeur zit muurvast in het verkeer, vanwege de drukte in de nauwe straten van de binnenstad tijdens de kroningsplechtigheden van koningin Beatrix. Hij krijgt het op z'n zenuwen en begint Van Hogendorp uit te schelden, die met Van Limburg Stirum in 1814 tegen een onwillige Willem I zei: 'Sire, als U zich niet in Amsterdam laat kronen, dan kunt U dat koningschap wel schudden'. Of woorden van gelijke strekking. En dan die Amsterdamse taxichauffeur Van Hogendorp maar uitfoeteren of Willem I, hoe ze het toch in hun hoofd hebben kunnen halen om uitgerekend in die nauwe binnenstad, etc. . . .

Helaas kunnen we ons dat niet voorstellen: zoveel historisch besef al niet, maar ook niet zoveel indentificatie met de wereld van de politiek, een persoon, een beslissing. Laat ik mij haasten te zeggen dat er in Amsterdam misschien wel zo'n taxichauffeur te vinden is en dat ik in Washington misschien de enige heb ontmoet, die tot zo'n historische ontlading in staat is, maar het onderscheid in de twee verhaaltjes valt aangenaam samen met mijn gevoel over de totaal verschillende verhoudingen die er tussen de burger en de politiek zijn in beide landen.

Inderdaad, de hoge identificatie-capaciteit van het systeem daar, directe emoties van de burger naar de gekozenen, vertrouwen, kwaadheid, teleurstelling, idealen, spijt van je stem, directe verantwoordelijkheid voor je keuze, een scala van emoties die men kwijt kan, en waarvoor ons onpersoonlijke systeem nauwelijks ruimte biedt. Naast alle minder fraaie en soms kwalijke kanten van het Amerikaanse systeem, maakte deze overheersend positieve en menselijke kant weer diepe indruk op me tijdens de presidentsverkiezing twee weken geleden. Het enthousiasme van de burgers en het gevoel dat de president van hen is en niet van de partijen, straalt van zo'n verkiezingsnacht af. Intrigerend is daarbij de betrokkenheid die Nederlandse burgers bij die verkiezing aan de dag leggen. Het lijkt wel of zij zich meer laten meeslepen door de Amerikaanse verkiezingen dan door hun eigen verkiezingen. Die betrokkenheid komt niet alleen voort uit een oppervlakkige wedstrijdkick. Zij heeft ook te maken met traditioneel NederlandsAmerikaanse banden en naar mijn gevoel vooral met een verborgen verlangen naar een persoonlijker, directer en emotioneler accent in de politieke relatie dan wij hier hebben. Op dat punt staan Nederlandse burgers meer in de kou en dat komt weer voor een deel omdat er in onze politieke cultuur - dus in de relatie burger-politiek - een breuk zit, die zich de afgelopen vijfentwintig jaar heeft voltrokken.

Het onderwerp waarover ik gevraagd ben wat te zeggen, is onbegrensd. Ik neem als leidraad die breuk, wat oorzaken en gevolgen ervan en de verantwoordelijkheden die daaruit voortvloeien voor de poltiek. Ik doe dat niet als wetenschapper, want dat ben ik niet, maar als politicus voor wie het onderwerp de belangrijkste politieke raison d' etre was om in dit vak te gaan vijfentwintig jaar geleden. Om te begrijpen wat er nu is, moeten we terug naar wat er was.

Er is waarschijnlijk geen land in West-Europa - misschien wel in de hele wereld - waar de relatie burger-politiek het grootste deel van deze eeuw zo evenwichtig en sluitend is geweest als in Nederland. Dat komt geheel op het conto van het in de wereld unieke systeem van het zuilenstelsel. In de geborgenheid daarvan ontwikkelde zich de relatie burger-politiek. Het is van groot gewicht dat de afronding van onze formele democratie, algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging, in het begin van deze eeuw plaatsvond op een moment dat de zuilenmaatschappij er al was, en aan alles vorm gaf. Ook aan ons politieke stelsel. Zo is ook Nederland de eerste twintig jaar na de oorlog.

Nederland herrijst, min of meer naar het model van voor de oorlog. De politieke partijen hebben wat andere namen, maar de zuilen staan kaarsrecht. Ze besturen het land. De cultuur is de pacificatie-democratie voor het bestuur en de overleg-eonomie voor de sociaal-economie. De werkelijke maatschappij waarin je woont, is de zuil Daarin is het gezin, de school, de kerk, de sport, de omroep, de vakbond, de politieke partij. Zelfs de winkels waar je koopt, zijn van eigen gezindte. Aan de basis van de zuil is veelal segregatie en georganiseerde intolerantie. Hogerop in het middenveld en aan de top wordt onderhandeld met andere zuilen en worden afspraken gemaakt over vreedzame coexistentie en beleid. In de zuil heerst een buitensporig hoge sociale controle, waardoor een hoge maatschappelijke moraal wordt overeind gehouden. Zo wordt Nederland bestuurd. En dat gaat heel goed. De prestaties komen boven het gemiddelde van een klein land. De politieke partij is maar een onderdeel van een reusachtige maatschappelijke machine.

Midden zestiger jaren komen de eerste kleine barstjes. De elite-consumptie evolueert definitief tot massa-consumptie. De elite-informatie tot massa-informatie. In iedere huiskamer staat een tv. De wereld van de volwassenen wordt zichtbaar - aan elkaar en aan de kinderen. En wel de wereld aan de hele wereld. De atoombom, de armoede, Vietnam. Thuis is de welvaart groter dan ooit en steeds meer voor iedereen. De tiener-economie is een nieuw fenomeen. Kinderen krijgen geld op zak. En geld is vrijheid. De vertrouwde structuren gaan knellen. Langzaam begint het zuilengebouw te kraken. De hierarchien zijn niet meer vanzelfsprekend. Aan de sociale controle begint iets te schorten. Het naoorlogse Nederland, als een kopie van het vooroorlogse, wordt als muf ervaren. Gebrek aan bewegingsruimte. Provo komt, het gaat om de vrijheidsrechten, in feite gaat het om meer. Maar wat?

Eigenlijk nu pas kun je met enige stelligheid die vraag beantwoorden. Het blijkt nu dat we vijfentwintig jaar geleden aan het begin stonden van processen, die nu goeddeels hun beslag hebben gekregen - of op volle kracht bezig zijn.

De ont-ideologisering van de politiek en de individualisering van de burger. Beide woorden bestonden nog niet. De ont-ideologisering begon met het besef toen, bij sommigen, dat de oude ideologieen tekortschoten in hun pretentie van werkzaam maatschappijmodel. We moesten ophouden met denken in gesloten modellen en die aan de kiezers als verwezenlijkbare waarheden voorleggen. De maatschappij was daarvoor te complex geworden. In plaats daarvan zou je een wat praktischer houding moeten aannemen, waarin plaats is voor idealen en erkenning van de verschillende inspiraties, die achter die ideologieen waren schuil gegaan. Dat werd toen intuitief gevoeld, niet wetend dat we aan het begin stonden van een proces van ont-ideologisering dat vijfentwintig jaar later niet alleen in Nederland, maar op wereldwijde schaal z'n beslag zou krijgen, het westen z'n vijand zou afnemen en de poten onder het Westeuropees partijstelsel zou wegzagen.

Aan de kant van de burgerij begon ook vijfentwintig jaar geleden het proces van individualisering - ook dat woord bestond nog niet - aan een nieuwe fase. Het proces sloeg overal in Europa aan, maar had de spectaculairste effecten in ons land door de zuilenmaatschappij. Over individualisering wordt gesproken als iets nieuws, maar het proces is zo oud als de Europese beschavingsgeschiedenis, waarvan de essentie is dat de mens poogt zich onafhankelijk te maken van de groepen en machten boven hem. Van de Middeleeuwen tot nu toe. Bij de emancipatiebewegingen van de vorige en deze eeuw ging dat groepsgewijs. Daarop was onze zuilenstructuur gebaseerd. Wat we nu meemaken is het laatste stadium van dat proces, dat is de verfijning tot het individu zelf.

De grondgedachte daarbij is, dat niet het verband waarin iemand leeft - het gezin bijvoorbeeld - de hoeksteen is van de samenleving, maar dat het individu zelf de bouwsteen is en het echte gegeven als uitgangspunt voor gemeenschaps-handelen: de economische en culturele verzelfstandiging van het individu, dat vanuit die vanzelfsprekendheid zijn verbanden vrijwillig zoekt en aangaat. De vrouwenemancipatie is als groepsactie in de Westerse beschavingsgeschiedenis even vaak geprobeerd als uiteindelijk mislukt. De enige reden waarom zij nu een kans van slagen heeft is, omdat zij drijft op de motor van het individualiseringspoces voor alle individuen - ongeacht het geslacht - en dus ook voor vrouwen. In de politiek gaat het erom gestalte te geven aan die laatste fase van een heel oud proces, door de economische verzelfstandiging van het individu tot uitdrukking te brengen in sociale en belastingwetgeving. Op dat punt zijn er nog praktisch geen vorderingen gemaakt. Die moeten nog veroverd worden op de weerstanden van degenen die de illusie van de oude maatschappij willen ophouden.

De klassieke en solide typisch Nederlandse relatie tussen burger en politiek is in vijfentwintig jaar volledig op losse schroeven komen te staan door de ont-ideologisering van de kant van de politiek en de individualisering van de kant van de burger. Door het steeds ongeloofwaardiger worden van de maatschappijmodellen, terwijl de daarbij behorende partijen dezelfde blijven, is de burger/kiezer gedesorienteerd. Door de individualisering is anderzijds de groep weggevallen, waardoor de politieke partij gedesorienteerd is.

De politieke partij heeft zich in ons land, zowel als in West-Europa, altijd gewend tot een herkenbare groep. Als die verkorrelt, heeft de politieke partij een groot probleem met de adressering van de boodschap.

Daarom zijn bijna alle Westeuropese partijen in de problemen gekomen en vooral de sociaal-democratische, die het meest uitgesproken van alle bestaan bij de gratie van de groep , de onderlinge solidariteit en het schouder-aan-schouder-gevoel

Veroudering kun je niet tegenhouden, vernieuwing wel. De vertrouwde infrastructuur tussen burger en politiek is zwaar beschadigd. De zuilenmaatschappij is ingestort, althans voor de mensen. En er is niets voor in de plaats gekomen. Terwijl de burgers er allang uit verdwenen zijn, houden de politici evenwel de illusie van het oude overeind, niet uit overtuiging, maar uit de angst positie te verliezen en een gevestigd belang kwetsbaar te maken. Dat geldt voor de machtsstructuren van de formele democratie (regering parlement - politieke partijen - ambtelijk apparaat), als van het middenveld (vakbonden - werkgevers - omroepen - onderwijskoepels - gezondheidsorganisaties).

Op dat laatste kom ik dadelijk terug. Voor beide soorten machtsstructuren geldt dat hun zelfreinigend vermogen gering is, dat ze het niet opbrengen zichzelf te vernieuwen, daardoor aan bestuursrecht inboeten en aan legitimiteit.

De verantwoordelijkheid voor deze impasse drukt het zwaarst op de formele democratie. Met het wegvallen van het zuilenstelsel is het integrale verband verdampt en is een grote leegte otstaan tussen het circuit van de gekozenen en de regering enerzijds en de burgers anderszijds. En de staatsrechtelijke vernieuwing die nodig is, komt neer op het aanbrengen van meer directe verbanden tussen burgers en overheid (in de meest ruime zin). Eerder was het niet nodig. Je woonde immers allemaal, kiezers en politici, bij elkaar in die ene zuil en een keer in de vier jaar moest je bij de verkiezingen laten zien hoe dik die was en dan zorgde de zuil, oftwel de regenten daarvan en het establisement erin, wel voor de rest. Als kiezer kwam je er verder niet aan te pas. En dat hoefde ook niet, want dat werkte prima. Maar als dat wegvalt is die ene verkiezing voor die plotseling onbehuisd geworden burger niet meer voldoende om zich nog verbonden te voelen met zijn overheid, zijn regering, parlement, gemeentebestuur.

Kortom, dan moeten er meer aangrijpingsmomenten komen. En daarbij kun je denken aan: een persoonlijker kiesstelsel voor de Kamer, een direct gekozen minister-president, een gekozen burgemeester, een referendum, allemaal directere verbindingen tussen kiezers en macht, die een blijvende ontkoppeling tussen het politieke circuit en de burgerij kunnen helpen voorkomen.

Het is bizar dat je na vijfentwintig jaar tot dezelfde analyses komt en min of meer tot dezelfde antwoorden, maar het is ook logisch. Het krakende zuilenstelsel is nu volledig ingestort. De ont-ideologisering is volledig geworden en de individualisering als idee bij de burger is veel indringender gegaan dan we dachten. De tijd heeft een vermoeden tot evidentie verheven, maar de structuren zijn bij al die ontwikkelingen achter gebleven en er is nu zoveel zichtbaar vastgelopen dat de noodzaak tot vernieuwing van onze systemen te komen in ieder geval voor veel meer mensen zichtbaar is geworden . Ik begrijp ook absoluut niet hoe de fractievoorzitter van het CDA, mijn collega Brinkman, de geschiedenis als het ware wil 'verneinen', en vorige week nog tegenover hoofdredacteuren straffeloos kon zeggen dat de laatste restanten van de jaren zestig worden opgeruimd. Wat zou hij toch kunnen bedoelen, terwijl al de hoofdthema's van die tijd, waar zijn eigen groepering zich met zoveel kracht tegen verzette, op een enkele uitzondering na, een maatschappelijke werkelijkheid zijn geworden? Ik noem de openheid, de emancipatie van de vrouwen, de individualisering, de ont-ideologisering. Misschien laat hij zich misleiden door de ogenschijnlijke betekenis van de nest-geur-kleur-en-warmte op de CDA-bijeenkomsten van zijn partij, en ziet hij die aan voor vitale tekenen van het ongelijk van de geschiedenis.

Ook het zogenaamde middenveld, dat nog steeds de snit heeft van het zuilenstelsel, is in haar vorm en functioneren een 'anachronisme' aan het worden. Het is gedenatureerd zowel qua omvang als werking. Als intermediair tussen de burgers en de formele overheid functioneert het niet meer. Het is noch van de formele overheid, noch van de burgers, het is van zichzelf, een eigen gebied, dat steeds meer is uitgedijd en eigen belangen heeft gekregen. Zowel de burgers als de forme overheid zijn op hun eigen terrein steeds verder teruggedrongen. Het heeft vele verbindingen met politieke partijen (vooral met het CDA) en vormt als zodanig het onzichtbare en niet gecontroleerde deel van de macht van de politiek. Van de oorspronkelijke worteling in de burgerij zelf is nauwelijks iets over. De verantwoordelijkheden van de regering en parlement vervagen en de ruimte voor de burger verkleint.

Een voorbeeld is de samenwerking in het speciaal onderwijs: een netwerk van een aantal gewone scholen met een school voor speciaal onderwijs, om zo voor elk kind de beste oplossing te zoeken. De recente verplichting om te gaan samenwerken levert geen enkel probleem op voor de onderwijskrachten in het veld, om dat geheel ontzuild (openbaar en van alle gezindten samen) en zo praktisch mogelijk te doen. Maar dan intervenieren de koepelorganisaties en dicteren dat dit zuilsgewijs moet gebeuren. En dus moeten de verbanden in de provincie over veel grotere afstanden tot stand worden gebracht om alle protestantse, katholieke en openbare scholen gescheiden onder te brengen.

Ons omroepbestel is nog steeds de postume heilige koe van het zuilenstelsel. Geen regering heeft het gewaagd of is het gelukt iets wezenlijks aan dit bestel te wijzigen. De twee grote politieke partijen zaten er tot hun nek in. De vernieuwing van dat bestel is zo lang uitgebleven dat de verloedering aan alle kanten z'n gang heeft kunnen gaan. En thans hebben we als vrucht van dat conservatisme ongeveer de meest ongereglementeerde en vrijgevochten reclame tv ter wereld en een zogenaamd publiek bestel, waarvan alleen de naam nog overeind staat. Het consequent weigeren om de machtsstructuren - of dat nu de formele democratie geldt, dan wel het middenveld - te vernieuwen en aan te passen aan de veranderende maatschappij, leidt op den duur onherroepelijk tot uitholling van het waardevolle dat men wil - of zegt te willen - behouden. Wie al het nieuwe wil dwingen in de historische mallen, moet wel bestuurlijke misvormingen krijgen. Wie daarvan de dupe is, is natuurlijk de burger. Wie zich dan gaat aanpassen en z'n maatregelen gaat nemen, is natuurlijk de burger. En wie vervolgens vermanend wordt toegesproken is: de burger.

Voor de doorsnee burger is het niet eenvoudig een hoge pet van de overheid op te hebben. Het respect dat in de zuil vanzelf sprak - niet geheel zonder de zachte maar onverbiddelijke drang van de sociale controle - is hem ontvallen. Z'n weg naar de formele overheid leerde hij gaan via de groep. En de groep is grotendeels weg. Hij ziet een overheid voornamelijk via de tegenvallers en de fiasco's, die hem door de media worden overgebracht. De zegeningen vallen hem niet op. Op een aantal essentiele punten voelt hij zich zelfs als individu bedreigd door het tekortschieten van de overheid. Op het gebied van de criminaliteit van de overheid. Op het gebied van de criminaliteit en de rechtshandhaving en ook op het gebied van het milieu.

Het wereldnieuws verschaft hem soortgelijke beelden van andere overheden, in andere landen, die net zo min - of vaak nog minder - greep op de ontwikkelingen blijken te hebben. Dat werkt niet ontlastend voor zijn eigen overheid, maar versterkend voor het negatieve beeld van 'overheid'. Het tast zijn geloof in de publieke zaak aan, in de politiek. En als hij zich dan realiseert in welke mate hij als kiezer medeverantwoordelijkheid draagt voor het syndroom van de politiek, en hoe gering zijn formele verbindingen zijn met dat circuit, en zijn invloed daarop, dan is het niet zo onbegrijpelijk dat hij mentaal loskoppelt, ook al blijft hij vooralsnog stemmen en zijn keuze maken. Het is twijfelachtig of hij op het moment dat hij stemt het gevoel heeft iets belangrijks te doen voor z'n eigen lot. Een paar jaar geleden wees een onderzoek uit dat plusminus dertig procent van de mensen die gingen stemmen er diep van overtuigd was dat het er absoluut niet toe deed op welke partij je stemde. Dat is een significanter oordeel over de stand van zaken dan het opkomstpercentage.

Voor de politiek/de overheid is het ook buitengewoon moeilijk geworden de burger te enthousiasmeren. Er heeft immers sinds de zeventiger jaren een wezenlijke verschuiving plaats gevonden in de lading van de politieke boodschap. Het gevecht om de vooruitgang heeft plaats gemaakt voor het gevecht om behoud of om herwinning van verloren terein. Behoud van koopkracht, behoud van zekerheid, behoud van natuur, behoud van veiligheid, behoud van normen en waarden, of terugwinnen van dat alles.

In plaats van wat in de natuurkunde een impuls wordt genoemd, de resultante van versnelling en richting, hebben de aanslagen op het bestaande de regie overgenomen in het catanaccio-gevecht dat we, teruggetrokken in de defensie leveren, tegen de voldongen feiten die de samenleving presenteert en de onvoldongen, die eraan komen: de groei van het aantal inactieven, de vergrijzing, de kostenstijging in de gezondheidszorg. Vaak komen we emotioneel tekort omdat we niet anders kunnen - of menen niet anders te kunnen - dan mondjesmaat partij te geven: de Balkan in oorlog; 500 ontheemden en een paar soldaten; Oost-Europa in puin: 120 miljoen. We zij in onze uitdagingen onwaarschijnlijk defensief geworden en emotioneel doet dat een heel ander soort appel op de betrokkenheid van de burgers dan het onwaarschijnlijke vooruitgangsgeloof van voorheen. Een vooruitgangsgeloof overigens dat op een gevoelige manier zijn uitgestelde rekening presenteert, zowel van de uitbouw van de verzorgingsstaat als van de roofbouw op het milieu.

Het is vooral die tegenstelling met vroeger, die ontgoochelend werkt op de burger en zijn betrokkenheid bij de collectieve sector uitholt.

De overheid van haar kant ervaart de samenleving als steeds moeilijker doordrinbaar. Deze heeft zich vanuit het privedomein vaak hecht georganiseerd in vele complexe verbanden. De overheid ziet de burgers als calculerende individuen, gericht op het eigenbelang en steeds moeilijker aanspreekbaar op haar collectieve verantwoordelijkheden. Ter verontschuldiging voor de onmacht om greep op de ontwikkelingen te krijgen, worden nieuwe theoretische concepties bedacht als de terugtredende overheid, de zorgzame samenleving, die vanwege de doorzichtige bedoeling geen lang leven beschoren zijn.

Zo staren burgerij en overheid elkaar aan in een soort collectieve verlamming, waarin geen uitwisseling meer plaatsvindt en iedere tegenslag verder beeldversterkend over elkaar werkt.

Om die verlamming te doorbreken roepen sommige politici op tot een ethisch reveil. Ze verwijten de burgers gebrek aan burgerzin en vervagend normbesef. Veelal uit dezelfde hoek klinkt het verzet tegen de individualisering met als argument dat dit het egoisme bevordert en de solidariteit aantast. Collega Brinkman is hiervan een exponent. Ik maak een onderscheid tussen hem en de heer Hirsch Ballin, die veel minder de zedenmeester uithangt. Ik geloof niets van dat egoisme en van die aantasting van solidariteit.

Ik zie er ook niets van - ik zie wel een toenemende onverschilligheid en een egoisme, dat er overigens altijd geweest is, maar dat heeft niets te maken met het individualiseringsproces. Dat heeft andere oorzaken, waar ik het al over gehad heb. Is het niet eerder andersom? Stimuleer je het egoisme niet veel sterker door niet uit te gaan van het individu, maar van het verband waarin hij leeft? Is de richting van het verlangen niet vaak omgekeerd aan de situatie, waarin men verkeert? Onstaat in het verband niet het verlangen naar het ego, en vanuit het ego het verlangen naar het verband? Ik denk ook dat er in het gedragspatroon van jongeren weinig aanleiding is voor het signaleren van meer egoisme dan vroeger of dan bij ouderen. Integendeel.

Ik draai het dus om en zeg dat een van de redenen waarom de binding tussen burger en de publieke zaak kleiner en kleiner wordt - waardoor onverschilligheid wordt aangewakkert en de 'ieder voor zich en God voor ons allen'-houding toeneemt, juist ligt in het feit dat te lang en te krampachtig wordt vastgehouden aan de illusies van een oude maatschappij, en te weinig ruimte wordt gemaakt voor die verzelfstandiging van het individu, terwijl de behoefte daaraan alleen maar toeneemt.

Ethisch reveil en het vervagen van normen en waarden zijn periodiek terugkerende noodkreten van politici. Daarom zijn ze nog niet onwaar, maar de vraag is hoe relevant de constatering is, hoe effectief die moraliserende toon, en hoe gezaghebbend de oproep. Politici hebben niet alleen het recht, maar zelfs de opdracht om zich te bekommeren om normen en waarden. Maar ze worden in de eerste plaats geacht die te investeren in hun eigen produkt: de overheid en het beleid. De geloofwaardigheid van de boodschap neemt zoveel toe wanneer de boodschapper erop getoest kan worden. En hoe vaak laat de overheid het zelf niet afweten op dit punt, bijvoorbeeld op het zuiver omspringen met begrotingsgelden, vergunningen of op zorgvuldigheid in het eigen gedrag. Te vaak wordt vergeten hoe desastreus het slechte voorbeeld van de autoriteit uitwerkt op de burger.

De moraliserende toon is ineffectief, omdat zij voorbijgaat aan de werkelijke aard van het vraagstuk: de burgers keren zich niet af van het collectieve uit overtuiging of verwording. Als dat waar zou zijn, zouden we het publieke domein voorgoed kunnen vergeten en zou trouwens een oproep tot ethisch reveil nog vergeefs opklinken ook. Nee, de burgers verliezen hun belangstelling voor het collectieve, omdat ze zich niet meer herkennen in het publieke, omdat ze hun eigen belang niet meer herkennen in het collectieve. Athans te weinig, althans steeds minder. En als we met de geindividualiseerde burger, die mogelijkerwijs rationeler en wellicht berekender is geworden, maar net zo goed toegerust is met idealen en creatieve denkbeelden, overgaan tot de herdefiniering van collectieve doelstellingen, dan doen we er beter aan vaker uit te leggen waar in het collectieve ook het eigen belang gediend ligt, in plaats van alleen naar te verwijzen naar discipline en het imperatief van de moraal. Het voorkomt ook dat het beroep op zelfverloochening, wanneer dat echt aan de orde is niet voortijdig versleten is.

Te vaak vergeten we dat eigen belang en moraal, oorspronkelijk in elkaars verlengde liggen. Dat onder de 'tien geboden' de rationale ligt van de ordening van een maatschappij waar we een hoogstpersoonlijk belang bij hebben: ik zal niet doden, omdat ik niet gedood wil worden; ik zal niet stelen, omdat ik niet bestolen wil worden; ik zal niet liegen, omdat ik niet bedrogen wil worden. En wie beter kan ik hierbij aanroepen dan degene, wiens naam aan uw stichting is verbonden, Coornhert, die al meer dan vierhonderd jaar geleden sprak van een "rechtvaardicheyd totten menschen, die nodigh is ende nut" . Het persoonlijk nut, ontleend aan het algemeen nut.

Het eigen belang in het leven volgens de wet, in het niet frauderen met uitkeringen, in het brengen van offers voor de Derde Wereld, in het respecteren van de regels van de rechtsstaat, ook voor de verdachte, het eigen belang in het verlangen naar een evenwichtige en proportionele benadering van het illegalenvraagstuk, het eigen belang in het verlangen naar bijzondere inspanningen om allochtonen aan het werk te krijgen. Het eigen belang zichtbaar maken kan veel misleidend populisme voorkomen, of helpen voorkomen dat het aanspreekt. In de meest ruime zin: het is ook een eigen belang om in een gemeenschap te leven, waarin men zich bekommert om het lot van een ander. In feite gaat het om dezelfde idealen als vroeger, waarbij alleen de nadruk op de 'verhevenheid' ervan is vervangen door die op de 'worteling' in Coornhert's Nut. Een accentverlegging, van boven naar beneden.

Aan de herkenning van het eigen belang in het bonum commune correspondeert de erkenning van het eigen aandeel daarin. Het eigen belang aantonen bij de collectieve beheersing van het milieuvraagstuk is betrekkelijk eenvoudig, maar het erkennen van het eigen aandeel in de gigantische optelsom van individuele gedragingen, die tezamen het milieuvraagstuk vormen, is heel wat moeilijker. En toch ben ik er van overtuigd dat de ruimte voor die herkenning van eigen belang en aandeel veel groter is dan door de politiek en de overheid wordt geexploiteerd. Maar wat moet je aan met een oproep van de regering om minder kolen te stoken, terwijl zij zelf tegelijkertijd een kolengestookte centrale laten neerzetten?

Ik kom aan het slot en zet een paar conclusies bijeen. Er zijn een paar dingen die moeten gebeuren om de collectieve verlamming te doorbreken.

1. In de eerste plaats moeten we in openbaar debat, tot een herdefiniering komen van collectieve doelstellingen, maar dan op basis van de werkelijkheid van vandaag. En die werkelijkheid is een multiraciale, multiculturele gemeenschap van geindividualiseerde burgers in een staatsverband dat zelf op drift is, dat decentraliseert naar lagere en internationaliseert naar hogere overheden in processen, die nog volstrekt onzeker zijn wat hun uitkomst betreft. Van die nieuwe collectieve doelstellingen zijn er een paar die direct het herstel van de relatie burger-politiek raken. Dat zijn: de rechtshandhaving, het milieu en de herinrichting van onze belasting- en sociale wetgeving op basis van economische en sociale verzelfstandiging van de burgers.

2. Het imago van het publieke domein wordt niet bepaald door een politieke overtheid die stuurt, ook niet door een ambtelijke overheid die uitvoert, maar door een ondoorzichtige verstrengeling van beide die resulteert in een bureaucratisering van alle overheidshandelen, dat daardoor ondoordringbaar, emotieloos en ongrijpbaar is geworden, niet alleen voor de burgers, maar voor iedereen, ook voor de ambtenaren en politici zelf, die erin zitten. Door de ontmenselijking en anonimiteit van het publieke domein verliest het z'n gezag, z'n overtuiging en zijn slagkracht. Verantwoordelijkheden voor wat er precies gebeurt, worden onzichtbaar in een brij van ondoorgrondelijke processen. De ontstrengeling van de politieke en ambtelijke wereld, en het wederom helder maken van de verantwoordelijkheden in beide werelden, is een van de belangrijkste voorwaarden om de relatie tussen burger en politiek weer te herstellen. Dat is ook een belangrijk onderdeel van het onderzoek naar de bestuurlijke vernieuwing in het kader van de commissie-Deetman.

3. Maar de beslissende vraag, die in belang, mijns inziens, boven alles staat, is die of de politici in staat zijn om de staatsrechtelijke ruimte waarin zij hun macht uitoefenen opnieuw in te richten en wel zo dat de burgers daar een grotere vat op krijgen. Dat onderdeel van het onderzoek van de commissie-Deetman stuit op de stugste weerstand in de Kamer. Het zijn 225 Kamerleden die exclusief de macht hebben om onze democratie weer nieuw leven in te blazen, door de kiezers daar meer in te betrekken, door hen op een of andere manier een directe band te geven met de regering, door hen een veel persoonlijker band te geven met degenen die hen vertegenwoordigen. De echtheid van die relaties en een directe legitimatie van het overheidsgezag zullen de echte impulsen opleveren voor het onieuw integreren van burgerij en overheid. Maar dan moeten wij parlementariers bereid zijn onze ongehoord grote en vrije ruimte voor het uitoefenen van macht, een klein beetje in te perken ten gunste van de kiezers. Dan moeten de politieke partijen bereid zijn om iets van hun buitensporig dominante invloed prijs te geven ten gunste van de kiezers.

Van een partijendemocratie naar een kiezersdemocratie. Maar dan zou de politiek een groot genereus gebaar moeten maken naar de burgerij ten koste van zichzelf. Dat is nog nooit gebeurd. Kon ik daar het eigen belang maar van aantonen.

En toch, alleen als dat gebeurt is er een kleine kans dat wij veel later ook nog eens een taxichauffeur hebben, die na een botsing Deetman begint uit te schelden omdat die ooit zoveel helder licht heeft gebracht in hetopenbaar verkeer, dat 'ie de kleur van de stoplichten niet had kunnen waarnemen.

Want laten we niet overdrijven. God verhoede dat het ooit nog eens echt helemaal in orde komt tussen politiek en burgerij. Als alles klopt en de maatschappelijke stucturen gezond zijn, wie moeten we dan de schuld geven van ons persoonlijk falen? De burger zal altijd blijven knarsetanden, als hij aan de politiek denkt. Maar kan het een paar knarsen m

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden