De burger eist inspraak

Richard Evans over de negentiende eeuw, tijdperk vol verandering

De Brit William Henson vond in 1847 het veiligheidsscheermes uit. Zijn timing had beter gekund, want baarden en snorren kwamen in heel Europa juist enorm in de mode. Tot dan toe lieten vooral boeren en artistiekelingen hun baard staan. Na 1848 gingen ook de gegoede burgerij en de allermachtigsten voor kin-, bovenlip- en wangbedekking. Henson zelf deed er vrolijk aan mee. Zijn machtige bakkebaarden en imposante snor vormden één groot harig geheel, van oor tot oor.


De Duitse keizer Wilhelm II had zijn snor met gekrulde uiteindes als handelsmerk. Iets soortgelijks gold voor de gespleten baard van zijn admiraal Alfred von Tirpitz. De Oostenrijks-Hongaarse keizer Franz-Jozef was herkenbaar aan zijn enorme bakkebaarden. Hij droeg ze tot aan zijn dood tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl ze eigenlijk al uit de mode waren. Het maakte hem automatisch tot een symbool van een voorbij tijdperk.


De Britse historicus Richard J. Evans trekt in 'De eeuw van de macht. Europa 1815-1914' ruim twee pagina's uit voor snorren en baarden. Hij laat het niet bij de do's and don'ts van die dagen, maar geeft ook duiding. Hij legt verbanden met het revolutionaire jaar 1848 en de Krimoorlog (1853-1856), met een nieuw soort mannelijkheid (bescherming 'tegen enigerlei beschuldiging vrouwelijke eigenschappen te bezitten') en vuile lucht, met name in de groeiende steden: de baard als filter tegen gevaarlijke en ongezonde dampen. Zo noemde de Duitse rijkskanselier Otto von Bismarck zijn knevel 'mijn respirator'.


Evans houdt van het brede gebaar én de petite histoire. Eerder publiceerde hij een geschiedenis van het Derde Rijk, goed voor zo'n 2700 pagina's. 'De eeuw van de macht' maakt deel uit van een serie boeken over de geschiedenis van Europa van de Britse uitgeverij Penguin. Ook Ian Kershaw (de twee wereldoorlogen en het interbellum, 1914-1945) en Mark Greengrass (de lange eeuw van de godsdiensttwisten, 1517-1648) doen eraan mee.


De ontwikkelingen in de relatief vredige tijd tussen de Slag bij Waterloo en het begin van de Eerste Wereldoorlog mag Evans beschrijven. Natuurlijk legt hij daarbij de nadruk op de niet te missen hoofdlijnen: industrialisatie, urbanisatie, nationalisme, imperialisme, uitvindingen en de versnelling van het leven die zij teweegbrachten. Het mag een wat burgerlijk tijdperk zijn geweest, van een saaie eeuw was allerminst sprake.


Een rode lijn die Evans ontwaart, is het streven naar macht in de negentiende eeuw. Dat is ook waar de titel van zijn boek naar verwijst. De natiestaat vergrootte zijn grip op de bevolking en de maatschappij. Tegelijkertijd liet de burger in toenemende mate van zich horen en eiste die een rol voor zichzelf op. Steeds meer mensen kregen stemrecht. Politieke partijen kwamen op. Een breder en publiekere debat vond plaats, waarbij ook de opkomst van de massamedia een rol speelden.


De mens leek het lot een beetje de baas te worden: verwoestende epidemieën en hongersnoden kwamen nog voor, maar werden schaarser. Ondertussen bleef schrijnende armoede bestaan. En in hoeverre verschilde het stilaan verdwijnende lijfeigenschap op het platteland nu werkelijk van het afmattende en slecht betaalde werk in de fabrieken in de stad?


Woonomstandigheden in deze dichtbevolkte gebieden waren beroerd. Dat boeken en media de armste buurten beschreven als plekken van ontsporing en moreel verval deed volgens Evans geen recht aan de werkelijkheid. Industrialisatie en verstedelijking zorgden voor lagere misdaadcijfers. Daarbij speelden ook een professioneler politie en beter onderwijs een rol.


Daar waar de vooruitgang nog op zich liet wachten, leefde de bevolking in veel erbarmelijkere omstandigheden. 'De eeuw van de macht' haalt ooggetuigenverslagen aan over mensonterende toestanden in IJsland en Bulgarije. Dat Evans zelfs stilstaat bij de situatie in dit soort uithoeken laat zien dat hoe groots hij zijn verhaal opzet. En naast de aan het begin van dit verhaal genoemde snorren en baarden gaat het in dit boek ook over idolenverering, kermissen, spiritualisme, hoeden, liften, roltrappen en crematie.


Met groot gemak laat Evans zien hoe alles met alles te maken heeft. Als hij over muziek schrijft, stipt hij meteen het ongemak van het bourgeois-publiek met de alledaagse setting en de karakters uit George Bizets opera 'Carmen'. Het stuk, deels spelend in een sigarenfabriek, werd niet erg enthousiast onthaald en trok halfvolle zalen. Op het dagelijks leven van de massa zat het merendeel van de uitgaande elite niet te wachten.


Wat wel aansprak, was muziek doortrokken van nationalisme. De componist Edvard Grieg kreeg een pensioen van de overheid als dank voor zijn verdiensten voor de totstandkoming van de Noorse identiteit. Zelf kreeg hij een hekel aan 'In de hal van de bergkoning', het beroemdste gedeelte uit zijn 'Peer Gynt', "omdat het verschrikkelijk stinkt naar koeienvlaaien en overdreven Noors nationalisme".


Ja, de schrijver van deze lovende bespreking is dezelfde die het vorige maand in een essay in Letter & Geest had over obese boeken en over de neiging van veel non-fictieschrijvers om vooral veel te schrijven. Maar ik constateerde toen ook: "Of omvangrijke boeken werkelijk aan vetzucht lijden, hangt ondertussen altijd af van het soortelijk gewicht. Een dunne plot rechtvaardigt geen dikke pil. De auteur moet de lezer grijpen en tot het einde (en liefst nog even daarna) niet meer loslaten."


Evans weet zijn lezer te pakken. In de ruim duizend pagina's dringt het mag-het-onsje-minder-gevoel zich nergens op. Integendeel, gaandeweg groeit de bewondering voor het vele dat de schrijver in dit wonder van beheersing van de materie en compositie aan de orde weet te laten komen.


Zelfs als het verhaal uit is, toont dit boek zijn kwaliteit. Een uitgebreid register maakt het makkelijk nog eens iets terug te zoeken. Voor wie verder wil lezen is er een bibliografie op onderwerp. Daarbij valt op dat het aantal titels onder het kopje 'Nederland en België' het geringst van allemaal is. Eén boek staat daar slechts: het veertig jaar oude 'De Lage Landen 1780-1940' van Ernst Kossmann. Daarmee wordt alle onderzoek van de afgelopen decennia tekort gedaan. Het verklaart waarom Nederland en België bij Evans relatief weinig aan bod komen. Maar ze zijn, net als IJsland en Bulgarije, ook niet helemaal onopgemerkt gebleven.


Richard J. Evans: De eeuw van de macht. Europa 1815-1914 (The Pursuit of Power) Vert. Het Vertaal-


collectief. Hollands Diep; 1102 blz. euro 49,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden