Review

DE BRUIDSBRIEVEN VAN BONHOEFFER

In januari 1943 verlooft Dietrich Bonhoeffer zich met Maria von Wedemeyer. Twee maanden later wordt hij gearresteerd. Hij zal niet meer vrijkomen. Onlangs verschenen de liefdesbrieven die hij vanuit de gevangenis schreef. Volgens de historicus J. W. Schulte Nordholt is het boek een innig, smartelijk, bijna absurd verslag van een relatie tussen twee geliefden die nooit bij elkaar konden komen: “Het is haast niet te lezen, nu nog, een halve eeuw later.” Brautbriefe Zelle '92, Dietrich Bonhoeffer, Maria von Wedemeyer, 1943-1945, geredigeerd door Ruth-Alice von Bismarck en Ulrich Kabitz, met een nawoord door Eberhard Bethge, uitg. C. H. Beck, München 1994. (Maria von Wedemeyer ging na de oorlog naar de Verenigde Staten, huwde tweemaal, werd een specialiste in computerkunde en stierf in 1977. De eerst genoemde redactrice is haar oudere zuster.)

Dat is een citaat uit de brieven van een groot gevoelig dichter, Rainer Maria Rilke, aan een jonge collega. Het moet in de oorlog een beroemde zin zijn geworden, het werd opeens toepasselijk, echt, echter dan de verfijnde dichter zich kan hebben voorgesteld. Ik vermoed dat ik lang niet de enige ben die het in de cel kreeg toegestuurd (van Duitse vrienden), bij wijze van troost, en er ook troost uit putte. Maar het is eigenlijk een te zachte zin, een uitnodiging om in te keren in jezelf, te vluchten naar een verloren paradijs.

Om in de termen van Bonhoeffer te spreken: een religieuze zin. Hij kon er niets mee beginnen, begrijp ik uit de brieven die hij aan zijn verloofde schreef, en die telkens en telkens weer op Rilke terug komen. Want zij, ontvankelijk, tegen de twintig, was er vol van, ze stuurde hem dat boekje, Briefe an einen jungen Dichter. Natuurlijk bedankte hij haar hartelijk. Maar met een zekere terughoudendheid: “En nu je Rilke! Ik dank je dat je het me gestuurd hebt. Ik kende deze brieven maar ik heb ze met jou in mijn gedachten als nieuw en met graagte gelezen. Maar je weet het al wel - ik ben op een of andere manier op een andere toon gezet en ik heb me bij het lezen altijd weer afgevraagd hoe men met zulke brieven moet omgaan.” Ze zijn immers te persoonlijk, vindt hij, te pianissimo, zoals hij het noemt.

En hij is nu in een situatie waarin de geluiden snerpend zijn geworden, en alle paradijzen teerhartige utopieën waar hij niets mee kan beginnen. Zo kenden we hem al uit het vele dat van en over hem verschenen is. Wat we hier lezen past bij ons beeld van de diesseitige Bonhoeffer. Maar in de context waarin we het hier lezen, is het schrijnender, het boek waaruit ik citeer is een boek dat niet voor de ogen van ons buitenstaanders bedoeld is en dat dan ook nauwelijks zonder een gevoel van onbehagen, schaamte bijna, te lezen is.

De nabestaanden hebben goedgevonden, hebben gewild, dat het zou verschijnen, en daar moeten we dankbaar voor zijn, want het is is het enige essentiële deel van de nalatenschap van de grote getuige van Christus Dietrich Bonhoeffer dat we nog niet kenden. Maar het is wel een paradoxale dankbaarheid, onder het lezen gemengd met soms bijna ondragelijke pijn.

Achterin het boek wordt rekenschap en opheldering gegeven bij dit innige, smartelijke, bijna absurde verslag van een relatie tussen twee geliefden die nooit bij elkaar kunnen komen, het water is veel te diep. Het is een absurd verhaal in vele opzichten. Daar is die hele adellijke familie uit Pruisen, trouw aan het verleden, trouw aan de kerk. Von Wedemeyer heten ze en ze zijn gelieerd aan een hele reeks andere bekende geslachten. Een dominerende rol in de familie speelt de oude grootmoeder, zij is bij uitstek wat men vroeger in ons land een 'herderlievende' vrouw noemde. Zij leest Karl Barth, zij kiest met kracht voor de 'Bekennende Kirche'. Buitensporig bewondert zij de jonge dominee die preekt als haar kleinzoon Max belijdenis doet en zij ziet met welgevallen als er een eerste liefde lijkt op te bloeien tussen zijn zuster, haar kleindochter, Maria en die dappere prediker Dietrich Bonhoeffer. Het komt echt zover, in de zomer van 1942 vinden ze elkaar. Maar dan lijkt de oorlog het lot van de Duitse mensen volstrekt te bepalen. Maria's moeder beseft dat en zij wordt bang en remt af: het leeftijdsverschil is zo groot - 18 jaar - en, dat voelt ze ook al, de kandidaat is bij gevaarlijke zaken betrokken.

Zij eist van de jonge geliefden dat ze een proeftijd van een jaar in acht zullen nemen. Zo gebeurt het, want ze zijn mensen van de traditie. En zo wordt het allemaal te laat. In januari 1943, na een half jaar, besluiten ze wel dat ze nu toch echt verloofd zijn, maar begin april wordt Bonhoeffer gearresteerd en hij zal niet meer vrij komen, hij zal haar nooit in zijn armen sluiten.

Zo wordt het een liefde die uit brieven bestaat, bruidsbrieven zegt de titel van het boek. Een liefde in woorden, in dromen, tussen de tijden, een liefde op hoop tegen hoop. Jazeker, ze zien elkaar zo nu en dan als het hun lukt Sprecherlaubnis te krijgen, maar dat is een enkel uur op een sofa in het bijzijn van een politieman. En langzaam wordt dan de toon warmer en tegelijk wanhopiger. Ze omhelzen elkaar, kussen elkaar, maar alles is op schrift, alles in de toekomst, eenmaal, eenmaal zal er een tijd komen!

Het klinkt als een parabel voor het geloof, het volstrekte diesseitige geloof in een koninkrijk op aarde, Gods koninkrijk, ons koninkrijk. Profetisch geloof; hij schrijft haar: “Als ik over de toestand in de wereld, de totale duisternis van ons persoonlijke lot en mijn gevangenschap denk, dan kan ons verbond alleen maar een teken zijn van de genade en goedheid Gods, die ons tot het geloof roept. Bij Jeremia heet het in de grote nood van zijn volk: 'Er zullen nog huizen en akkers in dit land gekocht worden', als teken van vertrouwen op de toekomst. Daar is geloof voor nodig; God moge het ons dagelijks schenken; ik bedoel niet het geloof dat vlucht uit de wereld maar dat het in de wereld uithoudt en dat de aarde lief heeft en trouw blijft. Ons huwelijk moet een Ja zijn tot Gods aarde. Ik vrees dat de christenen die maar met een been op aarde durven te staan ook maar met een been in de hemel staan.”

Geen Rilke dus, geen vlucht, geen idealisme. De zon staat aan de hemel, zelfs achter zijn celraam, hij wijdt haar een lofzang, zij herinnert hem er aan dat de mens uit aarde is genomen en niet uit lucht en gedachten opgebouwd.

En zo gaat het maar voort, brief aan brief, alsof het een soort rituele bezwering was, eindeloos door, het doet denken aan de beroemde beschrijving die de antropoloog Malinowski geeft van de bewoners van de eilanden in de Stille Zuidzee die de storm willen bedwingen door op het strand neer te hurken en onafgebroken te zingen tegen de elementen op. Maar de storm van het kwaad is veel te groot en op den duur komt het toch tot een crisis, zij kan het niet meer ophouden en hij bezweert haar wanhopig: “Je geloofde op Pinkstermaandag 'niet verder meer te kunnen'. Ja, zeg me toch, kun je dan wel zonder mij verder? en als je meent dat je dat kunt kun je het dan ook nog als je weet dat ik zonder jou niet verder kan? Nee, dat is allemaal totaal onmogelijk.”

Dat is het natuurlijk ook, maar alles is onmogelijk, alles. Het is haast niet te lezen, nu nog, een halve eeuw later. Maar daarin zit dan de paradox, pas als alles onmogelijk is, is er totale genade. Bij Bonhoeffer is er geen moment een lieve, menselijke, Rilkeaanse oplossing, geen gedachte dat God ook niet wil dat het kwaad goede mensen treft; in die categorieën denkt hij niet, hij weet, net andersom als de moderne theologie, niet hoe God is - God is verborgen - maar dat Hij is, dat Hij er volstrekt is. Wir sind Bettler, das ist wahr, citeert hij met instemming Luthers laatste woorden. Zijn verloving is voor hem het bewijs van Gods wil: dat blijkt uit de verwarring van de mensen en de voorzienigheid van God: hominum confusione et dei providentia. Later, eenmaal zullen ze begrijpen waar het allemaal goed voor was, het gaat er nu alleen maar om dagelijks dankbaar te zijn. Het geloof is nu eenmaal paradoxaal: God in de kribbe, rijkdom in armoede, licht in de nacht, hulp in verlatenheid.

Maar de paradox heeft diepe wortels in de realiteit, Gods genade is niet enkel antwoord uit het onweer, maar heel nadrukkelijk in de overlevering, de traditie gegrond. Is, zoals zij klaagt, het geluk voorbij gegaan, het ligt toch ten grondslag aan hun liefde en hij stuurt haar een lang gedicht, Vergangenheit, een soort ode als van Hölderlin, hunkerend, hulpeloos: In zijn cel schenkt de nacht hem het verloren verleden terug en hij dankt God voor zijn goedheid.

Wat hij leest, wat hij zingt, het is allemaal daarop afgestemd. Geen moderne romans boeien hem, geen Hesse, Kafka, Mann, maar de schrijvers van de traditie, de gmsg leonie eborgenheid, Gotthelff, Stifter. Het is wel ouderwets maar zo weldadig, schrijft hij, boeken te lezen waarin alleen maar sympathieke mensen voorkomen. Dat brengt je op de wezenlijke inhoud van het leven. Uit Stifter citeert hij dat de smart de heiligste engel is die de mensen schatten toont die anders eeuwig in de diepte verborgen gebleven zouden zijn. “Mijn lieve Maria, laat ons nooit in de war raken door wat ons overkomt, het komt alles uit goede, goede handen.” Als hij dat schrijft is het augustus 1944, dan is de samenzwering van de twintigste juli al mislukt en daardoor weet de Gestapo de hand te leggen op voor hem zeer belastend materiaal. Er is dan geen hoop meer.

Vlak voor de laatste Kerstmis die hij beleeft stuurt hij haar dan zijn lied: “Von guten Müchten treu und still umgeben” met de hartverscheurend uitdagende derde strofe: “Und reichst Du uns den schweren Kelch, den bittern des Leids . . . so nehmen wir ihn dankbar ohne Zittern aus Deiner guten und geliebten Hand.”

Ik heb dat lied vertaald en het staat nu in het Liedboek (398), maar ik heb eens iemand ontmoet die het in zijn verdriet niet kon zingen. Hoe begrijpelijk is dat, dit boek kan men ook bijna niet lezen, het geloof kan men ook bijna niet aanhangen. Bonhoeffer gaat alles voorbij en bij het lezen bekruipt je soms de bijna blasfemische gedachte dat alleen in de ondergang de zuiverheid bewaard kon blijven. Maar misschien is er wel zoiets met het hele leven, er is geen licht zonder duister, geen nabijheid zonder afscheid, geen leven zonder dood. De stem blijft mij steken, laat die man nu in de gevangenis, waarvan de wanden geen geluid van buiten naar binnen laten doordringen, het liefste een lied van de piëtist Gottfried Arnold zingen (het staat niet eens meer in het nieuwe gezangboek van de Duitse kerk):

So führst Du doch recht selig, Herr, die Deinen, ja selig und doch meistens wunderlich.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden